Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-05-2018

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2018:112

Zaaknummer

17-1011/DH/RO

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. Verweerder heeft erkend dat er bedragen van de derdengeldenrekening zijn overgemaakt zonder dat op de betalingsopdracht een tweede handtekening van de medebestuurder is geplaatst. Ook heeft verweerder, in strijd met artikel 6 lid 6 Vafi, verschillende overboekingen gedaan althans laten doen zonder dat daar een declaratie en schriftelijke toestemming van de cliënt aan ten grondslag lag. Dekenbezwaar in zoverre gegrond. Hoewel de raad twee van de drie klachtonderdelen gegrond acht, ziet zij vanwege de tijd die inmiddels is verstreken, het feit dat het om slechts enkele incidenten gaat, waarover niet eerder door iemand is geklaagd, er voor het overige geen onregelmatigheden in de administratie zijn aangetroffen, verweerder steeds alle medewerking heeft verleend en niet wegloopt voor zijn fouten en verantwoordelijkheden alsmede de houding van verweerder ter zitting, aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 28 mei 2018

in de zaak 17-1011/DH/RO

naar aanleiding van het bezwaar van:

de deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Rotterdam

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief aan de raad van 8 december 2017 met kenmerk R 2017/104 rm/edl, door de raad ontvangen op 11 december 2017, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam een ambtshalve bezwaar over verweerder ingediend.

1.2    Het bezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 19 maart 2018 in aanwezigheid van klager en verweerder, vergezeld van zijn gemachtigde […].

1.3    De raad heeft kennis genomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49 lid 2 Advocatenwet.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Op 23 mei 2014 is het voormalige kantoor van verweerder failliet verklaard. Verweerder was via zijn holding enig aandeelhouder en bestuurder van dat kantoor.

2.2    Het voormalige kantoor van verweerder had ten tijde van het faillissement een overeenkomst met een stichting beheer derdengelden. Verweerder was ten tijde van het faillissement samen met een kantoorgenoot, mr. B., bestuurder van deze stichting beheer derdengelden.

2.3    Enige tijd na het faillissement vernam de toenmalig deken van de curator dat de curator over (naar later bleek) een deel van de administratie van de stichting beheer derdengelden beschikte.

2.4    Omdat verweerder op dat moment bij een ander kantoor in loondienst was getreden en niet meer bevoegd was om bestuurder te zijn van de stichting beheer derdengelden, heeft klager hem en zijn kantoorgenoot, mr. B., verzocht om terug te treden teneinde twee leden uit de Raad van de Orde te kunnen benoemen als nieuwe bestuursleden.

2.5    Het nieuwe bestuur is aangetreden op 19 maart 2015.

2.6    De door het nieuwe bestuur van de curator ontvangen administratie van de stichting beheer derdengelden bleek niet compleet. Verweerder is op 10 en 27 juli 2015 namens het bestuur verzocht de administratie te completeren.

2.7    Op 12 augustus 2015 heeft verweerder nog enige administratie afgegeven. Deze bleek nog altijd niet compleet. Meer in het bijzonder ontbrak de volledige administratie van voor 2011 en van 2012, terwijl er nog wel bedragen van derden uit die periode op de derdengeldenrekening stonden (en nog altijd staan).

2.8    Na een rappel heeft verweerder bij brief van 9 oktober 2015 aan klager bericht echt geen nadere stukken meer te hebben. De curator berichtte klager in gelijke zin.

2.9    Medio januari 2016 heeft de verhuurder van het pand waarin het gefailleerde kantoor van verweerder gevestigd was aan klager bericht dat zich daar nog een aanzienlijke hoeveelheid administratie bevond. Daarop heeft een van de bestuurders van de stichting beheer derdengelden een afspraak met de verhuurder gemaakt om deze stukken zo spoedig mogelijk te komen ophalen. Bij aankomst in het pand bleek nog een volledige kast met stukken aanwezig te zijn, waaronder een groot aantal ordners met stukken die betrekken hadden op de stichting beheer derdengelden.

2.10    De administratie van de stichting beheer derdengelden over het jaar 2008 ontbreekt nog altijd.

2.11    Bij controle van de betalingen die kort voor en na het faillissement van en naar de derdengeldenrekening hebben plaatsgevonden bleek dat in een viertal dossiers met toestemming van verweerder een bedrag van bijna

€ 16.000,- is overgeboekt vanaf de derdengeldenrekening naar de kantoorrekening van verweerder, zonder dat daarvoor de vereiste toestemming van het medebestuurslid van de stichting was verkregen.

