Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-08-2012

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3507

Zaaknummer

6202

Inhoudsindicatie

Verwijt in twee zaken te zijn tekortgeschoten in één zaak gegrond. Gegrond, berisping. Overweging over de omvang van de klacht.

Uitspraak

                                   

Belsissing van 17 augustus 2012

in de zaak 6202

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Gravenhage (verder: de raad) van 29 augustus 2011, onder nummer R.3616/11.18, aan partijen toegezonden op 31 augustus 2011, waarbij een klacht van klager tegen verweerder gegrond is verklaard en de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken is opgelegd.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 30 september 2011 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    antwoordmemorie van klager;

-    de brief van gemachtigde van verweerder aan het hof van 18 mei 2012;

-    stukken door klager overgelegd ter zitting (de pleitnotities in eerste aanleg en ongedateerde schriftelijke aantekeningen).

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 4 juni 2012, waar klager, vergezeld van mr. X., en verweerder, vergezeld van mr. Y. zijn verschenen. Laatstgenoemde heeft gepleit aan de hand van een pleitnota.

3    KLACHT

Klager verwijt verweerder dat verweerder de belangen van klager niet adequaat en zorgvuldig behandeld heeft in de voor klager behandelde zaken.

In de huurkwestie heeft verweerder verzuimd het verstek te zuiveren en verweer te voeren. Nadat een verstekvonnis gewezen is waarbij de ontruiming van de woning is toegewezen, heeft verweerder onvoldoende gedaan om de ontruiming tegen te gaan. Verweerder heeft klager niet, althans onvoldoende op de hoogte gehouden van de door hem ondernomen en te nemen vervolgstappen.

Verweerder heeft in de bestuursrechtelijke zaken nagelaten klager op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de diverse procedures. Verweerder heeft zonder overleg en zonder dat de belangen van klager dat meebrachten een verzoek voorlopige voorzieningen ingediend bij de Rechtbank Rotterdam en noch klager noch diens gemachtigde op de hoogte gesteld van de inhoud van het dossier en de geplande hoorzitting op 21 oktober 2010.

Voorts heeft verweerder klager, althans diens gemachtigde niet geïnformeerd over de comparitie van partijen in de verzetprocedure, zodat klager niet ter comparitie is verschenen.

4    FEITEN

Het volgende is komen vast te staan:

    4.1    Verweerder heeft klager bijgestaan vanaf begin 2010 tot in oktober 2010. Nadien werd hij bijgestaan door mr. D. als gemachtigde.

    4.2    De huurkwestie

Op 12 en 24 maart 2010 is aan klager een exploot van dagvaarding uitgebracht waarin de verhuurder de ontruiming vordert van de door klager gehuurde woning. Er is gedagvaard tegen de zitting van 7 april 2010.

Tot de stukken van het onderhavige geding behoort een kopie van de brief van verweerder van 31 maart 2010 aan de griffier van het kantongerecht Rotterdam waarin hij zich stelt voor klager en om aanhouding verzoekt voor de conclusie van antwoord.

        Op 23 april 2010 is (verstek)vonnis gewezen en is klager veroordeeld tot ontruiming.

Verweerder heeft bij brief van 18 mei 2010 de deurwaarder/gemachtigde van de verhuurder geschreven dat klager zich op het standpunt stelt dat de huurachterstand is voldaan en dat hij namens klager hoger beroep heeft ingesteld. Bij brief van 2 juni 2010 stuurt verweerder een verzetdagvaarding naar de deurwaarder van verhuurder en verzoekt mee te delen of hij de ontruiming zal opschorten.

De ontruiming vond plaats op 3 juni 2010. Klager leidde nadien, volgens zijn zeggen, een zwervend bestaan en was aldus voor verweerder niet bereikbaar.

Bij brief van 11 juni 2010 heeft verweerder zich tot de griffier van het kantongerecht gewend, waarin hij schrijft dat hij zich bij brief van 23 april 2010 had gesteld, met het verzoek het vonnis van 23 april 2010 te vernietigen en klager alsnog in de gelegenheid te stellen verweer te voeren. Bij brief van 7 september 2010 rappelleert verweerder de griffier.

    4.3    De bestuursrechtelijke zaak

De gemeente Schiedam heeft de bijstandsuitkering van klager met ingang van 19 januari 2010 geschorst. De gemeente is op 26 februari 2010 een verzoek tot bijstandverlening gedaan.

Verweerder heeft tegen de beslissing tot schorsing van de bijstandsuitkering een bezwaarschrift ingediend. Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Bij beslissing van 1 juni 2010 heeft de gemeente het bezwaar gehonoreerd. Aan klager is met terugwerkende kracht vanaf 19 januari 2010 een bijstandsuitkering toegekend.

