Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-10-2017

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2017:183

Zaaknummer

160102

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. Verweerder heeft het onderzoek dat de deken wilde instellen naar mogelijke belediging van leden van het gerechtshof door verweerder gefrustreerd door te weigeren om stukken daarover naar de deken te sturen. Gegrond. Het bezwaar dat verweerder geen toegang heeft willen geven tot zijn kantoorruimte, is - anders dan de raad oordeelde - ongegrond. Verweerder heeft kantoor aan huis. De Advocatenwet en Algemene Wet Bestuursrecht geven de in artikel 12 lid 1 Grondwet vereiste wettelijke grondslag voor het binnentreden van een woning niet. Het past een behoorlijk advocaat echter niet om zich aan het toezicht door de deken op zijn praktijkuitoefening te onttrekken door zich op het huisrecht te beroepen. De deken heeft bijgedragen aan een onnodige escalatie. Daarom is dit onderdeel ongegrond. Verweerder zich onnodig grievend uitgelaten over de deken en leden van de rechterlijke macht, zodat dit onderdeel van het bezwaar gegrond is. Schrapping. Kostenveroordeling.

Uitspraak

Beslissing

van 9 oktober 2017

in de zaak 160102

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

deken

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) van 21 maart 2016, gewezen onder nummer R.4815/15.125 aan partijen toegezonden op 22 maart 2016, waarbij de klachtonderdelen gegrond zijn verklaard. Verweerder is de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van de beslissing, met de veroordeling van verweerder tot betaling van de kosten van de behandeling van de zaak van € 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten. Voorts verwijst het hof naar de (herstel)beslissing van de raad van 6 april 2016, waarbij is bepaald op welke wijze rechtsoverweging 6.1 van de beslissing van 21 maart 2016 moet worden gelezen.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSGR:2016:55 respectievelijk ECLI:NL:TADRSGR:2016:63.  

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van deze beslissingen in hoger beroep is gekomen, is op 20 april 2016 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de brief van verweerder aan het hof van 13 oktober 2016;

-    de brief van de gemachtigde van verweerder van 25 oktober 2016;

-    de brief van verweerder aan het hof van 25 oktober 2016;

-    de antwoordmemorie van de deken gedateerd 27 oktober 2016;

-    de brief van verweerder aan het hof van 1 november 2016 met als bijlagen de op 28 oktober 2016 aan het hof door het Comité Eerherstel [naam verweerder] overgelegde stukken;

-    de brief van verweerder van 3 november 2016;

-    proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het hof op 18 november 2016;

-    de brief van de gemachtigde van verweerder, mr. J, aan het hof van 6 december 2016;

-    de beslissing van het hof van 10 april 2017 naar aanleiding van het wrakingsverzoek van verweerder, gewezen onder nummer 160102-W;

-    de brief van verweerder aan het hof van 3 mei 2017;

-    de brief van de gemachtigde van verweerder aan het hof van 4 mei 2017;

-    de brief van de gemachtigde van verweerder aan het hof van 17 mei 2017;

-    de brief van de deken aan het hof van 17 mei 2017;

-    de brief van verweerder aan het hof van 23 mei 2017;

-    de brief van de deken aan het hof van 23 mei 2017;

-    de brief van verweerder aan het hof van 2 juni 2017;

-    de brief van de gemachtigde van verweerder aan het hof van 6 juni 2017;

-    de brief van de deken aan het hof van 7 juni 2017;

-    de brief van verweerder aan het hof van 8 juni 2017.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 18 november 2016, waar verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de deken, vergezeld van de stafjurist mr. H, zijn verschenen. Ter zitting heeft verweerder de voorzitter en de leden van de behandelend kamer gewraakt.

2.4    De wrakingskamer van het hof heeft het wrakingsverzoek van verweerder bij uitspraak van 10 april 2017 afgewezen en daarbij bepaald dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl ECLI:NL:TAHVD:2017:63.  

2.5    Het hof heeft de mondelinge behandeling van de zaak ter openbare zitting van 19 juni 2017 voortgezet, waar verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de deken zijn verschenen.

2.6    Op die zitting heeft verweerder aan de hand van een pleitnota zijn beroep toegelicht. Daarnaast is verweerder in de gelegenheid gesteld een tweede en derde pleitnotitie met de kopjes “Verzoek tot precisering klacht en motivering” en “Recht op een public hearing” voor te dragen en over te leggen. Deze drie stukken zijn gehecht aan het proces-verbaal dat van deze zitting is opgemaakt.

2.7    Ter zitting heeft verweerder het hof gevraagd om gelijk te beslissen op zijn verzoek om de deken zijn klacht te laten preciseren en onderbouwen. Omdat het hof daartoe niet aanstonds bereid was, heeft verweerder de voorzitter en de leden van de behandelend kamer opnieuw gewraakt. Het hof heeft dit tweede wrakingsverzoek onder verwijzing naar de onder 2.4 genoemde uitspraak van de wrakingskamer van 10 april 2017 niet in behandeling genomen.

2.8    Het hof heeft daarna geen overlegging van nadere pleitnotities meer toegestaan, omdat de behandeling zich op dat moment al in de fase van repliek en dupliek bevond, waartegen verweerder bezwaar heeft gemaakt.

2.9    Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde verzocht in het kader van de inhoudelijke behandeling van het beroep de argumenten genoemd in zijn pleitnota ter zake de preliminaire verweren hier als herhaald en ingelast te beschouwen, aan welk verzoek het hof gehoor heeft gegeven.

