Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2014

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2014:333

Zaaknummer

7081

Inhoudsindicatie

Klacht tegen verweerder over de wijze waarop hij als deken een klacht tegen een advocaat heeft onderzocht. Alleen verwijtbaar als hij het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt. Daarvan is geen sprake. Ongegrond.

Uitspraak

                                   

Beslissing van 17 november 2014

in de zaak 7081

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klagers

tegen:

verweerder

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 31 januari 2014, onder nummer 152/12, aan partijen toegezonden op 3 februari 2014, waarbij een klacht van klagers tegen verweerder ongegrond is verklaard.  

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRARL:2014:7.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klagers van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 28 februari 2014 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de brief van klagers aan het hof d.d. 7 september 2014.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 19 september 2014, waar verweerder is verschenen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    Verweerder in zijn weergave van de klacht tegen mr. X., is voorbijgegaan aan het verwijt van klagers dat mr. X. (onder verwijzing naar Gedragsregel 18, die, kort samengevat inhoudt dat advocaten onderling uitsluitend contact met elkaar onderhouden en zich niet rechtstreeks tot de wederpartij van hun cliënt wenden) aankondigde dat door klagers aan de cliënte van mr. X. gezonden brieven, ongeopend c.q. ongelezen zouden worden geretourneerd, terwijl mr. X. wel rechtstreeks klagers benaderde, terwijl mr. Y. hun advocaat was. Door deze handelswijze van verweerder is er geen oplossing tot stand gekomen.

b)    Verweerder niet bereid is gebleken uitspraken in de klachtzaak tegen mr. X. nader toe te lichten en dit onder meer afdoet met “ik heb daar geen zin in”. De wijze van klachtbehandeling door verweerder doet afbreuk aan het vertrouwen in de gewenste onafhankelijkheid en objectiviteit die verweerder aan de dag zou moeten leggen; te meer nu verweerder heeft gezegd dat de klachten tegen mr. X. niet gegrond zullen worden verklaard door de tuchtrechter.

4    FEITEN

    In overweging 2 heeft de raad vastgesteld van welke feiten in deze procedure wordt uitgegaan. De door de raad vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

5    BEOORDELING

5.1    De raad heeft in de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 gemotiveerd uiteengezet dat de in deze procedure aangevoerde feiten de aangevoerde klachten niet dragen. Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot andere overwegingen en conclusies dan door de raad in zijn beslissing weergegeven. Het hof neemt daarom deze beslissing over.

5.2    De grieven van klagers tegen de beslissing van de raad worden verworpen. De beslissing van de raad dient te worden bekrachtigd.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2014, gewezen onder nummer 152/12.

Aldus gewezen door mr. J.C. van Dijk, voorzitter, mrs. L. Ritzema, T. Zuidema, G.J. Visser en R. Verkijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2014.