Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

14-05-2018

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2018:84

Zaaknummer

170114

Inhoudsindicatie

Klacht over advocaat van de wederpartij. De klacht dat verweerder heeft geprocedeerd namens eisers terwijl hij niet voor alle eisers beschikte over procesvolmachten, wordt in hoger beroep alsnog ongegrond verklaard. Kernwaarde partijdigheid. Verweerder is uitgegaan van de informatie die zijn cliënt over eisers, namens wie hij in rechte zou optreden, aan hem heeft verschaft. Als aan die informatie gebreken kleven in die zin dat artikel 7 lid 1 Voda niet zou zijn nageleefd, is dat in eerste instantie een kwestie die in de relatie advocaat-cliënt speelt en niet een belang van de wederpartij. De wederpartij kan eerst met succes klagen wanneer verweerder onnodig grievend is geweest, feiten heeft geponeerd waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen dan wel dat hij bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig heeft geschaad zonder redelijk doel. Daarvan is in dit geval geen sprake. Vernietiging.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

Beslissing

van 14 mei 2018

in de zaak 170114

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 20 maart 2017, gewezen onder nummer 16-1032/A/A, aan partijen toegezonden op 20 maart 2017. Daarbij is van een klacht van klaagster tegen verweerder klachtonderdeel b gegrond verklaard en de klachtonderdelen a, c, d en e ongegrond. Verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd, met de veroordeling van verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,00 en de proceskosten van € 25,00 aan klaagster en van de kosten van de behandeling van de zaak van € 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2017:68.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 18 april 2017 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    een antwoordmemorie van klaagster, ontvangen per post ter griffie op 30 mei 2017;

-    een brief van verweerder van 1 november 2017, per e-mail ontvangen op 1 november 2017 en per post op 2 november 2017.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 19 maart 2018 waar S namens klaagster en verweerder, bijgestaan door mr. V, zijn verschenen. Klaagster en verweerder hebben gepleit aan de hand van spreekaantekeningen.

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    (…);

b)    heeft geprocedeerd namens eisers, terwijl hij niet voor alle eisers beschikte over procesvolmachten. Verweerder heeft slechts gehandeld op instructie van de vennootschap van de heer B en zich er niet van vergewist of deze vennootschap gemachtigd was de eisers te vertegenwoordigen;

c)    (…);

d)    (…);

e)    (…).

4    FEITEN

Het volgende is komen vast te staan.

4.1    In 2014 zijn door tientallen personen in totaal vijf civielrechtelijke procedures gestart tegen klaagster. Deze personen (hierna: de eisers) hebben gemiddeld 10 jaar eerder een krediet- en/of verzekeringsovereenkomst gesloten via bemiddeling van (een zustervennootschap van) klaagster. In de procedures wordt van klaagster schadevergoeding gevorderd op de grond dat klaagster jegens de eisers toerekenbaar is tekortgeschoten bij de uitvoering van haar contractuele zorgplicht, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

4.2    Verweerder heeft twee van de vijf hiervoor genoemde procedures namens 54 respectievelijk 21 eisers aanhangig gemaakt. Verweerder heeft dit gedaan op verzoek van (de vennootschap van) zijn cliënt, die stelt gevolmachtigde van de eisers te zijn. Deze cliënt is in het verleden werkzaam geweest bij de hiervoor genoemde zustervennootschap van klaagster.

4.3    Verweerder heeft van de cliënt van in ieder geval een groot aantal eisers schriftelijke stukken ontvangen waarin staat dat zij een volmacht aan de vennootschap van de cliënt geven om hen te vertegenwoordigen in een procedure tegen klaagster. In deze volmachten is voorts opgenomen dat alle kosten die verband houden met de hiervoor genoemde procedure voor rekening van de vennootschap van de cliënt komen en dat, indien de wederpartij wordt veroordeeld tot het betalen van een geldsom dan wel een schikking wordt bereikt met de wederpartij, de vennootschap van de cliënt 50% van de financiële compensatie krijgt.

4.4    Op 10 februari 2015 heeft verweerder zich teruggetrokken als advocaat van de eisers en hebben zich twee andere advocaten voor deze eisers gesteld.

