Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-08-2018

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2018:150

Zaaknummer

170120

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. De deken heeft op verzoek van het hof in de tussenbeslissing (ECLI:NL:TAHVD:2017:267) nader onderzoek ingesteld en van zijn bevindingen verslag gedaan bij het hof over de vraag waaraan het bedrag van € 200.000,- op de derdengeldenrekening van verweerder is gespendeerd. Eindbeslissing: Het hof stelt vast dat verweerder de conclusies van de deken op geen enkele wijze heeft weersproken. Het hof is van oordeel dat verweerder zich doelbewust aan de verplichting om rekening en verantwoording af te leggen heeft proberen te onttrekken door zich van middelen te bedienen om de constateringen van de deken te verdoezelen. Door het overboeken van (forse) bedragen van de derdengeldrekening naar de kantoorrekening dan wel privérekeningen van verweerder en zijn kantoorgenoot, waarvoor geen deugdelijke onderbouwing is gegeven, heeft verweerder zijn eigen financiële (privé en kantoor)belang voorop gesteld en niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Verweerder heeft door het overtreden van belangrijke regels in ernstige mate gehandeld in strijd met de kernwaarden (financiële) integriteit en onafhankelijkheid. Schrapping. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

BESLISSING                                   

van 20 augustus 2018

in de zaak 170120

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

 

1    HET VERDERE GEDING IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst naar zijn tussenbeslissing van 11 december 2017, waarin het onderzoek naar het handelen van verweerder is heropend en de deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland (hierna: de deken) is verzocht nader onderzoek in te stellen en de verdere behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing voor onbepaalde tijd is aangehouden. De tussenbeslissing van het hof is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TAHVD:2017:267.

 

2    DE VOORTZETTING VAN HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Na de tussenbeslissing heeft het hof kennis genomen van:                                                                                                              

-    het schrijven van de deken van 27 februari 2018 met bijlagen;

-    de brief van verweerder van 6 juni 2018, door het hof per e-mail op 6 juni 2018 en per post op 7 juni 2018 ontvangen, met bijlagen.

2.2    Ter openbare zitting van 22 juni 2018, waar partijen en de deken zijn verschenen, heeft het hof de behandeling van de zaak voortgezet.

 

3    DE (VERDERE) BEOORDELING

Tussenbeslissing van het hof van 11 december 2017

3.1    In de tussenbeslissing van het hof van 11 december 2017 is de klacht als volgt omschreven. De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij, zonder enig overleg, eenzijdig een opdracht heeft gegeven aan een eigen accountant in verband met het afleggen van rekening en verantwoording en niet, zoals ter zitting is toegezegd, samen met klager naar diens accountant [B.] is gegaan om tot een rekening en verantwoording te komen jegens de Stichting [A.] terwijl de uitvoering bij lange na ook niet binnen de fatale termijn van één maand heeft plaatsgevonden.

Ter toelichting heeft klager gesteld, kort weergegeven, dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht van het hof van discipline van 1 februari 2016 om aan klager rekening en verantwoording af te leggen, en dat in het summiere rapport van accountant [S.] het kerndocument “besprekingsverslag [H.] 16 januari 2008” en de verantwoording van juridische kosten ontbreken.

De omschrijving van de klacht moet worden gezien tegen de achtergrond dat ondanks diverse zittingen en afspraken met verweerder geen enkele helderheid in deze zaak is gekomen, waarbij het gaat om de verantwoording van een (groot) bedrag dat al jaren geleden op de derdenrekening van verweerder is gestort en waarvan nog steeds niet duidelijk is of dit deugdelijk en rechtmatig is uitgegeven.

3.2    Het hof heeft bij eerder genoemde voormelde beslissing van 11 december 2017 de feiten vastgesteld en vier van de vijf door verweerder aangevoerde grieven verworpen, te weten grieven 1, 3 - 5. Op grief 2 is niet definitief beslist door het hof.

3.3    Met grief 2 heeft verweerder betoogd dat hij uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van het hof door aan [S.], registeraccountant, opdracht te geven, waarna [S.] op 30 maart 2016 een rapport heeft opgesteld dat aan de Stichting [A.] is gezonden. Verweerder biedt nog steeds aan dat een accountant in opdracht van de Stichting het rapport en de onderliggende bescheiden nader kan onderzoeken, mits onder geheimhoudingsplicht.