2.10    Ten slotte heeft het hof bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerder het de deken onmogelijk heeft gemaakt om het door de deken gewenste onderzoek naar zijn mogelijke belediging van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uit te voeren door te weigeren daartoe stukken aan de deken te sturen. Verweerder heeft de deken voorts geen toegang gegeven tot zijn kantoorruimte om de deken in de gelegenheid te stellen te controleren of verweerder de voorwaarden van de aan hem opgelegde schorsing in de praktijkuitoefening naleefde.

b)    verweerder in zijn brieven aan de deken van 11 februari, 3 juni en 16 juni 2015 alsmede in een open brief aan het hof van discipline van maart 2015 bewoordingen heeft gebruikt die onnodig grievend zijn. Verweerder heeft door zijn uitlatingen wederom het vertrouwen in het beroep van advocaat en diens beroepsuitoefening geschaad.

4    FEITEN

Het volgende is komen vast te staan:

4.1    Aan verweerder is bij uitspraak van 19 januari 2015 van het hof (zaaknummer 7255) de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk opgelegd voor de duur van vier weken, ingaande 1 februari 2015. De deken heeft verweerder bij brief van 22 januari 2015 in kennis gesteld van wat tijdens de schorsing al dan niet is geoorloofd en meegedeeld welke verplichtingen tijdens de schorsing gelden, en heeft verweerder er daarbij op gewezen dat hij tijdig de nodige maatregelen moet treffen ter waarneming van zijn praktijk gedurende de schorsingsperiode. Voorts heeft de deken in deze brief aan verweerder meegedeeld de gevolgen van de schorsing met hem te willen bespreken en hem om verhinderdata gevraagd in verband met een voorgenomen kantoorbezoek.

4.2    Bij brief van 4 februari 2015 heeft de deken verweerder naar aanleiding van een met hem op 3 februari 2015 gevoerd telefoongesprek het volgende bevestigd:

“1. U heeft mij laten weten dat ik niet welkom ben op uw kantoor, dat u aan huis houdt, noch teneinde te controleren of u voldoet aan de voorwaarden zoals die gelden tijdens een schorsingsperiode. Naar uw mening heb ik u in uw eer en goede naam aangetast door u te betichten van “vloeken en tieren”. Een ander lid van de Raad van Orde zou wel welkom zijn maar aangezien een bezoek volgens u niet nodig is ziet u daar van af.                                      2. U liet mij weten dat u aan alle voorwaarden voldoet, dat u in de maand februari geen zittingen heeft die moeten worden waargenomen en dat uw cliënten op de hoogte zijn van uw schorsing.                                 3. U heeft mij voorts laten weten dat u geen waarnemer heeft en deze ook niet nodig heeft aangezien u een zeer specifieke praktijk heeft en er geen termijnen lopen. ”.

In deze brief heeft de deken voorts aan verweerder geschreven dat verweerder in strijd handelde met de voor hem geldende bepalingen en dat verweerder de deken toegang diende te verschaffen tot zijn kantoor om te beoordelen of hij zich aan de tijdens schorsing gestelde voorwaarden en eisen houdt. Tevens werd verweerder in deze brief meegedeeld dat hij diende te voorzien in een vervangingsregeling, als bedoeld in artikel 7.4 lid 2c Voda. Tot slot verzocht de deken verweerder om binnen een week schriftelijk te laten weten dat verweerder hem toegang zou verschaffen tot zijn kantoor, waarbij de deken meedeelde zich genoodzaakt te voelen een dekenbezwaar in te dienen indien hij geen, dan wel een negatieve reactie zou ontvangen.

4.3    Bij brief van 11 februari 2015 aan de deken heeft verweerder gereageerd op de onder 4.2 genoemde brief van de deken. Wat betreft de weergave van het telefoongesprek heeft verweerder opgemerkt dat de deken ten onrechte stelt dat verweerder heeft afgezien van een gesprek daarover met een ander lid. Volgens verweerder heeft hij niet meer heeft gezegd dan dat er aan zijn zijde geen enkele behoefte is aan een dergelijk gesprek. Het zou verweerder volkomen duidelijk zijn dat hij zich gedurende de schorsingsperiode moet onthouden van enige activiteit als advocaat en verweerder laat weten aan die voorwaarden getrouwelijk te voldoen.

Ten aanzien van de eis met betrekking tot de vervanging tijdens de schorsingsperiode laat verweerder weten dat hij zich niet laat vervangen door een andere advocaat omdat er volgens verweerder gedurende de maand februari geen zaken aan de orde zijn waarin verweerder als zodanig zou moeten optreden.

Verder heeft verweerder in de brief uiteengezet waarom hij de deken niet op zijn in zijn woning ingerichte kantoor wenst te ontvangen. Tevens schreef verweerder dat de deken niet bevoegd is de woning van een advocaat binnen te treden tegen diens wil en dat de eis om de deken op zijn kantoor te ontvangen daarmee evident onwettig was. Voorts wees verweerder de deken erop dat een kantoorbezoek ook niet noodzakelijk was omdat een gesprek over de voorwaarden en eisen die tijdens een schorsing gelden overal kan plaatsvinden. Wel gaf verweerder aan bereid te zijn een ander lid van de raad van de orde op zijn kantoor te ontvangen, maar dat lid zou zich dan voorafgaand aan het kantoorbezoek in een schriftelijke verklaring moeten verenigen met een achttal uitspraken van verweerder, welke uitspraken betrekking hebben op het zogenoemde Kernwapenarrest van de Hoge Raad van 21 december 2001, alsmede op een beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2013 en de eerdergenoemde uitspraak van het hof van 19 januari 2015.

4.4    In zijn brief van 11 februari 2015 aan de deken komen op p. 3, 6/7, 8, 9 onder meer de volgende passages voor:

“Maar het blijft overigens voor mij de vraag hoe het toezicht door een corrupte deken kan bijdragen aan het goede functioneren van advocaten die, in tegenstelling tot die toezichthouder, wél opkomen voor de waarheid, de handhaving van onze rechtsorde, de redelijkheid en rechtvaardigheid, van advocaten die dus niet alleen met de mond het belang van een goede rechtsorde belijden, maar ook metterdaad uitdrukking geven aan dat belang en de kernwaarden die in het nieuwe art. 10a Advocatenwet zijn neergelegd.”

en

“Het “oordeel” van het hof is zodoende op niets anders gebaseerd dan ongebreidelde vooringenomenheid. (…) Hoezeer het hof van discipline vooringenomen was, blijkt uit het gegeven dat (…) Dat het hof van discipline in zijn uitspraak van 19 januari jongstleden heeft gekozen voor welbewust bedrog”

en

“Het evidente bedrog van het hof van discipline in zijn beslissing van 19 januari jongstleden geeft aan het dat het, hoe dan ook, iedere kritiek op evident rechterlijk disfunctioneren wenst te onderdrukken.”

alsmede

“En bedrog dat gekleed gaat in de mantel van een rechterlijke uitspraak heeft vanwege het gegeven dat een rechtelijke uitspraak doorgaans wordt geassocieerd met eerlijkheid en rechtmatigheid, veel ingrijpender gevolgen en is dus veel erger dan bedrog dat wordt gepleegd door anderen dan met rechtspraak belaste functionarissen.”

4.5    Volgens een nieuwsbericht van 12 mei 2015 van Omroep Brabant heeft verweerder strafrechtelijke aangifte tegen zichzelf gedaan nadat hem tijdens de verdediging van twee anti-kernwapenactivisten voor het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het woord was ontnomen, nadat hij het gerechtshof tijdens die verdediging had beledigd. Met de aangifte tegen zichzelf hoopte verweerder, aldus het nieuwsbericht, af te dwingen dat er een zaak tegen hem zou worden begonnen die tot een vrijspraak zou leiden. Volgens het nieuwsbericht had verweerder in zijn pleidooi onder andere aangevoerd dat het gerechtshof “willens en wetens heeft gekozen voor misleiding”.

4.6    De deken heeft naar aanleiding van dit bericht op 22 mei 2015 de aangifte en de betreffende pleitnotities bij verweerder doen opvragen. Na diens weigering om aan dat verzoek gehoor te geven - met als reden dat de aangifte een zaak is tussen verweerder en het openbaar ministerie en voor verweerder niet duidelijk was of dit verzoek namens de deken is gedaan - is een herhaald verzoek uitgegaan op 27 mei 2015 met daarbij mandaatbesluit gedateerd 12 december 2014. Op dat verzoek heeft verweerder bij brief van 3 juni 2015 aan de adjunct-secretaris van de raad van de orde gereageerd, waarbij hij een “open brief” aan het hof van discipline voegde die was geplaatst in het blad Procesnieuws – Tribunaal voor de Vrede.

4.7    In de brief van 3 juni 2015 aan de adjunct-secretaris van de raad van de orde verzoekt verweerder om door de deken niet als “geachte confrère” aangesproken te worden en schrijft hij op p. 1, 2 en 5, onder meer het volgende:

“Er is geen enkele confraternaliteit tussen de deken en mij, gezien diens gemis aan juridische, intellectuele en morele integriteit. Ik wens mij geenszins te encanailleren met de meest verwerpelijke soort advocaten, waarvan de deken het prototype schijnt te zijn. Iedere suggestie dat er sprake zou zijn van enige gelijkgestemdheid tussen de deken en mij, acht ik beledigend.”

en

“(…) maar in zijn stupide arrogantie van de macht houdt hij vast aan een evident met de Grondwet strijdige handelwijze.”

en

“Het totale gemis aan juridische, intellectuele en morele integriteit dat blijkt uit de beslissing vormde voor mij aanleiding om mij in een open brief tot het hof van discipline te richten. (…) Ten slotte merk ik op, dat ik grote waarde hecht aan de vrijheid van meningsuiting. Mensen hebben hun leven gegeven voor die vrijheid. Ik ben dan ook niet van plan te zwichten voor het bedrog en de machtsmisbruik van tuchtrechtelijke colleges die willens en wetens de Grondwet schenden. Voor colleges die zich veeleer als sektarisch genootschap gedragen, dat iedere afwijking van zijn sacrosancte dogma’s zonder enige intellectuele reflectie afwijst, in plaats van te handelen als een rechtscollege dat zijn oordeel door middel van een logisch geldende redenering verbindt met de feiten, de wet en de rechtsbeginselen. Evenmin ben ik van plan te zwichten voor het stupide machtsmisbruik van een in juridische, intellectuele en morele zin door en door corrupte deken.”

4.8    In de ‘open brief’ aan het hof van discipline schrijft verweerder op p. 2 en 3 onder meer:

“Uw kwalificatie dat het zou gaan om een “drieste” aanklacht getuigt dan ook slechts van een ongebreideld vooroordeel, van een blinde verdediging van wat juridisch, intellectueel en moreel niet de verdedigen valt. Getuigt van een welbewuste keuze voor onwettigheid en voor een barbaarse immoraliteit, waarin de nucleaire vernietiging van steden niet onvoorwaardelijk wordt afgewezen, en zodoende de waarde en waardigheid van ieder mens wordt ontkend.”

en

“In het bestek van een open brief is het onmogelijk om in te gaan op al uw misleidende weergaven van standpunten die ik verdedigd heb.”

alsmede

“Ook heeft u maling aan de Grondwet. Weliswaar heeft u de eed of de belofte afgelegd dat u zich zult houden aan de Grondwet, maar in de praktijk trekt u zich daar dus niets van aan.”

4.9    Met een fax van 15 juni 2015 heeft de deken verweerder laten weten dat hij de brief van verweerder niet alleen beledigend, maar ook onnodig grievend acht en dat verweerder tevens gedragsregels 37 schendt door de eerder verzochte informatie niet te verschaffen en hem niet in zijn kantoor te ontvangen. De deken kondigde op deze gronden een dekenbezwaar aan.

