Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-05-2016

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2016:88

Zaaknummer

15-674/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Advocaat heeft verzuimd een op gemeenschappelijk verzoek gewezen echtscheidingsbeschikking in te schrijven in de registers van de Burgerlijke Stand. Nadat hij door de ene partij daarover was geïnformeerd verzuimt hij de andere partij daarover te niet informeren. Advocaat heeft vervolgens gedurende negen maanden niets ondernomen en pas nadat een klacht was ingediend en een andere advocaat was ingeschakeld actie ondernomen.

Inhoudsindicatie

Van een advocaat mag worden verwacht dat hij, nadat hij van zijn verzuim tot inschrijving van een echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand op de hoogte is gesteld, alles in het werk, stelt om dit verzuim met de grootste mogelijk spoed te herstellen.

Inhoudsindicatie

Klacht gegrond; schorsing drie maanden. Kostenveroordeling.

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van 30 mei 2016

in de zaak 15-674/DB/ZWB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

tegen:

 

 

verweerder

 

 

 

1          Verloop van de procedure

1.1      Bij brief van 2 juni 2015  heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een klacht ingediend over verweerder.

1.2      Bij brief aan de raad van 14 december 2015 met kenmerk K15-064 , door de raad ontvangen op 15 december 2016 , heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3      De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 4 april 2016 in aanwezigheid van klaagster, mevrouw F. ,begeleidster van klaagster en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4      De raad heeft kennis genomen van:

-       de brief van de deken dd. 14 december 2015, met bijlagen.

 

2          FEITEN

          Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1      Verweerder heeft klaagster en de heer X in 2012-2013 bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. Bij beschikking dd. 12 februari 2013 is de echtscheiding tussen klaagster en X uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is niet ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.2      De heer X heeft zich in 2014 tot verweerder gewend omdat hem was gebleken dat de echtscheiding niet was ingeschreven. X heeft aan verweerder opdracht verstrekt om de echtscheiding tussen hem en klaagster alsnog te bewerkstelligen. Bij beslissing dd. 14 oktober 2014 is voor de kosten van de werkzaamheden van verweerder aan X een toevoeging verleend.

2.3      Klaagster heeft op 19 januari 2015 ontdekt dat de echtscheidingsbeschikking van 12 februari 2013 niet was ingeschreven en dat zij dus nog steeds gehuwd was. Klaagster had inmiddels een nieuwe partner van wie zij zwanger was. Klaagster had daarom belang bij een spoedige inschrijving van een echtscheidingsbeschikking en heeft zich in januari 2015 opnieuw tot verweerder gewend.

2.4      Bij brief dd. 14 februari 2015 heeft verweerder aan klaagster bericht dat de beschikking dd. 12 februari 2013 abusievelijk niet was ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, waardoor het huwelijk tussen klaagster en de heer X in stand was gebleven. Hij schreef van de heer X opdracht te hebben gekregen om dit te herstellen en dat daartoe opnieuw een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank zou worden ingediend.

2.5      Op 5 maart en 27 mei 2015 heeft een gesprek tussen klaagster, de begeleidster van klaagster en verweerder plaatsgevonden.

2.6      Op 17 juli 2015 werd opnieuw een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De (tweede) echtscheidingsbeschikking is op 21 augustus 2015 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

 

 

 

3          KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

1.    verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door de echtscheidingsbeschikking van 12 februari 2013 niet in te schrijven in de registers van de Burgerlijke Stand, waardoor het huwelijk tussen klaagster en de heer X niet was geëindigd;

2.    verweerder heeft toegezegd voor een oplossing te zorgen, maar niets heeft ondernomen;

3.    verweerder geen contact met klaagster heeft ondernomen zodat hij in de communicatie met klaagster tekort is geschoten.

 

4          VERWEER

4.1      Verweerder heeft de taak op zich genomen om ervoor te zorgen dat de echtscheiding opnieuw werd aangevraagd en ingeschreven. Verweerder heeft daarover zo goed als mogelijk gecommuniceerd en contacten met beide partijen (en derden die bijstand verleenden) onderhouden. Doordat het contact met de heer X was verwaterd, is vertraging in het proces ontstaan.

