Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

31-10-2014

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2014:304

Zaaknummer

7105

Inhoudsindicatie

Verwijt tijdens de behandeling in een klachtzaak een onjuiste voorstelling van een zekerheidsstelling te hebgen gegeven. Geen maatregel omdat hetzelfde feitencomplex ook onderwerp was van een separaat dekenbezwaar.

Uitspraak

Beslissing van 31 oktober 2014

in de zaak 7105

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 28 februari 2014, onder nummer 16/13, aan partijen toegezonden op 3 maart 2014, waarbij een klacht van klager tegen verweerder ongegrond is verklaard.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als  ECLI:NL:TADRARL:2014:5.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 27 maart 2014 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de brief d.d. 2 april 2014 van klager.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 29 augustus 2014, waar klager en verweerder zijn verschenen. Klager en verweerder hebben gepleit aan de hand van een pleitnota.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

verweerder tijdens de zitting van een klachtzaak op 14 november 2011 heeft gelogen door te verklaren dat de zekerheidsstelling voor de betaling van declaraties van het kantoor van verweerder door middel van twee auto’s geen doorgang heeft gevonden, maar dat een andere oplossing is gevonden. De desbetreffende auto’s zijn wel degelijk op naam van verweerder gesteld en verweerder heeft deze in bezit gekregen van de heren B. tot zekerheid voor de betaling van een deel van de nota’s van verweerder. De auto’s zijn immers verkocht ter delging van de desbetreffende vordering van verweerder.

4    FEITEN

4.1    De Raad heeft de volgende feiten, die in hoger beroep niet zijn bestreden, vastgesteld:

4.2    Verweerder is opgetreden als advocaat van de wederpartij van klager, de heren B. Klager en de heren B. zijn in diverse gerechtelijke procedures  verwikkeld. Tussen partijen is reeds eerder een klachtzaak aanhangig geweest bij de raad van discipline in het voormalige ressort A. In die procedure heeft op 14 november 2011 een zitting plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Op deze zitting is onder meer een brief aan de orde geweest die klager in die procedure in het geding heeft gebracht, te weten een brief van verweerder aan de heren B. d.d. 5 juli 2011, waarin hij de achterstand in de betalingen van genoemde heren op een rij zet. In deze brief is de navolgende alinea opgenomen:

“In dat verband kom ik nog terug op de zekerheden voor de betaling waarover wij spraken. Ik heb aangegeven dat ik in ieder geval geen risico wil lopen met betrekking tot de openstaande facturen. Jij hebt mij het kentekenbewijs overgelegd van de W. (afkorting- raad), die op naam staat van P B.V., een vennootschap waarvan de aandelen deze week (indirect) aan jou zullen worden geleverd, zo deelde je me mee. In dat verband tref je bijgaand een akte van medeschuldenaarschap aan, tevens pandakte. Wij spraken verder al over aanvullende zekerheid, zijnde een tweede auto. In dat verband verzoek ik je me de kentekenbewijzen (alle delen) te doen toekomen van de SL of de M6. Ik zou tot slot graag de W. en de SL of M6 in een garage van kantoor op doen slaan, zodat ik in het geval van een eventueel faillissement oid ook geen gedoe heb met een curator. Indien immers de auto’s verpand zijn (via een vuistpand, dus geen bezitloos pandrecht) dan komt dat allemaal in orde. Het spreekt voor zich dat verkooppogingen van de auto’s gecontinueerd blijven of worden.”

4.3    Op genoemde zitting van 14 november 2011 heeft verweerder hierover onder meer verklaard:

“Ten aanzien van de beschuldigingen die M. aan mijn adres uit, het navolgende. Mijn kantoor werkt veel voor B. Over de brief van 5 juli 2011 wil ik niet veel kwijt, behalve dan dat de zekerheden met betrekking tot de genoemde auto’s geen doorgang heeft gevonden. Er is een andere oplossing gevonden.”