Bij beslissing van 31 mei 2010 heeft de gemeente het verzoek om een hernieuwde bijstandsuitkering afgewezen (wegens het verstrekken van onvoldoende informatie omtrent de woonsituatie). Verweerder heeft daartegen op 9 juli 2010 een bezwaarschrift ingediend en, op 7 september 2010, bij de rechtbank een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het bezwaarschrift is op 22 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard omdat klager al een uitkering kreeg. De mondelinge behandeling van het verzoek voorlopige voorzieningen vond plaats op 21 oktober 2010. Bij die gelegenheid is het verzoek om een voorlopige voorziening door de opvolgend gemachtigde van klager ingetrokken.

    4.4.    De verzetprocedure

De hiervoor sub 4.2 genoemde verzetdagvaarding is op 3 juni 2010 aan de verhuurder betekend. Bij rolbeslissing of vonnis van 16 september 2010 is een comparitie van partijen bepaald op 16 november 2010. Daar zijn klager, verweerder noch klagers opvolgend gemachtigde verschenen. De rechtbank heeft op laatstgenoemde dag telefonisch contact gezocht met verweerder. Deze heeft meegedeeld de comparitie niet te hebben geagendeerd.

5    BEOORDELING

5.1    In het beroepschrift voert verweerder eerst aan dat de deken zich slechts heeft uitgelaten over de huurzaak, en niet over de bestuurszaak. Verweerder verbindt daaraan geen gevolgen.

Het hof overweegt dienaangaande dat de tuchtrechter de inhoud van de klacht vaststelt aan de hand van het door de deken ingediende dossier. De tuchtrechter is daarbij niet gebonden aan de klacht zoals door de deken geformuleerd, maar de klacht wordt wel begrensd door de bij de deken ingediende klachten en door wat de deken in zijn onderzoek heeft betrokken. Ten aanzien van de bestuurskwestie heeft klager zich beklaagd en deze kwestie is ook door de deken onderzocht. De raad kon mitsdien deze klacht in de beoordeling betrekken.

5.2    De huurzaak

Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder de belangen van klager in de procedure van de verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst niet adequaat en zorgvuldig heeft behandeld. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit de brief van verweerder van 31 maart 2010 aan de griffie van het kantongerecht blijkt dat hij zich op de rol van 7 april 2010 voor klager heeft willen stellen. Verweerder heeft evenwel niet geverifieerd of zijn stelbrief effect had gesorteerd. Had hij dit wel en tijdig gedaan dan had hij zich wellicht alsnog kunnen stellen en uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord kunnen krijgen. Voor deze verificatie bestond ook reden omdat verweerder van de griffie geen schriftelijk bericht had gekregen over de termijn voor het nemen van de conclusie van antwoord.

Ook nadat verweerder het verstekvonnis van 23 april 2010 had ontvangen heeft hij niet adequaat en zorgvuldig gehandeld. De brieven aan de deurwaarder van 18 mei en 2 juni 2010 zijn, zoals ook kon worden verwacht, ontoereikend om uitstel van de executie te bewerkstelligen. Wel had verweerder tijdig, dus ruim voor 3 juni 2010, nog een executie-kort geding kunnen entameren, waarbij hij had kunnen wijzen op zijn stelbrief van 31 maart 2010 en op een uitgebrachte verzetdagvaarding. Het doen uitgaan van een verzetdagvaarding op de dag van de feitelijke ontruiming en het schrijven van brieven aan de griffier van het kantongerecht ná de feitelijke ontruiming, met een civielrechtelijk volstrekt onjuiste inhoud, biedt uiteraard geen uitkomst.

Het hof is niet kunnen blijken dat klager door verweerder deugdelijk op de hoogte is gebracht van het verloop van de procedure en de te ondernemen stappen. Ter zake doende correspondentie ontbreekt, wat voor risico van verweerder dient te komen. De stelling van verweerder dat klager moeilijk bereikbaar was gaat hooguit op voor de periode ná 3 juni 2010. Maar ten aanzien van die periode stelt verweerder nu juist dat klager regelmatig zijn kantoor bezocht. Afgifte van schriftelijke stukken was dus mogelijk.

    5.3    De verzetprocedure

Het vonnis in de verzetprocedure noemt verweerder als gemachtigde. Verweerder is op de dag van de comparitie van partijen 16 november 2010 door de griffier van het kantongerecht telefonisch benaderd over zijn wegblijven. Verweerder heeft het kantongerecht kennelijk niet op de hoogte gebracht van de wisseling van gemachtigde in oktober 2010. Volgens verweerder (proces-verbaal eerste aanleg) heeft hij het kantongerecht eerst op 18 januari 2011 van de wisseling op de hoogte gesteld (dus niet in het hiervoor in 4.4 genoemd telefoongesprek, hoewel dat toch voor de hand lag). De opvolgend gemachtigde heeft dus ook niet van het kantongerecht te horen gekregen dat er een comparitie van partijen was gepland.

Voor de beantwoording van de vraag of klager op de hoogte is gebracht van de comparitie van partijen beroept verweerder zich op de afgifte van de processtukken aan klager. Klager erkent weliswaar stukken te hebben opgehaald maar beweert dat het om een onvolledig dossier ging. Een schriftelijke bevestiging van verweerder met een opsomming van de afgegeven stukken ontbreekt zodat het hof niet kan vast stellen dat klager, of zijn opvolgend gemachtigde, langs deze weg van de comparitie van partijen op de hoogte zijn geraakt. De opvolgend gemachtigde heeft ter zitting bij de raad verklaard bij het overnemen van diverse zaken niet op de hoogte te zijn gesteld van de comparitie.

Dat verweerder de opvolgend gemachtigde van klager in kennis heeft gesteld van de comparitie van partijen is het hof niet gebleken. Een schriftelijk stuk dienaangaande ontbreekt.

Uit vorenstaande volgt dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat verweerder klager of de opvolgend gemachtigde tijdig op de hoogte heeft gebracht van de dag waarop de comparitie van partijen zou gaan plaatsvinden, hoewel de zorgvuldigheid die verweerder had te betrachten meebracht dat hij deze datum tijdig en schriftelijk aan de opvolgend gemachtigde zou hebben doorgegeven en dat hij van die correspondentie in zijn dossier een afschrift had behouden.

    5.4     De bestuursrechtelijke zaak

De klacht verwijt verweerder in de eerste plaats zonder overleg en zonder dat de belangen van klager dat meebrachten een verzoek om voorlopige voorzieningen te hebben ingediend bij de rechtbank. Uit het verzoekschrift voorlopige voorzieningen blijkt dat het betreft de beslissing van de gemeente van 31 mei 2010. In deze brief van 31 mei 2010 wordt de aanvraag van klager op grond van de Wet werk en bijstand afgewezen.

Naar het oordeel van het hof getuigt het veilig stellen van de belangen van klager door het indienen van het verzoekschrift op 7 september 2010 niet van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, ook als verweerder daaromtrent geen overleg met klager heeft gevoerd. In dit verband is van belang dat klager ten tijde van het indienen van het verzoekschrift geen vaste woon- of verblijfplaats had en voor verweerder mogelijk slecht tot niet bereikbaar was. Dat het verzoek, naar kennelijk eerst achteraf op de mondelinge behandeling bleek, niet toewijsbaar was, vanwege de beslissing van de gemeente van 1 juni 2010, doet hier niet aan af.

De klacht verwijt verweerder verder klager noch diens gemachtigde op de hoogte te hebben gesteld van de inhoud van het dossier en de geplande hoorzitting op 21 oktober 2010. Uit de brief van 19 oktober 2010 van de opvolgend gemachtigde van klager, waarin zij aangeeft vanaf dat moment de belangen van klager te gaan behartigen, blijkt dat klager op de hoogte was van de zitting. Klager en zijn gemachtigde zijn ook op de zitting verschenen.

Uit vorengaande volgt dat de klacht, zoals door de raad verwoord, voor zover het de bestuursrechtelijke zaak betreft, ongegrond is.

    5.5    De op te leggen maatregel

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat verweerder in de huurzaak niet adequaat en onzorgvuldig heeft gehandeld. Zijn handelwijze heeft ernstige gevolgen gehad voor klager, namelijk de ontruiming op een korte termijn uit een gehuurde woning zonder dat zijn kant van de zaak voor het voetlicht is gebracht. Gelet hierop, maar ook op het feit dat het hof een deel van de klacht ongegrond verklaart, is het opleggen van de maatregel berisping hier passend en geboden.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    bekrachtigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarin de klachtonderdelen met betrekking tot de huurkwestie gegrond zijn bevonden;

-    vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover de klachtonderdelen met betrekking tot bestuursrechtelijke zaak gegrond zijn bevonden en verweerder de maatregel van een voorwaardelijke schorsing is opgelegd;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

-    verklaart de klachtonderdelen met betrekking tot de bestuursrechtelijke zaak ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

Aldus gewezen door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mrs. J.S.W. Holtrop, G.W.S. de Groot, G.R.J. de Groot en W.K. van Duren, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2012.