3.4    Het hof heeft in r.o. 5.5 ten aanzien van deze grief overwogen dat verweerder na de uitspraak van het hof van 1 februari 2016 op 2 maart 2016 aan klager heeft geschreven dat hij aan een accountant opdracht heeft gegeven om de rekening en verantwoording op te stellen. Een rapport van [S.] ([consultancykantoor]) is op 30 maart 2016 opgesteld en aan klager verzonden. Het bevat één pagina met enkele posten. Inmiddels had klager op 10 maart 2016 de onderhavige klacht bij de deken ingediend.

Na ontvangst van het rapport van [S.] heeft in april/mei 2016 e-mail correspondentie tussen partijen plaatsgevonden waaruit blijkt dat klager niet tevreden was met het rapport en dat [B.] geen inzage kreeg in onderliggende stukken omdat verweerder aan [S.] daarvoor geen toestemming gaf.

Vervolgens citeert het hof de afspraak die tussen partijen ter zitting van het hof van 26 juni 2017 is gemaakt, inhoudende dat:

“(…) [B.] contact legt met [S.], dat [klager] aan verweerder bevestigt dat [B.] handelt in opdracht van de Stichting [A.], en dat tussen klager en verweerder wordt vastgesteld aan wie het rapport ter inzage kan worden gegeven. Ook zal [B.] aan verweerder bevestigen dat een verlengde geheimhoudingsplicht geldt omdat hem immers inzage wordt gegeven in de dossiers van verweerder. Vervolgens rapporteren de accountants samen waar de reservering van EUR 200.000,- dat destijds op de derdenrekening van [advocatenkantoor verweerder] is gestort, aan is gespendeerd, zodat met de bevindingen van de accountants rekening en verantwoording kan worden afgelegd aan de Stichting [A.]. Vóór 15 september 2017 dienen partijen te berichten aan het Hof van Discipline over de stand van zaken. Al naar gelang de bevindingen zal het Hof een nieuwe zitting bepalen of uitspraak doen. (…)”

3.5    Naar het oordeel van het hof verschaft het rapport van [S.] van 30 maart 2016 volstrekt onvoldoende duidelijkheid over de vraag waaraan het bedrag van € 200.000,- is gespendeerd en is reeds daarom niet als deugdelijke rekening en verantwoording te aanvaarden, ook omdat het tot nu toe onmogelijk is gebleken dat [B.] namens klager de onderliggende stukken inziet en met [S.] bespreekt. Ondanks concrete afspraken ter zitting van 26 juni 2017, waarmee beide partijen hebben ingestemd, is er geen contact van de grond gekomen; de indruk is dat verweerder contact ontwijkt.

3.6    Het hof heeft hierin aanleiding gezien het dekenonderzoek te heropenen en de deken verzocht nader onderzoek in te stellen en van zijn bevindingen verslag te doen aan het hof. Uit dat verslag dient in elk geval duidelijk en overzichtelijk te blijken:

•    of het juist is dat in 2007/2008 een restantbedrag van (omstreeks) € 200.000,- in verband met een met [verzekeraar] te [plaats] (hierna: [verzekeraar]) getroffen schikking over de afkoop van de aanspraken van 54 beleggers, welke in totaal 550 aandelenleasecontracten met [verzekeraar] hadden afgesloten, stond op de derdengeldrekening van verweerder;

•    waaraan het bedoelde bedrag van € 200.000,- is besteed, wanneer en op welke rekeningen ten name van wie bedragen zijn overgeboekt en of dit in overeenstemming is met de bedoeling van klager (in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting [A.]) en in overeenstemming met de (blijkens deze verklaring) aan de verklaring van 17 december 2007 gehechte lijst;

•    of er nog een restant van het bedrag op de derdengeldrekening van verweerder over is en hoe groot dat restant is.

•    De deken kan daarnaast al datgene onderzoeken en aan zijn verslag toevoegen dat dienstig kan zijn om te komen tot rekening en verantwoording van de besteding van genoemd bedrag van € 200.000,-.