4.2      Waar verweerder aanvankelijk in zijn antwoord op de klacht heeft geconcludeerd tot afwijzing van de klacht, stelt verweerder bij dupliek dat hij in de periode van 5 maart tot 11 mei 2015 onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd. Op 27 mei 2015 is de stand van zaken uitvoerig aan de orde gekomen. De gemaakte afspraken zijn niet vastgelegd. Het contact met de heer X was nog niet hersteld. Verweerder heeft daaromtrent niet adequaat gecommuniceerd met klaagster en haar begeleidster. Het is juist dat de zaak aan het rollen is gegaan door een brief van de persoonlijk begeleidster van klaagster. De persoonlijke problematiek van klaagster had verweerder moeten brengen tot een voortvarender en adequater handelen. Zaken van persoonlijke aard liggen eraan ten grondslag waarom een en ander zo is verlopen.

 

5          BEOORDELING

5.1      De Advocatenwet is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd. Op klachten die tegen advocaten zijn ingediend vóór 1 januari 2015 blijven echter ingevolge artikel IVA van de Wet positie en toezicht advocatuur de paragrafen 4, 4a en 4b van de oude Advocatenwet, zoals deze luidden tot 1 januari 2015, van toepassing. De onderhavige klacht is bij de deken ingediend na 1 januari 2015 en wordt daarom door de raad behandeld en beoordeeld op grond van het nieuwe recht. Waar in deze beslissing naar de Advocatenwet wordt verwezen, wordt de nieuwe Advocatenwet bedoeld.

 

Ad klachtonderdeel 1

5.2      Vast staat dat verweerder heeft verzuimd de echtscheidingsbeschikking van 12 februari 2013 in te schrijven in de registers van de Burgerlijke Stand, waardoor het huwelijk tussen klaagster en de heer X niet was geëindigd. Van een zorgvuldig handelend advocaat mag worden verwacht dat hij zorg draagt voor tijdige inschrijving van een echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand. Het eerste klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Ad klachtonderdeel 2

5.3      De heer X heeft zich in oktober 2014 tot verweerder gewend, zodat verweerder reeds toen op de hoogte was van het verzuim. Verweerder heeft ondanks zijn wetenschap geen actie ondernomen om het verzuim te herstellen. Vervolgens heeft klaagster zich in januari 2015 tot verweerder gewend. Ook daarna heeft verweerder geen actie ondernomen. Op 5 maart en 27 mei 2015 hebben gesprekken tussen klaagster en verweerder plaatsgevonden, maar deze hebben evenmin geleid tot actie van verweerder. Pas nadat klaagster op 2 juni 2015 een klacht over verweerder bij de deken heeft ingediend en een andere advocaat had ingeschakeld, heeft verweerder in juli 2015 een (tweede) verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. Klaagster had van verweerder mogen verwachten dat hij zich direct nadat hij door de heer X op de hoogte was gesteld van het verzuim eigener beweging tot klaagster had gewend en het verzuim met de hoogste spoed zou hebben hersteld. Verweerder heeft ondanks de grote gevolgen van het verzuim voor klaagster en de heer X geen actie ondernomen en de zaak op zijn beloop gelaten. Zelfs nadat klaagster zich tot verweerder had gewend en hem van haar persoonlijke omstandigheden betreffende haar zwangerschap op de hoogte had gesteld, ten gevolge waarvan de hoogste spoed geboden was bij het alsnog tot stand brengen van de echtscheiding, heeft verweerder geen enkele actie ondernomen om het verzuim te herstellen en voor inschrijving van een nieuwe echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand zorg te dragen. Het tweede onderdeel van de klacht is eveneens gegrond.

Ad klachtonderdeel 3

5.4      Verweerder heeft nagelaten zich in oktober 2014 tot klaagster te wenden en haar van het verzuim op de hoogte te stellen. Ook in de periode tussen januari en juli 2015 heeft verweerder geen actie ondernomen en nagelaten klaagster op de hoogte te stellen van de stand van zaken. Verweerder is ook in de communicatie met klaagster ernstig tekort geschoten zodat ook het derde onderdeel van de klacht gegrond wordt verklaard.

