Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-07-2018

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2018:110

Zaaknummer

18-334/DB/OB

Inhoudsindicatie

Niet gebleken dat verweerder met een truc heeft geprobeerd om toestemming voor lang uitstel te ontfutselen. Niet gebleken dat verweerder onwaarheden of zelf gefabriceerde stellingen heeft geponeerd. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van     10 juli  2018

in de zaak 18-334/DB/OB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

klager

tegen:

 

 

verweerder

 

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 1 mei 2018 met kenmerk nr. 48|17|128K, door de raad ontvangen op 4 mei 2018 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

 

1             FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1       Klager heeft een geschil met O B.V. over de vraag of sprake is van een rechtmatige beëindiging van een adviseursovereenkomst en de tussen partijen overeengekomen vergoedingen. O B.V. is in dit geschil bijgestaan door verweerder.

1.2       Bij e-mailbericht d.d. 31 oktober 2016 heeft de heer J, Hoofd P&O bij O B.V., verweerder om advies gevraagd:

            “(…) De mailbox van een ex-collega wordt aan mij ter beschikking gesteld om inkomende berichten te behandelen en tevens berichten in zijn inbox te behandelen. Hierbij kom ik een mail tegen die [klager] aan hem heeft doorgestuurd. Graag jouw advisering.”

1.3       Verweerder heeft in de verzet dagvaarding – onder meer – gesteld:

            “Het is [O B.V.] in het belang van de organisatie vanzelfsprekend toegestaan mailboxen van adviseurs die niet meer in functie zijn door te nemen in het kader van de overdracht van de werkzaamheden.”

1.4       De rechtbank heeft aan partijen verhinderdata opgevraagd voor de periode van 19 januari 2017 tot en met 19 mei 2017. Vervolgens heeft de rechtbank een datum voor de comparitie vastgesteld buiten deze periode, te weten op 9 juni 2017. Bij het opgeven van de verhinderdata was met die datum geen rekening gehouden.

1.5       Op 10 februari 2017 heeft verweerder aan klager een e-mailbericht gestuurd, luidend als volgt:

            “U zult inmiddels kennis hebben genomen van de brief die de rechtbank heeft verzonden waarin zij de comparitie aankondigen, gepland op 9 juni a.s. om 13.30 uur te Eindhoven. Cliënte is verhinderd op deze datum ter zitting te verschijnen en zal in dat kader de rechtbank verzoeken een nieuwe datum te bepalen.

            Ik verzoek u daarom mij uw verhinderingen te doen toekomen in de maanden februari tot en met augustus 2017 en wel vóór dinsdag 14 februari 12.00 uur. Indien ik na deze datum en het genoemde tijdstip van u geen verhinderingen heb ontvangen zal ik de rechtbank hieromtrent informeren.

1.6       Klager heeft verweerder diezelfde dag per e-mail als volgt bericht:

            “Ik heb de rechtbank, vandaag schriftelijk, verzocht de comparitiedatum sterk naar voren te halen. Het vorige verzoek van de rechtbank om verhinderdata door te geven is door mij gehonoreerd. En die opgave blijft staan.”

            Eveneens op 10 februari 2017 heeft klager de rechtbank verzocht om de comparitiedatum te vervroegen.  

1.7       De rechtbank heeft de datum van de comparitie bepaald op 17 maart 2017.

1.8       Bij brief d.d. 28 september 2017 heeft klager bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder. Bij brief d.d. 23 oktober 2017 heeft verweerder geantwoord. Verweerder heeft gesteld dat hij zich bij het opstellen van de verzet dagvaarding heeft gebaseerd op de door zijn cliënte verstrekte informatie, inhoudend dat de e-mailbox van een ex-collega aan de personeelsfunctionaris van cliënte ter beschikking was gesteld om inkomende berichten te behandelen en tevens berichten in deze e-mailbox te behandelen.

 

 

2             KLACHT

2.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

1.    met een truc heeft geprobeerd om klager een toestemming te ontfutselen voor een lang uitstel van een door de rechtbank voorgestelde datum voor een comparitie;

2.    in de verzet dagvaarding, tevens houdende eis in reconventie, een bewering heeft gedaan die nergens op is gebaseerd;

3.    (al dan niet in samenzwering met zijn cliënte) in de klachtprocedure nieuwe en zelf gefabriceerde stellingen heeft ingebracht.

