Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-03-2014

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2014:92

Zaaknummer

6947

Inhoudsindicatie

Gebrekkige communicatie door cliënt in een bespreking onheus te bejegenen. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van 28 maart 2014

in de zaak 6947

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1 HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 24 september 2013, onder nummer 13-124 A, aan partijen toegezonden op 24 september 2013, waarbij een klacht van klager tegen verweerder voor wat betreft klachtonderdeel a ongegrond, voor wat betreft klachtonderdelen b en c gegrond is verklaard en een verweerder de maatregel van enkele waarschuwing is opgelegd.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2013:102.

2 HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1 De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 18 oktober 2013 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 24 januari 2014, waar klager is verschenen.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voorzover in hoger beroep van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a) een afwachtende houding heeft aangenomen, gebrekkig communiceert en is afgeweken van uitgezette lijnen;

b) (…)

c) (…)

4 FEITEN

4.1 Het volgende is komen vast te staan:

Verweerder heeft klager als advocaat bijgestaan in een geschil met de gemeente Amsterdam. Verweerder heeft de behandeling van een groot aantal zaken van klager tegen de gemeente van een andere advocaat overgenomen.

Klager was werkzaam als parkeerwacht bij de dienst Stadstoezicht. Op 2 december 2006 is klager betrokken geweest bij een incident, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn linkerduim. In verband hiermee is klager twee maal geopereerd. Daarnaast zijn er incidenten geweest, als gevolg waarvan klager zijn bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar is verloren. Bij klager zijn op enig moment psychische problemen ontstaan.

Klager heeft zich ziek gemeld. Na twee jaar ziekte is hij ontslagen. Klager heeft een advocaat in de arm genomen omdat hij van mening is dat hij als gevolg van zijn dienstverband bij de dienst Stadstoezicht ziek is geworden. Klager heeft verschillende procedures tegen de dienst Stadstoezicht gevoerd.

 

5 BEOORDELING

5.1 Ter beoordeling ligt thans in hoger beroep nog klachtonderdeel onder a voor. Dit klachtonderdeel bestaat uit drie onderdelen.

5.2 Met de raad is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerder in dezen een afwachtende houding heeft aangenomen zodat dit onderdeel van klachtonderdeel a terecht door de raad ongegrond is verklaard.

5.3 Blijkens het appelschrift verwijt klager in het kader van dit klachtonderdeel verweerder voorts dat deze met de (ex)werkgever van klager in afwijking van de uitgezette lijnen heeft onderhandeld.

5.4 Ook dit onderdeel van klachtonderdeel a is ongegrond.

5.5 Niet alleen heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat hij steeds gehandeld heeft in opdracht van klager en dat klager overal bij betrokken is geweest, maar zo al juist is dat verweerder zonder medeweten van klager onderhandeld heeft, dan kan uit dat enkele feit niet worden afgeleid dat verweerder afgeweken is van de uitgezette lijnen. Het is immers zeer wel mogelijk – door klager is het tegendeel overigens niet gesteld – dat verweerder met die onderhandelingen heeft gepoogd voor klager binnen te halen wat deze wilde, te weten behoud van zijn baan.

5.6 Anders dan de raad is het hof van oordeel dat het deel van het klachtonderdeel onder a dat inhoudt dat verweerder met klager gebrekkig communiceerde, wel slaagt.

5.7 Die stelling van klager vindt steun in het schrijven van mevrouw P., psychotherapeute, werkzaam bij D, van 31 juli 2012. In dit schrijven geeft zij een samenvatting van de ontmoeting op 14 januari 2011 op het kantoor van verweerder van verweerder en klager, bij welke ontmoeting zij op verzoek van klager aanwezig was.

Het hof twijfelt niet aan het waarheidsgehalte van dit schrijven - verweerder heeft weliswaar gesteld dat deze weergave niet juist en onvolledig is zonder evenwel aan te geven in welke zin - en gaat bij de beoordeling van dit klachtonderdeel er dan ook vanuit dat de strekking van hetgeen zich op 14 januari 2011 tussen klager en verweerder heeft plaatsgevonden, correct is weergegeven.

Uit die beschrijving kan niet anders worden afgeleid dan dat klager door verweerder op die dag onheus is bejegend en verweerder klager op onacceptabele wijze te verstaan heeft gegeven dat klager zijn kantoor moest verlaten.

5.8 Het hof ziet evenwel in de omstandigheid dat dit deel van klachtonderdeel a alsnog gegrond wordt verklaard, geen aanleiding om de door de raad opgelegde maatregel te wijzigen.

5.9 Klager kan in zijn vordering tot veroordeling van verweerder tot betaling van een bedrag van € 1190,- niet worden ontvangen nu het hof niet bevoegd is over een vordering tot schadevergoeding een beslissing te geven.

5.10 Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij het hiervoor onder  5.6 omschreven deel van klachtonderdeel a ongegrond is verklaard;

en, opnieuw rechtdoende:

 

- verklaart klachtonderdeel a gedeeltelijk, als omschreven onder 4.7 van deze beslissing, alsnog gegrond;

- bekrachtigt de beslissing van de raad voor zover aan het oordeel van het hof  onderworpen,  voor het overige.   

 

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, mrs. T. Zuidema, A.D.R.M. Boumans, G.R.J. de Groot, H.J. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Muller, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2014.