 

6          MAATREGEL

6.1     Van verweerder had mogen worden verwacht dat hij, nadat hij in oktober 2014 van zijn verzuim tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand op de hoogte was gesteld, alles in het werk had gesteld om dit verzuim met de grootst mogelijk spoed te herstellen. Verweerder heeft echter niets ondernomen. Hij heeft klaagster niet op de hoogte gesteld van zijn verzuim. Zelfs nadat klaagster het verzuim zelf had ontdekt en zich daarmee in januari 2015 tot klager had gewend heeft verweerder niets ondernomen om zijn verzuim terstond te herstellen. Ook het gesprek op 27 mei 2015 op de woonlocatie van klaagster, waar verweerder overigens zonder dossier verscheen, heeft niet tot actie van verweerder geleid. Pas nadat de begeleidster van klaagster verweerder hierop aangesprak, klaagster tegen verweerder een klacht bij de deken indiende en zij een andere advocaat inschakelde, heeft verweerder uiteindelijk, in juli 2015, een verzoek tot echtscheiding ingediend. Verweerder is hierdoor in ernstige mate tekort geschoten in de zorg die hij ten opzichte van klaagster in acht had behoren te nemen. Dit geldt des te meer gelet op de omstandigheid dat klaagster in september 2015 zou bevallen en zij verweerder hiervan reeds in januari 2015 op de hoogte had gesteld.

6.2     De ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en de grote gevolgen hiervan voor klaagster rechtvaardigt op zich al een zware tuchtrechtelijke maatregel. Daarnaast overweegt de raad dat aan verweerder in november 2014 tweemaal een maatregel van voorwaardelijke schorsing is opgelegd voor vergelijkbaar tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, waaruit klager klaarblijkelijk geen lering heeft getroffen. Verweerder heeft geen verzachtende omstandigheden naar voren gebracht waarmee de raad bij het bepalen van de zwaarte van de op te leggen maatregel rekening zou moeten houden. De stelling van verweerder dat hij in overleg met de deken maatregelen ter verbetering van zijn praktijkvoering heeft genomen, is door verweerder niet met bewijsstukken onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk gemaakt.

6.3.  De raad acht rekening houdend met het bovenstaande de maatregel van drie maanden schorsing in de uitoefening van de praktijk passend en geboden, waarbij de inzagetermijn van artikel 8a lid 3 Advocatenwet wordt verkort tot vijf jaar. Gelet op de ernstige mate van onzorgvuldigheid in de juridische dienstverlening aan klaagster en de reeds eerder opgelegde voorwaardelijke schorsingen, kan, anders dan door verweerder ter zitting betoogd, thans niet worden volstaan met een voorwaardelijke schorsing.

 

7         GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1.    Aangezien de klacht gegrond is verklaard, moet verweerder het door klaagster betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

7.2.    De raad ziet daarnaast aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die klaagster in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van EUR 50,00 aan reiskosten.

 

7.3     De raad ziet eveneens aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48, zesde lid, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die ten laste komen van de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak. Deze kosten worden vastgesteld op EUR 1.000,00 en moeten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de Nederlandse Orde van Advocaten worden betaald. Dit bedrag kan worden betaald op rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-        verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;

-        legt aan verweerder de maatregel op van schorsing voor de duur van drie maanden;

-        bepaalt dat de schorsing ingaat één maand na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

           de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,

          verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

          de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-        veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van EUR 50,00 aan klaagster;

-        veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van          EUR  50,00 aan klaagster;

-        veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van           EUR 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten;

-        bepaalt dat de in artikel 8a, derde lid, van de Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot 5 jaar.

 

 

Aldus beslist door mr. P. H. Brandts, voorzitter, mrs. J.D.E. van den Heuvel, S.A.R. Lely, A.J.F. van Dok en A.L.W.G. Houtakkers , leden, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal als griffier en bij vervroeging uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2016.

 

Griffier                                                                                             Voorzitter

 

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

 

Deze beslissing is in afschrift op 30 mei 2016

 

verzonden aan:

-            klaagster

-            verweerder

-            de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement  Zeeland-West-Brabant   

-            de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

-            het College van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten

 

Van deze beslissing staat hoger beroep bij het Hof van Discipline open voor:

-            verweerder

-            de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant    

-    de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

 

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

 

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.      Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 85452, 2508 CD Den Haag

 

b.      Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres:

Kneuterdijk 1, 2514 EM Den Haag

 

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof.

Het telefoonnummer van het Hof van Discipline is 088-2053777

 

c.       Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 088-2053701

Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

 

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof:

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl