Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2014

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2014:327

Zaaknummer

7319

Inhoudsindicatie

Verweerder stelde na de appeltermijn beroep in. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Niet-ontvankelijk.

Uitspraak

                                   

Beslissing van 17 november 2014

in de zaak 7319

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

de Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Rotterdam

deken

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Gravenhage (verder: de raad) van 8 september 2014, onder nummer R.4477/14.63, aan partijen toegezonden op 10 september 2014, waarbij een bezwaar van de deken tegen verweerder  gegrond is verklaard en aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes maanden is opgelegd.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 3 november 2014 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 7 november 2014, waar verweerder is verschenen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de tuchtrechtelijke norm van artikel 46 Advocatenwet.

3.2    Meer in het bijzonder verwijt klager verweerder dat deze, door het niet doen van de kantooropgave in het kader van de CCV 2012 en 2013 en het niet, althans niet voldoende, reageren op brieven van klager in het kader van de CCV, alsmede in de door klager genoemde dossiers, klager niet in staat stelt de hem als deken opgedragen controle uit te oefenen en in strijd met gedragsregel 37.

4    BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

4.1    Artikel 56 lid 1 van de Advocatenwet bepaalt dat tegen een beslissing van de raad hoger beroep kan worden ingesteld gedurende dertig dagen na de verzending van die beslissing. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar indien de beslissing betrokkene buiten zijn schuld niet heeft bereikt en het buiten de termijn bij het hof ingekomen beroepschrift zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd is ingediend. In de regel is daarvoor een termijn van veertien dagen na kennisneming van de beslissing aan te houden (vgl. ECLI:NL:TAHVD:2013:352).

4.2    Aangezien de beslissing van de raad op 10 september 2014 aan verweerder is toegezonden, kon hij tot en met 10 oktober 2014 hoger beroep instellen. Het beroepschrift is gedateerd op 31 oktober 2014 en door het hof ontvangen op 3 november 2014, dus buiten de beroepstermijn.

4.3    De beslissing van de raad is bij aangetekende brief aan verweerder toegezonden. Bij de stukken bevindt zich een afleverbericht waarin staat dat de brief op 11 september 2014 om 13.21 uur aan verweerder is afgeleverd. Boven de naam van verweerder staat een handtekening.

4.4    In zijn beroepschrift stelt verweerder dat de hiervoor in 4.3 genoemde handtekening niet door hem is geplaatst, dat hijzelf op het tijdstip dat in het afleverbericht is genoemd buiten de deur was en dat er niemand op zijn kantoor was. Om die reden is het beroep tijdig ingesteld, zo stelt verweerder.

4.5    De deken meent dat verweerder niet-ontvankelijk is in zijn beroep. Hij voert aan dat, indien al juist zou zijn dat de beslissing van de raad verweerder niet op 11 september 2014 heeft bereikt, verweerder daarmee in elk geval op 14 oktober 2014 bekend was, althans op 15 oktober 2014, toen de beslissing hem na een telefoongesprek tussen hem en het kantoor van de deken per e-mail is toegezonden. Volgens vaste rechtspraak diende verweerder het beroep binnen veertien dagen daarna in te dienen. Het beroepschrift is echter ook buiten die termijn ingediend, aldus de deken.

4.6    Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij een eenmanskantoor heeft, met parttime ondersteuning van een secretaresse, in een gebouw waarin, verspreid over meerdere verdiepingen, diverse bedrijven kantoor houden.  Met de post gaat wel vaker iets mis, in die zin dat voor verweerder bestemde stukken hem soms niet (direct) bereiken. Om dezelfde reden is hij ook niet ter zitting van de raad verschenen. Verweerder heeft verder verklaard ervan uit te gaan dat de brief waarbij de beslissing van de raad was gevoegd wel in het gebouw waarin hij kantoor houdt is afgeleverd en door iemand voor ontvangst is getekend, maar hem niet heeft bereikt. Geconfronteerd met de gelijkenis tussen de handtekening onder het afleverbericht en zijn handtekening onder het beroepschrift, heeft verweerder volhard in zijn stelling dat het afleverbericht niet door hem is ondertekend.

4.7    Het hof overweegt als volgt. Ook indien juist zou zijn dat de brief met de beslissing van de raad wel aan het kantooradres is afgeleverd, maar verweerder niet heeft bereikt, betreft dit een omstandigheid die voor rekening en risico van verweerder komt. Een advocaat dient zijn kantoor zodanig te organiseren dat voor hem bestemde post hem ook kan bereiken. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.

4.8    Ten overvloede overweegt het hof dat, indien de termijnoverschrijding wel verschoonbaar zou worden geacht, van verweerder mocht worden gevergd het beroep met bekwame spoed na kennisneming van de beslissing van de raad alsnog in te stellen. In beginsel dient daartoe een termijn van veertien dagen na kennisneming te worden aangehouden (zie hiervoor, 4.1). Verweerder heeft niet weersproken dat hij in elk geval op 15 oktober 2014 van de beslissing van de raad heeft kennisgenomen. Uitgaande van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, had verweerder zijn beroepschrift dan ook in beginsel uiterlijk op 29 oktober 2014 moeten indienen. Nu verweerder geen omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen rechtvaardigen dat hij het beroepschrift ook buiten die termijn heeft ingediend, is hij ook om die reden niet-ontvankelijk zijn in zijn beroep.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

        

verklaart verweerder niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, mrs. G. Creutzberg,  R. Verkijk, A.J. Louter en T.H. Tanja-van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2014.