 

 

3             VERWEER

3.1       De cliënte van verweerder was verhinderd op de door de rechtbank vastgestelde datum voor de comparitie. Omdat de comparitie was bepaald op een datum gelegen na de periode waarover door de rechtbank verhinderdata waren gevraagd, heeft verweerder klager gevraagd om verhinderdata. Klager heeft gereageerd en laten weten enkel een datum te accepteren gelegen vóór 9 juni 2017. De rechtbank heeft vervolgens de comparitie bepaald op 17 maart 2017.

3.2       De stellingen van verweerder in de verzet dagvaarding waren gebaseerd op van zijn cliënte verkregen informatie en passen binnen de vrijheid die verweerder heeft als advocaat van de wederpartij. Klager heeft hierop in de procedure gereageerd.

3.3       Dat verweerder zich heeft gebaseerd op van zijn cliënte verkregen informatie blijkt uit het e-mailbericht van zijn cliënte d.d. 31 oktober 2016. Van het in de klachtprocedure inbrengen van nieuwe en zelf gefabriceerde stellingen is derhalve geen sprake.

 

4             BEOORDELING

4.1      De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. De voorzitter overweegt dat de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. De voorzitter zal de klacht met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen. 

4.2      Ter zake het eerste onderdeel van de klacht overweegt de voorzitter als volgt. Omdat de comparitie was bepaald op een datum gelegen na de periode waarover door de rechtbank verhinderdata waren gevraagd en verweerders cliënte op de door de rechtbank vastgestelde datum verhinderd was, zag verweerder zich genoodzaakt om aan klager verhinderdata te vragen. Verweerder heeft dit in zakelijke bewoordingen gedaan. Dat verweerder met een truc heeft geprobeerd om klager een toestemming te ontfutselen voor lang uitstel is geenszins gebleken. De rechtbank heeft de datum voor de comparitie vastgesteld op 17 maart 2017. Klager is derhalve niet in zijn belangen geschaad. Nu niet valt in te zien welk tuchtrechtelijk verwijt verweerder kan worden gemaakt is dit klachtonderdeel naar het oordeel van de voorzitter kennelijk ongegrond.

4.3      Ter zake het tweede klachtonderdeel overweegt de voorzitter dat klager zich kennelijk niet kan vinden in de standpunten die verweerder namens zijn cliënte in de verzet dagvaarding heeft verwoord. Dat betekent echter nog niet dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van de inhoud van de door hem vervaardigde verzet dagvaarding. In het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënte stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte standpunten in te nemen die afweken van de standpunten van klager. Verweerder mocht daarbij afgaan op de juistheid van de door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie. Klager is in de procedure in de gelegenheid gesteld om op de stellingen van verweerders cliënte te reageren en dat heeft hij ook gedaan. Het is niet aan de tuchtrechter om over de juistheid van de, in de civiele procedure, over en weer ingenomen standpunten te oordelen. Dat verweerder bij het opstellen van de verzet dagvaarding de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. Dit klachtonderdeel zal kennelijk ongegrond worden verklaard.

4.4      Van strijd tussen de door verweerder namens zijn cliënte in de civiele procedure ingenomen standpunten en door hem in de klachtprocedure ingenomen standpunten is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. De voorzitter is van oordeel dat klager het verwijt dat verweerder in de klachtprocedure, al dan niet in samenzwering met zijn cliënte, nieuwe en zelf ingebrachte stellingen heeft ingebracht, onvoldoende heeft onderbouwd. Van de wijze waarop verweerder in de klachtprocedure verweer heeft gevoerd tegen de door klager tegen hem ingediende klacht kan verweerder naar het oordeel van de voorzitter dan ook evenmin een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

4.5      Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in alle onderdelen met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.

 

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. G.J.E. Poerink, voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. van de Langenberg als griffier op 12 juli 2018.

 

 

Griffier                                            Voorzitter

 

 

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

 

Deze beslissing is in afschrift op 12 juli 2018

verzonden aan:

-     klager

-     verweerder

-     de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant.

 

Ingevolge artikelen 46j en 46h van de Advocatenwet kunnen klaagster, verweerder en de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant binnen dertig dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, Postbus 1190, 4801 BD Breda .  Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift ( in tweevoud ) waarin de gronden van het verzet gemotiveerd worden omschreven. In het verzetschrift moet u uitleggen waarom u het niet eens bent met de beslissing van de voorzitter dat de klacht kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. U mag daarin ook nader toelichten waarom de klacht volgens u gegrond is.

De termijn van dertig dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het verzetschrift dus ontvangen zijn op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van dertig dagen is niet mogelijk.

Informatie ook op raadvandiscipline.nl