Nader onderzoek

3.7    Op 27 februari 2018 heeft de deken verslag gedaan van het nader onderzoek, met als bijlage Rapportage onderzoek [advocatenkantoor verweerder] (hierna: de rapportage). Dit verslag is opgesteld in samenwerking met de Unit Financieel Toezicht Advocatuur (hierna: unit FTA) die het onderzoek heeft uitgevoerd in opdracht van de deken.

In dit verslag wordt onder meer het volgende geconstateerd.

•    Een restantbedrag van € 200.000,- heeft in eerste instantie op de derdenrekening van verweerder gestaan, waarna diverse betalingen zijn gevolgd.

•    Daarbij wordt gewezen op bepaalde overboekingen die bijzondere aandacht vragen. De in het verslag aangeduide en omschreven vergoedingen zijn ofwel overgemaakt naar de privérekening van verweerder en zijn kantoorgenoot (mr. [naam]), dan wel, verspreid over enige jaren door middel van allerlei deelbetalingen, uiteindelijk doorbetaald naar de kantoorrekening van verweerder.

•    Voor een deel is het honorarium voor de door het kantoor van verweerder verleende rechtsbijstand in de procedure tegen [verzekeraar] door verweerder en zijn kantoorgenoot verhaald op het bedrag van € 200.000,--, dat door verweerder werd vastgehouden op de derdenrekening. Nergens is een behoorlijke verantwoording te vinden voor de hoogte van dit honorarium ad € 307.277,59.

•    Bovendien is geconstateerd dat verweerder en zijn kantoorgenoot een bedrag van € 55.000,- van de ontvangen gelden zonder toestemming van derden hebben geleend van de [stichting] (hierna: Stichting [G.]). Van deze stichting waren de beide kantoorgenoten medebestuurders. De deken acht het arrangeren van deze lening in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit en er is volgens hem sprake van een ontoelaatbare belangenverstrengeling.

•    Er is een restant bedrag aan te wijzen, namelijk het door verweerder en zijn kantoorgenoot van de Stichting [G.] geleende bedrag van € 55.000,-, waarvoor geen acceptabele reden is aan te voeren en geen toestemming is verleend voor het aangaan van deze lening door de belanghebbenden/gedupeerden.

•    De lening is volgens de deken aan te merken als ongebruikelijk in de zin van de Wwft, zeker in het licht van de opmerking van verweerder dat de in de boeken van het kantoor aangehouden verantwoording voor deze bedragen (onderhanden werk) onjuist is.

•    Afgezien daarvan is volgens de deken sprake van een uitzonderlijk hoge bestuursvergoeding. Dat betreft in totaal € 21.000,-- die naar het oordeel van de deken toebehoort aan de Stichting [G.]. Dit klemt temeer daar de derde bestuurder, klager, nimmer een vergoeding heeft ontvangen.

•    Tot slot merkt de deken op dat naast de in het verslag opgesomde en verontrustende conclusies (buitensporig declareren, handelen zonder adequate opdrachtbevestigingen, wanbeheer, niet naar behoren rekening en verantwoording afleggen), ook dient te worden geconstateerd dat verweerder op eigen initiatief het rapport van accountant [S.] van 30 maart 2016 heeft ingebracht.

•    Dit rapport geeft een onvolledig beeld van hetgeen er met de gelden is gebeurd. Gezien de kwaliteit van dit rapport kan het naar het oordeel van de deken niet anders bedoeld zijn dan een poging om de aandacht af te leiden van de ware toedracht.

3.8    Voordat de definitieve versie van de rapportage op 26 januari 2018 door de unit FTA naar de deken is gestuurd, is verweerder in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid gesteld te reageren op het conceptrapport. Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarop de conceptrapportage is aangepast en definitief is gemaakt.

3.9    Verweerder heeft bij schrijven van 6 juni 2018, voorafgaand aan de zitting van het hof van 22 juni 2018 een brief gestuurd naar het hof, houdende 19 producties. Verweerder heeft in de brief noch op zitting aangegeven waar de producties op zien en wat hij daarmee beoogt aan te tonen.