2.12    In drie van de vier hiervoor genoemde zaken ontbreekt voorts de ondubbelzinnige instemming van de rechthebbende alsmede de (onverwijlde) schriftelijke vastlegging van de betaling/verrekening door de advocaat. In twee van deze zaken staan de bedragen sinds respectievelijk 1989, 1992 en 2004 op de derdengeldenrekening. Uit de administratie blijkt verder niet dat de desbetreffende cliënten ten tijde van de overboekingen nog cliënt bij het gefailleerde kantoor waren. Tot slot was verweerder niet in alle gevallen de behandelend advocaat terwijl de verrekeningen wel plaatsvonden met zijn declaraties.

3    BEZWAAR

3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    zijn verplichtingen als bestuurder van de stichting beheer derdengelden ernstig heeft verwaarloosd door niet zorgvuldig de administratie van de stichting beheer derdengelden te beheren en onder zich te houden en na herhaald verzoek van de opvolgend bestuurders en de deken niet de benodigde informatie ter beschikking te stellen;

b)    in strijd met de statuten van de stichting beheer derdengelden overboekingen heeft gedaan althans heeft laten doen vanaf de rekening van de stichting beheer derdengelden naar zijn kantoorrekening zonder dat de toenmalige medebestuurder daarbij in enigerlei opzicht betrokken is geweest;

c)    in strijd met artikel 6 lid 6 Vafi verschillende overboekingen heeft gedaan althans laten doen zonder dat daar een declaratie en schriftelijke toestemming van de cliënt aan ten grondslag lag en aldus zijn kantoor ten kosten van bekende en onbekende rechthebbenden heeft verrijkt.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft zich tegen het bezwaar verweerd, op welk verweer de raad hierna waar nodig zal ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de stellingen van partijen niet kan worden vastgesteld wanneer klager van de aan verweerder verweten gedragingen kennis heeft genomen althans redelijkerwijs had kunnen nemen, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat de termijn van artikel 46g Aw is verstreken. De raad acht klager dan ook ontvankelijk in zijn bezwaar.

Ad onderdeel a)

5.2    Verweerder stelt onweersproken dat hij ten tijde van het faillissement van zijn voormalig kantoor met de deken en de curator afspraken heeft gemaakt omtrent de overdracht van de administratie, inhoudende dat deze door de curator aan de deken ter hand zou worden gesteld. Hij stelt daarop te hebben vertrouwd en steeds te hebben gehandeld op basis van de op dat betreffende moment beschikbare informatie. Nu hij geen sleutels meer had van het kantoorpand en daar ook nooit meer aanwezig was, was hij – zo stelt verweerder verder onweersproken - ook niet in staat de nakoming van de afspraken door de curator te controleren. Gelet hierop kan de raad niet vaststellen dat verweerder een verwijt valt te maken van het feit dat hij de deken de opgevraagde stukken en informatie niet ter beschikking heeft gesteld. Hij had die immers niet tot zijn beschikking en hoefde die op grond van de met de deken en de curator gemaakte afspraken ook niet (meer) tot zijn beschikking te hebben. Dit onderdeel acht de raad dan ook ongegrond.

Ad onderdeel b)

5.3    Verweerder heeft erkend – en dat blijkt ook uit de stukken – dat er bedragen van de derdengeldenrekening zijn overgemaakt zonder dat op de betalingsopdracht een tweede handtekening van de medebestuurder is geplaatst. Dat is in strijd met het bepaalde in het destijds geldende artikel 1 sub i Vafi, in samenhang met bijlage A bij de Vafi. De gegrondheid van dit onderdeel is daarmee gegeven.

Ad onderdeel c)

5.4    Verweerder heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel wel de nodige kanttekeningen geplaatst maar niettemin erkend dat er fouten zijn gemaakt in de vier door klager genoemde gevallen. Hij heeft gesteld zijn verantwoordelijkheid daarvoor te accepteren, zonder de voormalig medebestuurder en cliënten over de kwestie te zullen benaderen. Gelet hierop zal de raad ook dit onderdeel van het dekenbezwaar gegrond verklaren.

6    MAATREGEL

6.1    Hoewel de raad twee van de drie klachtonderdelen gegrond acht, ziet zij vanwege de tijd die inmiddels is verstreken, het feit dat het om slechts enkele incidenten gaat, waarover niet eerder door iemand is geklaagd, er voor het overige geen onregelmatigheden in de administratie zijn aangetroffen, verweerder steeds alle medewerking heeft verleend en niet wegloopt voor zijn fouten en verantwoordelijkheden alsmede de houding van verweerder ter zitting, aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart onderdeel a) van het dekenbezwaar ongegrond;

-    verklaart de onderdelen b) en c) van het dekenbezwaar gegrond;

-    bepaalt dat daarvoor aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd.

 

Aldus beslist door mr. M.F. Baaij, voorzitter, mrs. P.O.M. van Boven-de Groot, J.G. Colombijn-Broersma, R. de Haan en T. Hordijk, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2018.

 

Deze beslissing is in afschrift op 28 mei 2018 verzonden.