4.5    Nadat verweerder zich heeft teruggetrokken heeft klaagster in alle vijf de procedures, waaronder dus ook de twee door verweerder aanhangig gemaakte procedures, de volmacht verlening door de eisers aan de vennootschap van de cliënt betwist. Zij heeft daartoe een incidentele vordering tot overlegging van procesvolmachten ingesteld.

4.6    Bij brief van 11 mei 2015 heeft de advocaat van klaagster verweerder meegedeeld dat klaagster in de aanhangige civielrechtelijke procedures vragen heeft opgeworpen over zijn bevoegdheid om namens de eisers op te treden en hem verzocht hierover nadere inlichtingen te verschaffen. Bij faxbericht van 28 mei 2015 heeft verweerder de advocaat van klaagster meegedeeld dat hij over de aard en omvang van een aan hem verstrekte opdracht geen mededelingen doet.

4.7    Bij vonnis in incident van 20 april 2016 respectievelijk 3 augustus 2016 is de incidentele vordering van klaagster in de door verweerder aanhangig gemaakte procedures afgewezen en zijn in de hoofdzaak zes eisers niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een volmacht. Van één van die eisers heeft de rechtbank vastgesteld dat de volmacht reeds voor het uitbrengen van de dagvaarding op 1 juli 2014 was ingetrokken.

5    BEOORDELING

5.1    Eén van de grieven van verweerder is gericht tegen het oordeel van de raad dat klaagster in haar klacht ten onrechte ontvankelijk is verklaard. Verweerder voert aan dat de klacht van de wederpartij afkomstig is en deze daarom geen eigen belang heeft bij deze klacht.

5.2    Deze grief treft op de hierna te vermelden wijze doel. Vooropgesteld wordt dat partijdigheid één van de kernwaarden is waaraan de advocaat dient te voldoen; de advocaat is partijdig bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Een advocaat geniet een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen (verg. HvD 15 april 2013, 6491).

5.3    Verweerder is uitgegaan van de informatie die zijn cliënt over de eisers, namens wie hij in rechte zou optreden en alsdan ook zijn cliënten zouden worden, aan hem heeft verschaft. Als aan die informatie gebreken kleven in die zin dat art. 7 lid 1 van de Verordening op de advocatuur niet zou zijn nageleefd, is dat in eerste instantie een kwestie die in de relatie advocaat – cliënt speelt en, wanneer een algemeen belang aan de orde is, een kwestie die de toezichthoudende rol van de deken aangaat, maar het betreft niet een belang van de wederpartij. De wederpartij kan eerst met succes klagen wanneer, zoals hiervoor omschreven, verweerder onnodig grievend is geweest, feiten zou hebben geponeerd waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen dan wel dat hij bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig heeft geschaad zonder redelijk doel.

5.4    Daarvan is in dit geval geen sprake. Verweerder heeft in deze procedure bij brief van 1 november 2017 producties overgelegd waaruit blijkt dat nader genoemde eisers, waarvan klaagster stelt dat een opdracht ontbrak, op enig moment een volmacht hebben verstrekt. Dat nadat verweerder zich heeft teruggetrokken als advocaat van de eisers de situatie mogelijk is veranderd of nadien is gebleken dat aan de verstrekte informatie gebreken kleefden, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Het hof heeft ter zitting stellig de indruk gekregen dat klaagster het uitermate vervelend heeft gevonden dat een ex-medewerker de klanten van klaagster heeft benaderd om een collectieve actie tegen klaagster te beginnen, waarbij de ex-medewerker bovendien een commercieel belang had, maar een dergelijke ergernis kan klaagster verweerder niet tuchtrechtelijk tegenwerpen.

5.5    Nu verweerder zich jegens klaagster niet onbetamelijk heeft gedragen, is de conclusie dat de klacht alsnog ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 maart 2017 in de zaak 16-1032/A/A;

en alsnog opnieuw rechtdoende:

verklaart de klacht alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. R.H. Broekhuijsen en D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Kikkert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2018.

griffier    voorzitter          

 

De beslissing is verzonden op 14 mei 2018.