3.10    Het hof stelt vast dat verweerder de conclusies van de deken, als neergelegd in het verslag, op geen enkele wijze heeft weersproken; noch in woord noch in geschrift, zodat het hof deze conclusies ook overneemt.

Hij heeft geen verklaring gegeven voor de hoogte van het bedongen honorarium, het geleende bedrag van € 55.000,- van de Stichting [G.], de (uitzonderlijk hoge) bestuursvergoeding en de andere in het verslag genoemde declaraties.

Voor het overboeken van deze (forse) bedragen van de derdengeldrekening naar de kantoorrekening dan wel privérekeningen van verweerder en zijn kantoorgenoot, bestond derhalve geen enkele rechtvaardiging.

3.11    Ondanks het feit dat verweerder sinds 2011 is verzocht om rekening en verantwoording af te leggen en hij in diverse procedures, waaronder bij het hof, in de gelegenheid is gesteld om openheid van zaken te geven, heeft verweerder er voor gekozen een andere strategie te volgen. Verweerder heeft zich doelbewust aan de verplichting om rekening en verantwoording af te leggen proberen te onttrekken door zich van middelen te bedienen om de constateringen, zoals neergelegd in het verslag van de deken en uiteengezet in r.o. 3.7, te verdoezelen. Verweerder komt telkens gemaakte afspraken op zittingen niet na, vertoont ontwijkend gedrag met een oneigenlijk beroep op de geheimhoudingsplicht en heeft het rapport van zijn accountant [S.] ingebracht. Het hof heeft al geoordeeld dat dit rapport niet als een deugdelijke rekening en verantwoording is te aanvaarden.

Het is aan de standvastigheid van klager te danken dat uiteindelijk, door middel van het uitvoeren van nader onderzoek door de unit FTA, is komen vast te staan dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan buitensporig declareren, handelen zonder adequate opdrachtbevestigingen, wanbeheer/malversaties ten aanzien van hem toevertrouwde cliëntengelden en het niet naar behoren afleggen van rekening en verantwoording.

3.12    Door het overboeken van (forse) bedragen van de derdengeldrekening naar de kantoorrekening dan wel privérekeningen van verweerder en zijn kantoorgenoot, waarvoor geen deugdelijke onderbouwing is gegeven, heeft verweerder zijn eigen financiële (privé- en kantoor)belang voorop gesteld en niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Integriteit in de advocatuur is een groot goed. Schendingen daarvan worden in de Orde en in de maatschappij als onaanvaardbaar bestempeld en schaden het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur in hoge mate.

3.13    Bovendien heeft verweerder, door zonder toestemming van derden gelden te lenen van de Stichting [G.], waarvan verweerder samen met zijn kantoorgenoot medebestuurders waren, zijn onafhankelijkheid in de waagschaal gezet.

3.14    Het verstrekken van deze lening door de Stichting [G.] aan (het kantoor van) de beide medebestuurders was niet in het belang van de stichting. Er is sprake van een ontoelaatbare belangenverstrengeling.

3.15    Verweerder heeft door het overtreden van belangrijke regels in ernstige mate gehandeld in strijd met de kernwaarden (financiële) integriteit en onafhankelijkheid, die van een advocaat worden verlangd. Uit de houding van verweerder in de onderliggende procedures en ook ter zitting van het hof van 22 juni 2018, is op te maken dat hij de ernst van de situatie en het laakbare van dit alles blijkbaar niet inziet. De ernst van de verweten gedragingen en de volharding van verweerder in zijn gedrag sinds 2011, laten geen andere keus dan de oplegging van de maatregel van schrapping.

3.16    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a) € 50 reiskosten aan klager;

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

3.17    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken na deze uitspraak betalen aan klager. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerder.

3.18    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1000 binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2017, gewezen onder nummer 16-749,

en opnieuw rechtdoende:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder op de maatregel van schrapping van het tableau;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van € 50 aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. M.L. Weerkamp, M.M.H.P. Houben, E.L. Pasma en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2018.

griffier        voorzitter                      

 

De beslissing is verzonden op 20 augustus 2018.