4.10    Daarop heeft verweerder met een brief van 16 juni 2015 een sommatie aan de deken gestuurd om iedere poging achterwege te laten om, onder het valse voorwendsel dat de deken gebruikt maakt van diens bevoegdheden ingevolge de Advocatenwet, inbreuk te maken op de vrijheid van meningsuiting en verweerder ter zake verplichtingen op te leggen. In deze brief verwijt verweerder de deken misbruik van diens gezag als bestuursorgaan. Verder kondigt verweerder de deken aan hem en de Haags orde van advocaten in rechte te zullen betrekken alsmede aangifte tegen de deken te doen op grond van schending van artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht indien de deken niet aan de sommatie zal voldoen. In de dekenklacht is uit die brief de volgende passage geciteerd: “Tegelijkertijd doet u een poging om mij, onder misbruik van uw gezag als bestuursorgaan te dwingen te dulden dat inbreuk op mijn grondrechten wordt gemaakt en mij ter zake verplichtingen op te leggen, waarmee u zich schuldig maakt aan het misdrijf van art. 365 Wetboek van Strafrecht.”

4.11    Bij brief van 26 juni 2015 heeft de deken een dekenbezwaar tegen verweerder ingediend.

5    DE BESLISSING VAN DE RAAD EN DE BEOORDELING VAN HET BEROEP

m.b.t. de preliminaire verweren/verzoeken

5.1    In zijn beroepschrift heeft verweerder ten eerste aangevoerd dat de bestreden uitspraak van de raad is gegeven door een ter zake onbevoegde raad, zodat die beslissing nietig is. In dat verband heeft hij aangevoerd dat de beslissing van de wrakingskamer van de raad van 12 oktober 2015 nietig was op grond van een “onmiskenbaar en onloochenbaar met de wet strijdige argumentatie”. Op de wrakingsverzoeken van verweerder van 16 september 2015 en 22 september 2015 zou geen rechtsgeldige beslissing zijn genomen, waardoor de bestreden beslissing van de raad onbevoegdelijk zou zijn genomen. Uitgaande van een behandeling van een dekenbezwaar in twee instanties, zou de zaak dan ook behoren te worden terugverwezen naar de raad. Gelet op de “gebleken oneerlijkheid en vooringenomenheid” van de Haagse raad zou terugverwijzen naar een andere raad volgens verweerder voor de hand liggen.

5.2    Het hof zal niet ingaan op het verzoek van verweerder het dekenbezwaar naar een andere raad te verwijzen wegens vermeende nietigheid van de beslissing van de wrakingskamer van de raad. De appelprocedure is bij uitstek bedoeld om eventuele onvolkomenheden in de beslissing in eerste aanleg aan de orde te stellen. Dat geldt ook in het geval een kamer van de raad blijk zou hebben gegeven van de door verweerder verweten gedragingen. In de door verweerder bepleite verwijzingsprocedure voorziet de wet niet. Voor zover verweerder meent dat hem hiermee een volledige rechtsgang in twee instanties is ontnomen, is die opvatting onjuist. Het is immers het kenmerk van een rechtsgang in twee instanties dat de instantie die in hoger beroep oordeelt eventuele onvolkomenheden in eerste aanleg kan verhelpen. Dat is niet anders wanneer die onvolkomenheden betrekking hebben op de rechtsgang in eerste aanleg zoals door verweerder is betoogd (verg. HvD 19 december 2011, 5930).

5.3    Verder heeft verweerder zich in zijn beroepschrift beroepen op de onbevoegdheid van de raad om te oordelen over meningsuitingen als zodanig. Verweerder heeft in dat verband, evenals in eerder tegen hem gevoerde tuchtrechtelijke procedures, aangevoerd dat de zinsnede in art. 7 Grondwet “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” inhoudt dat alleen de formele wetgever, zonder delegatiebevoegdheid naar een lager orgaan, bevoegd is de uitoefening van het grondrecht aan beperkingen te onderwerpen.

5.4    Ook dit standpunt verwerpt het hof. Van schending van een delegatieverbod is geen sprake, omdat de betamelijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet geen delegatie aan een lager orgaan inhoudt. Noch de deken als toezichthouder, noch de tuchtrechter zijn een lager orgaan. Geen van beiden stellen immers algemene regels die voorschrijven wat een behoorlijk advocaat betaamt.

De bevoegdheid van de deken om de uitlatingen ter toetsing aan de tuchtrechter voor te leggen is neergelegd in artikel 45a in samenhang met artikel 46c en artikel 46f Advocatenwet. Over de bevoegdheidsvraag heeft verweerder overigens zelf tevergeefs in drie instanties een civiele procedure gevoerd.

Doorslaggevend is dat de deken zelf geen maatregelen heeft genomen om de vrijheid van meningsuiting te beperken maar enkel zijn bezwaren aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Eerst in het kader van die beoordeling door de tuchtrechter kan worden vastgesteld of voor verweerder niet kenbaar en ook voorzienbaar was dat de norm van artikel 46 Advocatenwet op zijn gedraging (meningsuiting) zou worden toegepast.

5.5    Vervolgens heeft verweerder in zijn beroepschrift betoogd dat de deken in zijn bezwaar inzake het niet toelaten tot het kantoor niet ontvangen had moeten worden vanwege het huisrecht van verweerder. Verweerder beklaagt zich erover dat de raad dit preliminaire verweer impliciet en niet beargumenteerd heeft verworpen.

5.6    Deze redenering kan het hof in het kader van de ontvankelijkheidsvraag niet plaatsen, reeds om de enkele reden dat niet is gesteld of gebleken dat deken het huisrecht van verweerder heeft geschonden door zonder toestemming van verweerder zijn woning te betreden.

