Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-11-2012

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2012:YA4399

Zaaknummer

6243

Inhoudsindicatie

Klacht over onvoldoende dienstverlening en ontbreken specificatie bij declaratie. In appel kan niet voor het eerst worden onderzocht of sprake is van excessief declareren. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing                                    

van 19 november 2012

in de zaak 6243

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 25 oktober 2011, onder nummer 11-016U, aan partijen toegezonden op 25 oktober 2011, waarbij een klacht van klaagster tegen verweerder klachtonderdelen a t/m d ongegrond zijn verklaard.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klaagster van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 24 november 2011 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de antwoordmemorie van verweerder;

-    de brief van klaagster aan het hof van 1 september 2012.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 21 september 2012, waar namens klaagster de heer en mevrouw X. zijn verschenen, alsmede verweerder, bijgestaan door zijn kantoorgenoot mr. Y.. Mr. Y. heeft gepleit aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat:

a)    verweerder onvoldoende zorg heeft betracht in de wijze waarop hij klaagster heeft bijgestaan in een geschil met betrekking tot een door klaagster ontwikkeld product;

b)    verweerder klaagster zou hebben gedwongen een schikking te treffen waar zij niet achter stond;

c)    klaagster door toedoen van het handelen van verweerder schade heeft geleden van minimaal € 600.000,--;

d)    verweerder geen specificatie heeft verstrekt ter zake van een declaratie van € 15.000,--

Door aldus te handelen c.q. na te laten heeft verweerder volgens klaagster de norm vastgelegd in artikel 46 Advocatenwet overschreden.

4    FEITEN

De raad heeft vastgesteld van welke feiten in deze procedure wordt uitgegaan. De door de raad vastgestelde feiten, welke  niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

5    BEOORDELING

5.1    Het onderzoek in hoger beroep heeft met betrekking tot de onder 3 verwoorde klachtonderdelen niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad. De grieven van klaagster tegen de beslissing van de raad falen. De beslissing van de raad zal dan ook worden bekrachtigd.

5.2    Namens klaagster is ter zitting van het hof uitvoerig ingegaan op de wanverhouding tussen de hoogte van de door verweerder voor klaagster met de wederpartij bereikte schikking en het door verweerder aan klaagster in rekening gebrachte honorarium. Namens verweerster is terecht opgemerkt dat de raad zijn beslissing niet op dit klachtonderdeel (excessief declareren) heeft gegrond en dat klaagster blijkens de van de zitting bij de raad opgemaakte notulen, met de formulering van de door de raad onderzochte klachtonderdelen akkoord is gegaan. Dat betekent dat deze klacht in het kader van de onderhavige klachtprocedure niet door het hof kan worden onderzocht en beslist. Het hof zal hetgeen ter zitting daarover is opgemerkt, in de onderhavige beslissing buiten beschouwing laten. In de bijlage bij zijn brief van 1 september 2012 verzoekt klaagster het hof deze klacht naar de deken terug te verwijzen. De advocatenwet voorziet niet in een dergelijke terugverwijzing. Indien klaagster terzake een nieuwe klacht tegen verweerder wil indienen, dient zij zich opnieuw tot de deken te wenden.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 25 oktober 2011 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam onder nummer 11-016U.

 Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs,  A.D. Kiers-Becking, G.J. Niezink en B.J.Th. Bouma, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2012.