Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-05-2013

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2013:151

Zaaknummer

6545

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging uitspraak Raad over niet reageren op brieven van de deken. Verwijzing naar gedragsregel 37. Berisping.

Uitspraak

beslissing van 24 mei 2013

in de zaak 6545

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

de deken van de Orde van Advocaten in het

arrondissement Amsterdam

de deken

en

klager

1 HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 23 juli 2012, onder nummer 12-098A en 12 099A, gepubliceerd op tuchtrecht.nl als LJN YA3043, aan partijen toegezonden op 23 juli 2012, waarbij een klacht van klager tegen verweerder ongegrond is verklaard, het dekenbezwaar tegen verweerder gegrond is verklaard en de maatregel van berisping is opgelegd.

2 HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1 De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 22 augustus 2012 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- de brief van klager bestemd voor de deken ter griffie van het hof ingekomen op 24 augustus 2012;

- de brief van de griffier van het hof aan klager van 27 augustus 2012;

- de e-mail namens de deken aan klager van 3 september 2012;

- de e-mail van de griffier van het hof aan klager van 11 september 2012;

- brief van de griffier van het hof aan klager van 4 december 2012;

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 25 maart 2013, waar klager, de deken en verweerder zijn verschenen. Verweerder heeft gepleit aan de hand van de punten 16 tot en met 21 van de door hem overgelegde pleitnota.

3 KLACHT EN HET DEKENBEZWAAR

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder in strijd met artikel 46 Advocatenwet, niet heeft gereageerd op verzoeken van klager om het betaalde voorschot terug te betalen, nu verweerder namens klager geen procedure heeft hoeven voeren.

Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder, in strijd met artikel 46 Advocatenwet, niet heeft gereageerd op herhaalde verzoeken van de deken om een reactie op de klacht van klaagster en daardoor het tuchtrechtelijk onderzoek ernstig heeft gefrustreerd.

4 FEITEN

Het volgende is voor zover van belang voor de beoordeling in hoger beroep komen vast te staan:

De deken heeft verweerder bij brieven van 6 februari 2012, 29 februari 2012, onder verwijzing naar gedragsregel 37, en 15 maart 2012 verzocht op de klacht van klager te reageren. In de brief van 15 maart 2012 heeft de deken verweerder een dekenbezwaar aangezegd. Verweerder heeft op geen van de brieven gereageerd.

5 BEOORDELING

5.1 Het hoger beroep van verweerder richt zich niet tegen de ongegrondverklaring door de raad van de klacht van klager.

5.2 Verweerder heeft de feitelijkheden die aan de gegrondverklaring van het dekenbezwaar ten grondslag liggen erkend en alleen op formele gronden beroep tegen de beslissing van de raad ingesteld.

5.3 Wat betreft de eerste grief, die is gericht tegen het ontbreken van een deel van de motivering in de beslissing van de raad (de eerste woorden van rov. 4.2 bovenaan pagina vier; de publicatie op tuchtrecht.nl vermeldt deze woorden wel), wijst het hof erop dat het ook voor verweerder kenbaar moet zijn geweest dat slechts de constatering door de raad dat verweerder niet heeft gereageerd op brieven van de deken naar aanleiding van de klacht van klager is weggevallen. De motivering van de raad ten aanzien van de gegrondverklaring van het dekenbezwaar is ondanks de ontbrekende passage voldoende duidelijk en kan de beslissing dragen, zodat deze grief faalt.

5.4 Ten aanzien van de tweede grief, inhoudende dat de raad ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van verweerder om uitstel van de mondelinge behandeling, heeft verweerder ter zitting van het hof verklaard dat met deze grief slechts beoogd wordt te bepleiten dat het hof met dit gegeven rekening houdt bij het eventueel bepalen van de op te leggen maatregel. Het hof ziet daartoe geen aanleiding, temeer nu verweerder in de procedure bij het hof voluit in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten naar voren te brengen. De op te leggen maatregel vormt bovendien een reactie op hetgeen verweerder verweten wordt en gegrond wordt bevonden. Het feit dat verweerder geen uitstel is verleend en niet is verschenen op ter zitting in eerste aanleg speelt daarbij geen rol.

5.5 Ter zitting van het hof heeft verweerder nog gesteld dat het internationaal verdragsrecht, waaronder artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede het algemeen rechtsbeginsel van verdediging, zich ertegen verzetten dat een advocaat verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Verweerder begrijpt daaronder het verstrekken van informatie aan de deken en de dreiging met een tuchtrechtelijke vervolging of veroordeling indien niet zou worden meegewerkt.

Ingevolge artikel 56 lid 3 van de Advocatenwet wordt hoger beroep tegen een beslissing van de raad van discipline ingesteld bij met redenen omklede memorie. Dit betekent dat een appellant alle grieven die hij tegen (de motivering van) de beslissing van de raad wil aanvoeren binnen de beroepstermijn ter kennis van het hof moet brengen en dat het hof van nadien aangevoerde grieven, en dus ook de onderhavige, geen kennis zal kunnen nemen.

Overigens, Gedragsregel 37, die naar het oordeel van het hof niet zonder meer in strijd is met genoemde verdragrechtelijke bepalingen, houdt in dat de advocaat “tegen wie een onderzoek is ingesteld” verplicht is “alle gevraagde inlichtingen aanstonds te verstrekken”. Alleen onder bijzondere omstandigheden zou wellicht een beroep op zwijgrecht gehonoreerd kunnen worden. Bijzondere omstandigheden zijn evenwel gesteld noch gebleken.

5.6 Het hof acht de door de raad opgelegde maatregel passend en geboden, en is van oordeel dat niet met een enkele waarschuwing kan worden volstaan. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder de vervulling van de bij de wet opgedragen taak onnodig heeft verzwaard. Het vorenstaande leidt ertoe dat de beslissing van de raad, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, dient te worden bekrachtigd. De derde grief, die zich keert tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel en de motivering daarvan, faalt derhalve.

 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 juli 2012, gewezen onder nummers 12-098A en 12-099A.

Aldus gewezen door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mrs. A. Beker, J.H.J.M. Mertens-Steeghs, P.T. Gründemann en G.J.L.F. Schakenraad, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Muller, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2013.