5.7    Tot slot heeft verweerder in zijn beroepschrift aangevoerd dat de beslissing van de raad dient te worden vernietigd, dat de deken in zijn bezwaar niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard wegens overschrijding door de deken van zijn bevoegdheden en – wat betreft de vrijheid van meningsuiting – wegens détournement de pouvoir en dat het verzet van verweerder tegen de ongrondwettige aantasting van zijn vrijheid van meningsuiting en zijn huisrecht geen enkele grond biedt voor een tuchtrechtelijke maatregel. Verweerder stelt dat de deken in de uitoefening van zijn toezicht zijn wettelijke bevoegdheid zou hebben overschreden of daarvan oneigenlijk gebruik zou hebben gemaakt, welke stelling verweerder heeft onderbouwd met een betoog over zijn recht op vrijheid van meningsuiting en zijn huisrecht.

5.8    Het hof overweegt hieromtrent dat artikel 45a Advocatenwet de deken belast met het toezicht op de naleving door advocaten van het bij de Advocatenwet bepaalde, met inbegrip van het toezicht op enig handelen of nalaten dat een advocaat niet betaamt. De vrijheid van meningsuiting is, zoals hierna bij de inhoudelijke beoordeling van de klacht zal worden toegelicht, niet absoluut en verweerder kan derhalve niet worden gevolgd in zijn redenering dat de deken geen toezichthoudende bevoegdheden toekomen in zoverre daardoor enige inperking op die vrijheid zou kunnen plaatsvinden.

5.9    Verweerder heeft later in de procedure het hof verzocht om de deken zijn klacht nader te laten preciseren. Verweerder heeft in dat verband aangevoerd dat de klachten onvoldoende duidelijk zijn, dat de deken zorgvuldig had moeten ingaan op de door verweerder gemotiveerd betwiste bevoegdheid van de deken en dat de deken de gewraakte uitlatingen met inachtneming van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens had moeten onderzoeken, waarbij de deken een onderscheid had moet maken tussen feitelijke oordelen en waardeoordelen.

5.10    Omtrent dit verzoek overweegt het hof dat de klacht door de deken voldoende duidelijk en kenbaar is verwoord. De deken heeft de door hem genoemde “dieptepunten”, waarop hij zijn klacht baseert, in zijn klachtbrief geciteerd en daarbij de (open) brieven overgelegd waarin deze uitingen zijn gedaan, zodat ook de context waarin die uitlatingen zijn gedaan helder zijn. Bij de beoordeling van de klacht voor zover betrekking hebbend op (mogelijke) beledigingen en onnodig grievend woordgebruik zal het hof uitsluitend de door de deken aangehaalde citaten en de context waarin de uitlatingen zijn gedaan betrekken. Er bestaat dan ook geen aanleiding de deken om nadere verduidelijking te vragen. Voor door de deken te verrichten nader onderzoek bestaat evenmin aanleiding omdat de door verweerder opgeworpen stellingen en het weerwoord van de deken al vele malen in verschillende bewoordingen in diverse - gepubliceerde - procedures breed uitgemeten zijn. Dat de deken het niet eens is met het betoog van verweerder is geen reden de deken nader onderzoek op te dragen.

5.11    Verweerder heeft ter zitting de stelling opgeworpen dat de deken in zijn klacht niet-ontvankelijk is of de klacht ongegrond dient te worden verklaard wegens schending van artikel 6 EVRM omdat het systeem van toedeling van zaken niet in de wet is omschreven en het hof regels op grond waarvan de zaak is toebedeeld niet behoorlijk kenbaar heeft gemaakt. Daarnaast is mr. Van Emden vervangen door mr. Gründemann, die op het laatste moment weer is vervangen door mr. Weerkamp, terwijl de mrs. Van Emden en Gründemann geen verschoningsverzoek hebben ingediend.

5.12    Ook deze stelling verwerpt het hof. Het hof heeft toegelicht dat mr. Van Emden, die deel uitmaakte van de combinatie die de zaak op 18 november 2016 heeft behandeld, verhinderd was om deel te nemen aan de voortgezette mondelinge behandeling op 19 juni 2017. Zij heeft geen formeel verschoningsverzoek ingediend en behoefde dat ook niet te doen. In haar plaats zou mr. Gründemann treden, doch deze heeft, na kennisneming van de brief van 8 juni 2017 van verweerder aan het hof, het raadzaam gevonden zich terug te trekken toen daaruit bleek dat verweerder onder meer tegen hem aangifte had gedaan van een strafbaar feit. Ook mr. Gründemann heeft geen formeel verschoningsverzoek ingediend en was daartoe evenmin gehouden. Mr. Weerkamp is in zijn plaats getreden en partijen zijn daarvan op voorhand in kennis gesteld. Artikel 6 EVRM houdt in dat een ieder recht heeft op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Uit de jurisprudentie, ook van het EHRM, is bekend dat als uitgangspunt heeft te gelden dat iedere rechter uit hoofde van zijn aanstelling geacht mag worden onpartijdig te zijn. Rechtsmiddelen als wraking en verschoning bieden (doorgaans) een oplossing bij twijfel of in grensgevallen. Dat verweerder het middel van wraking, gelet op de uitspraak van de wrakingskamer wegens eerdere vruchteloze wrakingsverzoeken niet meer toekomt, is een aan hem toe te rekenen omstandigheid.

Een rechter die meent dat hij niet vrij staat tegenover (een van de partijen in) een hem toegedeelde zaak, kan zich ook informeel verschonen en terugtrekken en daarvan heeft mr. Gründemann op goede gronden gebruik gemaakt.

Een verdeling van zaken gebaseerd op beschikbaarheid van leden en de mogelijkheid voor een beschikbaar lid zich terug te trekken wanneer het betreffende lid zich niet vrij voelt de zaak te behandelen, is voldoende duidelijk en objectief en blijft als zodanig binnen de grenzen die artikel 6 EVRM aan een behoorlijk proces stelt. Bij dit alles betrekt het hof dat verweerder geen enkel bezwaar tegen mr. Weerkamp naar voren heeft gebracht dat aanleiding zou kunnen geven tot een vrees dat verweerder een eerlijk proces is onthouden.

De verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 12 januari 2016 zaaknummer 57774/13 (Miracle Europe KFT/Hongarije) waarin sprake was van toedeling van de zaak van klaagster aan een ander gerecht dan de oorspronkelijk competente rechter, alsmede de overige verwijzingen geven geen aanleiding tot een andere afweging.

de inhoudelijke beoordeling

m.b.t. klachtonderdeel a

5.13    Als grief tegen de bestreden beslissing voert verweerder aan dat de deken geen recht heeft zijn huis waar hij ook kantoor houdt zonder zijn toestemming binnen te treden. De deken heeft hiertegen aangevoerd dat verweerder door als kantooradres een huisadres te hebben opgegeven in strijd handelt met artikel 12 lid 1 en 2 en artikel 8 lid 1 sub d Advocatenwet. Een advocaat is verplicht kantoor te houden. Volgens de deken is het “van tweeën één”: of verweerder houdt kantoor, in welk geval hij de deken tot deze kantoorruimte moet toelaten, of hij houdt geen kantoor in welk geval hij op grond van artikel 12 lid 5 Advocatenwet volgens de daarin beschreven procedure van het tableau moet worden geschrapt. Voorts heeft de deken aangevoerd dat binnen het dekenberaad is afgesproken dat een deken altijd een kantoorbezoek brengt bij het ingaan van een schorsing.

5.14    Dat verweerder zijn toestemming heeft onthouden aan het bezoek door de deken van het in zijn woning gevestigde kantoor staat vast. Het hof volgt de deken niet in zijn benadering, die erop neerkomt dat een woning niet tevens een kantoor kan bevatten. In de huidige tijd is het combineren van werken en wonen in één pand zeker niet ongebruikelijk. Niet betwist is dat verweerder tevens woonachtig is op zijn aan de Nederlands orde van advocaten opgegeven kantooradres. Op grond van artikel 12 lid 1 Grondwet is het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens een bijzondere wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen. Uitgangspunt is namelijk dat de bevoegdheid tot het binnentreden van een woning in het kader van toezicht slechts in uitzon¬deringsge¬vallen dient te bestaan (Kamerstukken II 1991/92, 22 539, nr. 3, blz. 3/4). De Advocatenwet en de Algemene wet bestuursrecht bieden geen specifieke grondslag voor een dergelijk handhavend optreden. Daar staat tegenover dat het een behoorlijk advocaat niet betaamt om zich aan het toezicht door de deken op zijn praktijkuitoefening te onttrekken door zich op het huisrecht te beroepen. Een advocaat die de praktijk in zijn woning uitoefent is immers evenzeer aan het dekentoezicht onderworpen als een advocaat die elders kantoor houdt. In dit geval heeft de deken aangekondigd een kantoorbezoek te willen afleggen in het kader van de uitvoering van zijn toezichthoudende taak. De deken heeft, nadat verweerder zich in een telefoongesprek op 3 februari 2015 kennelijk op zijn huisrecht beriep, in de brief van 4 februari 2015 vrijwel gelijk gedreigd met een dekenklacht in het geval verweerder de deken niet binnen een week schriftelijk zou laten weten dat hem de deken toegang zou verschaffen tot het kantoor. Aldus heeft hij bijgedragen aan een onnodige escalatie. Denkbaar was geweest dat de deken alvorens te dreigen met een dekenklacht eerst nader aan verweerder had toegelicht waarom hij een kantoorbezoek uit hoofde van zijn toezichthoudende taak nodig vond. Vervolgens had het dan op de weg van verweerder gelegen de deken een voorstel te doen dat ertoe leidt dat de deken onverkort zijn toezichthoudende taak zou kunnen uitvoeren. Dat deze weg niet is bewandeld is in eerste instantie te wijten aan de opstelling van de deken. Deze grief tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel a door de raad, waar het gaat om de weigering van verweerder de deken toegang te verlenen tot de in zijn woning gelegen kantoorruimte is daarom terecht voorgedragen.

5.15    Klachtonderdeel a ziet verder op het verwijt dat verweerder het de deken onmogelijk heeft gemaakt om het door hem gewenste onderzoek naar mogelijke belediging door verweerder van leden van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uit te voeren door te weigeren daartoe stukken aan de deken te sturen. De stelling dat het verweerder niet duidelijk was of dit verzoek van de deken afkomstig was, is vanaf de ontvangst van de brief van 27 mei 2015 (waarbij een mandaatbesluit is gevoegd) vanaf de ontvangst van die brief door verweerder niet langer houdbaar.

Verweerder betwist niet dat hij de deken de gevraagde stukken heeft onthouden. Daarmee heeft hij het beoogde onderzoek inderdaad gefrustreerd. Omdat de kwestie waarover het onderzoek zich zou uitstrekken belediging van rechterlijke autoriteiten kon betreffen, kon de deken hieromtrent met recht en reden bij verweerder opheldering vragen, temeer daar verweerder voor een vergelijkbaar vergrijp al eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Het is in een dergelijk geval onbetamelijk als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet om bij een tuchtrechtelijk onderzoek of een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek of een aan de deken opgedragen controle verband houdt te weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken (vergelijk gedragsregel 37).

5.16    In zoverre is de grief tegen het klachtonderdeel a tevergeefs voorgedragen. Het hof neemt het oordeel van de raad over waar het gaat om het verwijt dat verweerder door te weigeren daartoe stukken aan de deken te sturen het de deken onmogelijk heeft gemaakt om het door hem gewenste onderzoek naar mogelijke belediging door verweerder van leden van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uit te voeren.

m.b.t. klachtonderdeel b

5.17    In zijn beroepschrift alsook tijdens de mondelinge behandeling op 19 juni 2017 heeft verweerder opnieuw betoogd dat de norm dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt een open norm is en dat een vaag geregelde beperkingsbevoegdheid een uitholling vormt van het grondrecht van vrijheid van meningsuiting, welke uitholling in strijd zou zijn met artikel 7 Grondwet en de bedoeling van de grondwetgever. De opvatting dat artikel 46 Advocatenwet een beperking van het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting inhoudt, zou impliceren dat advocaten als bijzondere groep ter zake van hun grondrechten door de wetgever zelfs worden gediscrimineerd. Uitsluitend de wetgever in formele zin is bevoegd te beoordelen of bepaalde uitlatingen ontoelaatbaar zijn, aldus verweerder.

5.18    Het hof volgt verweerder hierin niet. Bij de bepaling dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft voor het openbaren van gedachten of gevoelens, maakt artikel 7 Grondwet het voorbehoud “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Dat betekent dat de Grondwet geenszins uitsluit dat iemand die gedachten of gevoelens openbaart, daarmee “de wet” overtreedt en daarover (achteraf) verantwoording zal moeten afleggen. Artikel 53 EVRM laat aan de nationale wetgever de vrijheid om een verdergaande bescherming te bieden maar dit artikel in combinatie met dat artikel 7 Grondwet gaat niet zo ver dat verweerder ten aanzien van iedere meningsuiting gevrijwaard is van bemoeienis van deken en toetsing door de tuchtrechter nadat die mening is geuit.

5.19    Artikel 46 Advocatenwet bevat met het criterium “enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt” inderdaad een open norm. De clausule “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” in artikel 7 Grondwet houdt echter, anders dan verweerder betoogt, niet in dat de wetgever slechts grenzen mag stellen aan de vrijheid van meningsuiting door precies en volledig in de wet op te nemen welke meningsuitingen ontoelaatbaar zijn. In dit verband herinnert het hof aan de overwegingen 5.15 e.v. van de uitspraak van 19 januari 2015, waarin het hof aan de hand van de parlementaire geschiedenis van de grondwetsherziening van 1983 heeft overwogen dat de grondwetgever de gewone wetgever wel degelijk bevoegd achtte om het grondrecht van vrije meningsuiting te beperken door middel van een wet die een op een bepaalde doelgroep toegesneden open of algemene gedragsnorm formuleert.

5.20    Verweerder heeft overigens zelf ter onderbouwing van zijn betoog gewezen op een passage uit de parlementaire stukken betreffende de grondwetsherziening van 1983 die inhoudt dat de grondrechten kunnen worden beperkt door een algemene norm, zoals de norm “dat de ambtenaar zich dient te onthouden van het doen van uitingen en dergelijke, indien en voor zover de goede functionering van de openbare dienst of de goede vervulling van zijn functie zou worden verstoord”. In deze verwijzing leest het hof niets anders dan steun voor hetgeen in de vorige overweging is vervat.

5.21    Dat aan de wetshistorie van de Advocatenwet geen expliciete aanwijzing valt te ontlenen dat de wetgever met de open norm van artikel 46 Advocatenwet een beperking van de meningsuiting toegelaten heeft, maakt dat dan ook niet anders.

5.22    Dat de gewraakte uitlatingen louter feitelijke oordelen betreffen en geen waardeoordelen kan bezwaarlijk worden volgehouden. Verweerder voert weliswaar aan dat hij in zijn schrifturen veelvuldig en uitgebreid uitweidt over de zijns inziens onjuiste beslissing die de Hoge Raad in 2011 in het zogenoemde Kernwapenarrest heeft gegeven, doch daarmee worden zijn in 2015 geuite en de onder 4.4 en verder geciteerde bewoordingen aan het adres van de deken en het hof, die op geen enkele wijze aan de totstandkoming van dat arrest hebben bijgedragen en evenmin ooit hun opvatting over de in dat arrest behandelde rechtsvragen hebben gegeven, niet automatisch constateringen van feitelijke aard. In dit verband overweegt het hof dat verweerder ook niet betwist heeft dat de geciteerde uitlatingen naar objectieve maatstaven gemeten beledigend en onnodig grievend zijn, terwijl van enige noodzaak of rechtens relevante reden om zodanige uitlatingen te doen niet is gebleken.

5.23    Het hof overweegt dat de aan het adres van de deken gerichte bewoordingen, zoals in 4.4 en verder geciteerd, als onnodig grievend kunnen worden gekwalificeerd. Het gebruik van de woorden “een corrupte deken” als ook de passages “Ik wens mij geenszins te encanailleren met de meest verwerpelijke soort advocaten, waarvan de deken het prototype schijnt te zijn. Iedere suggestie dat er sprake zou zijn van enige gelijkgestemdheid tussen de deken en mij, acht ik beledigend” en “maar in zijn stupide arrogantie van de macht houdt hij vast aan een evident met de Grondwet strijdige handelwijze” kunnen niet anders dan als onnodig grievend en daarmee tuchtrechtelijk laakbaar worden gezien.

5.24    De uitlatingen in de ‘open brief’ beoordeelt het hof in het licht van de bijzondere verantwoordelijkheid van advocaten voor het vertrouwen in de instituties van de rechtstaat. Met het afleggen van de eed of het doen van de belofte (artikel 3 Advocatenwet) zeggen advocaten zowel gehoorzaamheid aan de grondwet als eerbied voor de rechterlijke autoriteiten toe. Tussen deze twee onderdelen van de eed of belofte bestaat een verband. De Grondwet bepaalt het juridische fundament van de rechtstaat. Gehoorzaamheid aan de Grondwet impliceert het respecteren van dat fundament bij de uitoefening van het beroep. Juist advocaten behoren zich ervan bewust te zijn dat zij bij de uitoefening van hun beroep een bijzondere verantwoordelijkheid hebben jegens de rechtstaat en dat het ondermijnen van het gezag van de rechterlijke macht de stabiliteit daarvan kan aantasten.