4.4    Vast staat voorts dat verweerder, althans zijn kantoor, de W. en de M. ( twee auto's) in of rond september 2011 in eigendom heeft gekregen. De W. is korte tijd later door – het kantoor van – verweerder verkocht voor € 40.000,00 en de M. voor € 15.000,00. Daarmee is een deel van de openstaande facturen voldaan.

5    BEOORDELING

5.1    Verweerder heeft bij de raad verklaard dat voor een andere constructie is gekozen dan in de hiervoor onder 4.2 geciteerde brief, inhoudende dat de beide auto’s uiteindelijk niet in pand zijn gegeven om te dienen tot zekerheid voor de betaling van de nog openstaande nota’s van verweerder, maar dat deze auto’s als betaalmiddel zijn gebruikt. De raad heeft overwogen dat inbetalinggeving een andere rechtsfiguur is dan zekerheidsstelling en dat derhalve niet gesteld kan worden dat verweerder gelogen heeft. Tegen die overweging richt zich het hoger beroep van klager.

5.2    Ter zitting van het hof heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de automobielen feitelijk aan hem zijn afgegeven, met de sleutels en de autopapieren zonder dat omtrent een koopprijs van de auto's door verweerder met zijn cliënten tevoren afspraken zijn gemaakt. Over de waarde van de auto’s is toen niet gesproken. De auto's zijn door verweerder verkocht. Daarna is de opbrengst in mindering gebracht op het saldo van de openstaande declaraties.

 

5.3    Het hof is van oordeel dat onder die omstandigheden, mede gezien de onder 4.2 geciteerde brief van verweerder d.d. 5 juli 2011, sprake is van parate executie van een vuistpand als bedoeld in artikel 3:248 lid 1 BW en niet van betaling in natura van een geldschuld. Anders dan de raad is het hof dan ook van oordeel dat verweerder de automobielen tot zekerheid van de betaling van de declaraties van zijn kantoor in ontvangst heeft genomen.

5.4    Dit in aanmerking genomen, dient te worden geoordeeld dat verweerder ter zitting van 14 november 2011 van de Raad van Discipline Arnhem een onjuiste verklaring heeft afgelegd. De verklaring was bovendien ontwijkend omdat de essentie van de opgeworpen vraag was of de auto’s waren ingezet voor de betaling van de declaraties van het kantoor van verweerder, op welke vraag verweerder geen antwoord heeft gegeven. In zoverre is de klacht gegrond en kan de beslissing van de raad niet in stand blijven.

5.5    Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het hof het volgende. De onder 4.3 geciteerde verklaring van verweerder werd gedaan tijdens de mondelinge behandeling van een klacht van klager tegen verweerder over een geheel ander onderwerp dan de verpanding aan verweerders kantoor van twee automobielen. Tijdens de behandeling van de andere klacht heeft klager de onder 4.2 geciteerde brief van verweerder d.d. 5 juli 2011 aan de heren B. overgelegd. Uiteindelijk heeft de wijze waarop verweerder betaling van zijn declaraties heeft gekregen, geleid tot een dekenbezwaar tegen verweerder. Dat dekenbezwaar is bij beslissing van de Raad van Discipline Arnhem/Leeuwarden d.d. 1 maart 2013 (ECLI:NL:TADRLEE:2013:YA4302) gegrond bevonden en aan verweerder is terzake de maatregel van enkele waarschuwing opgelegd. De transactie als zodanig is derhalve reeds tuchtrechtelijk beoordeeld. Gelet daarop ziet het hof aanleiding in de onderhavige zaak af te zien van het opleggen van een maatregel.

    

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem - Leeuwarden van 28 februari 2014 onder nummer 16/13;

en, opnieuw rechtdoende:

-    verklaart de klacht van klager alsnog gegrond.  

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, mrs. G. Creutzberg, G.W.S. de Groot, J.S.A.M. Schokkenbroek en R.H. Broekhuijsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.G.J. Hendrix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2014.