5.25    Advocaten hebben weliswaar recht op vrijheid van meningsuiting, maar dat recht is niet onbegrensd, met name niet omdat hun speciale positie in de rechtstaat met zich brengt dat zij zich in de publieke sfeer discreet, eerlijk en waardig dienen te gedragen. Dit is ook vereist wanneer een advocaat het fundamenteel oneens is met een rechterlijk oordeel. Het staat advocaten volledig vrij inhoudelijke kritiek te leveren op rechterlijke uitspraken en zij mogen die kritiek ook leveren in stellige, scherpe bewoordingen. Dat geldt zeker ook wanneer de kritiek gericht is tegen een uitspraak over een onderwerp dat velen in de samenleving bezighoudt of heeft gehouden, zoals de plaatsing van kernwapens. Het komt de kwaliteit van de rechtsbedeling immers in het algemeen ten goede indien nauw bij de rechtsbedeling betrokken deskundigen zich - binnen of buiten de rechtszaal - over fundamentele rechtsvragen uitlaten.

5.26    Maar ook als verweerder zou worden gevolgd in zijn analyse van het Kernwapenarrest en in zijn redenering dat de rechtbank Oost-Brabant in 2013 dat arrest boven de wet heeft gesteld, heeft te gelden dat hij zijn afkeuring daarover in weliswaar krachtige, maar toch zakelijke bewoordingen kon gieten en dat hij noch enige noodzaak, noch enige rechtens relevante reden heeft aangedragen waarom hij destijds zijn toevlucht diende te zoeken tot grove belediging van leden van de rechterlijke macht.

5.27    Reeds in de uitspraak van 19 januari 2015 heeft het hof eerdere beschimpingen door verweerder van leden van de rechterlijke macht tuchtrechtelijk laakbaar geacht. Daarbij heeft het hof erop gewezen dat deze beperking van de vrijheid van meningsuiting bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving om het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak te waarborgen.

5.28    Blijkbaar heeft verweerder zich de in de toen opgelegde schorsing besloten liggende uitdrukkelijke aanmaning om zich van vergelijkbare beschimpingen te onthouden niet willen aantrekken. Opnieuw heeft hij door het gebruik van vergelijkbare beschimpingen een confrontatie uitgelokt, deze keer in de vorm van de open brief.

5.29    Doorslaggevend voor het oordeel dat de nu gewraakte uitlatingen tuchtrechtelijk laakbaar zijn, is het feit dat verweerder met zijn uitlatingen niet concrete handelingen bekritiseert, maar in het algemeen het professionele functioneren en de integriteit van vertegenwoordigers van (rechterlijke) autoriteiten op wie hij zijn pijlen richt.

5.30    De grieven tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b door de raad zijn dan ook tevergeefs voorgedragen.

m.b.t. de op te leggen maatregel

5.31    Het hof stelt voorop dat in deze tuchtzaak niet het gedrag van de deken of het hof

aan de orde is maar het gedrag dat verweerder wordt verweten. Verweerder lijkt die realiteit niet onder ogen te willen zien. Het laakbare gedrag betreft de weigering mee te werken aan een dekenaal onderzoek naar zijn mogelijke belediging van leden van de rechterlijke macht. Ter verdediging van dit gedrag beroept hij zich uitsluitend op een eigen uitleg van wat volgens hem op basis van de door hem aangedragen argumenten rechtens is, welke uitleg steevast en door verschillende colleges tot in hoogste instantie gemotiveerd is verworpen. In een poging op een andere manier “zijn gelijk te willen halen” heeft hij daarna de integriteit van leden van rechterlijke colleges die hem onwelgevallige uitspraken hebben gedaan ter discussie gesteld, welk gedrag een advocaat onwaardig is. Vervolgens heeft verweerder deze lijn onverkort voortgezet jegens andere rechterlijke colleges en de toezichthouder op de naleving van door deze colleges gedane uitspraken. Daarbij komt dat verweerder heeft te gelden als een herhaaldelijk gewaarschuwd advocaat. Al eerder is hij voor vergelijkbare vergrijpen tuchtrechtelijk veroordeeld. Uit de houding van verweerder ter zitting en de hardnekkigheid waarmee en de wijze waarop hij zijn visie blijft trachten ingang te doen vinden, leidt het hof af dat verweerder niet van zins is zijn laakbare gedrag te wijzigen. Dat betekent dat het hof de kans groot acht dat verweerder onverkort zal doorgaan met het door grove beschimpingen ondermijnen van het gezag van de rechtstaat. Verweerder heeft zich daarmee buiten de orde gesteld en is als advocaat niet langer handhaafbaar. Net als de raad acht het hof een schrapping van het tableau de enig passende maatregel.  

5.32    Nu de klacht grotendeels gegrond is verklaard en een maatregel is opgelegd zal het hof overeenkomstig artikel 48 lid 6 Advocatenwet bepalen dat de kosten die ten laste komen van de Nederlandse orde van advocaten in verband met de behandeling van de zaak door verweerder aan de Nederlandse orde van advocaten worden vergoed. Deze kosten moeten binnen vier weken na heden worden betaald.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 21 maart 2016, gewezen onder nummer R.4815/15.125, voor zover klachtonderdeel a waar het gaat om de weigering van verweerder de deken toegang te verlenen tot zijn kantoorruimte gegrond is verklaard en verklaart klachtonderdeel a in zoverre ongegrond;

bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige;

veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten te betalen binnen vier weken na deze uitspraak door overmaking op rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hoger beroep zaaknummer HvD 160102”.

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. L. Ritzema, A.R. Sturhoofd, M.L. Weerkamp, D.J.B. de Wolff, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Kikkert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

                  

griffier    voorzitter     

        

De beslissing is verzonden op 9 oktober 2017.