Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-08-2018

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2018:148

Zaaknummer

180047

Inhoudsindicatie

Klacht eigen advocaat. Niet gebleken is dat, zoals klaagster stelt, een vaste prijsafspraak zou zijn gemaakt tussen verweerder en klaagster. Voorts hoefde verweerder geen toevoeging aan te vragen, omdat klaagster een zakelijk geschil heeft voorgelegd aan verweerder. Verder is niet gebleken dat de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder onder de maat is. Wel valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij zich in strijd met gedragsregel 28 lid 2 op een retentierecht en een eerder ingenomen standpunt van de deken beriep. De situatie van klaagster en verweerder was namelijk al snel anders ontwikkeld dan waar de deken vanuit mocht gaan en verweerder houdt een eigen verantwoordelijkheid om in lijn met de gedragsregels ( ic 28 lid 2) te handelen. Waarschuwing. Kostenveroordeling.

Uitspraak

BESLISSING                                   

van 20 augustus 2018

in de zaak 180047

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 29 januari 2018, gewezen onder nummer 17-552, aan partijen toegezonden op 29 januari 2018. Hierin zijn van de klacht van klaagster tegen verweerder alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRARL:2018:51.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klaagster van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 22 februari 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de antwoordmemorie van de gemachtigde van verweerder van 4 mei 2018, per e-mail op 4 mei 2018 en per post op 7 mei 2018 ontvangen;

-    de brief met bijlagen van de gemachtigde van klaagster van 30 mei 2018, op 1 juni 2018 ontvangen.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 22 juni 2018, waar klaagster, bijgestaan door mr. S., en verweerder, bijgestaan door mr. W., zijn verschenen. De gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van verweerder hebben gepleit aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerder:

a) ondanks de van tevoren mondeling overeengekomen vaste prijsafspraak van € 400,-, een uurtarief heeft gehanteerd. Klaagster heeft de nadien ontvangen opdrachtbevestiging van 9 maart 2016, waarin het uurtarief staat vermeld, niet ondertekend. Vervolgens heeft verweerder de kosten van zijn werkzaamheden -grotendeels niet gespecificeerd - in rekening gebracht.

b) ten onrechte geen toevoeging heeft aangevraagd omdat de kwestie volgens hem een zakelijk geschil betrof. Dit is onjuist omdat het ging om de afwikkeling en de beëindiging van een affectieve relatie, waarvoor de opvolgend advocaat wel een toevoeging heeft verkregen.

c) klaagster slecht heeft geadviseerd over de afwikkeling van de VOF en nagelaten heeft klaagster te adviseren zich als vennoot uit te schrijven bij de Kamer van Koophandel, met als gevolg dat klaagster voor de schulden van haar voormalige partner is komen te staan.

d) niet van tevoren met klaagster over zijn plan van aanpak heeft gesproken noch inhoudelijk met haar heeft afgestemd over de te verzenden brieven.

e) (…)

f) niet meewerkte aan de overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat, mr. F..

g) de aansprakelijkstelling van klaagster weigerde door te sturen naar zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

 

4    FEITEN

Voor zover in hoger beroep van belang, is het volgende komen vast te staan:

4.1    Klaagster heeft zich per e-mail van 27 januari 2016 gewend tot verweerder met het verzoek om advies en bijstand. Hierin schrijft klaagster dat zij en haar “toenmalige vriend” samen een VOF hebben opgezet. Klaagster schrijft in haar e-mail:

“Hij eist de VOF nu op en heeft mij in alle systemen geblokkeerd. […..]

Graag wil ik advies wat ik het beste kan doen.

1.    Eieren voor mijn geld kiezen en me uitschrijven bij de kvk

2.    Bedrijf failliet laten verklaren

3.    Me laten uitkopen

4.    Het bedrijf opeisen.

Mss weet je nog een optie. Mijn voorkeur gaat uit naar optie 3. Ik weet niet of dat haalbaar is. (…)”

4.2    De opdracht is door verweerder schriftelijk bevestigd bij brief van 9 maart 2016 met vermelding van de financiële afspraken, de wijze van declareren en de toepasselijke algemene voorwaarden. Verweerder schrijft dat de opdracht ziet op het verrichten van juridische diensten ten aanzien van het ontbinden van de VOF en het vereffenen van de schulden. Onder financiële afspraken is vermeld dat de werkzaamheden tegen een uurtarief van EUR 99 inclusief BTW worden verricht en welke kosten naast dit uurtarief in rekening worden gebracht. Tevens vermeldt verweerder: “Voorts hebben wij afgesproken dat ik met u in contact zal treden wanneer voor vijf uren aan werkzaamheden in uw zaak zijn verricht.” 

4.3    In februari 2016 heeft verweerder een brief gezonden naar de wederpartij van klaagster waarin verweerder schrijft dat klaagster hem heeft verzocht haar bij te staan door een vaststellingsovereenkomst op te stellen waarin partijen de VOF beëindigen. Verweerder verzoekt contact op te nemen om de mogelijkheden te verkennen. Klaagster heeft zich in een e-mail aan verweerder van 16 februari 2016 akkoord verklaard met deze brief. 

4.4    Bij e-mailbericht van 17 februari 2016 heeft verweerder klaagster geïnformeerd dat de brief is bezorgd bij de wederpartij en informeert hij klaagster over telefonisch contact dat hij met de wederpartij heeft gehad. Verweerder vermeldt in dit bericht onder meer dat hij de wederpartij heeft gezegd dat verweerder ‘[z]ijn rol wil beperken om zakelijk tot een afwikkeling te komen (…)’. Verweerder benoemt bij zijn voorstel tot afwikkeling dat het hem verstandig lijkt om hetgeen in privé afgerekend moet worden, te betrekken in de afwikkeling. In het kader van de afwikkeling vraagt hij klaagster meer informatie te verstrekken.

4.5    Per e-mailbericht van 7 april 2016 heeft verweerder aan klaagster opnieuw een aan wederpartij gerichte conceptbrief  toegezonden met het verzoek aan te geven of de brief akkoord is. Klaagster heeft daarop een verzoek tot aanvulling van de brief gedaan, waarna verweerder aan klaagster op 14 april 2016 een nieuw concept heeft gestuurd met de vraag of het zo akkoord is. Daarop heeft klaagster niet meer gereageerd. 

4.6    Verweerder heeft klaagster voor zijn werkzaamheden de volgende nota’s gestuurd:

- factuur 200100859 van 3 maart 2016 ad EUR 334,86;

- factuur 200100975 van 5 april 2016 ad EUR 198;

- factuur 200101044 van 28 april 2016 ad EUR 225;

- factuur 200101361 van 4 augustus 2016 ad EUR 120,01;

- factuur 200101451 van 5 september 2016 ad EUR 690,01.

Klaagster heeft deze facturen onbetaald gelaten.

4.7    Klaagster heeft zich eind juni 2016 tot een andere advocaat, mr. F., gewend. Deze heeft op 11 juli 2016 aan verweerder om overdracht van het dossier gevraagd.

4.8    Op 5 juli 2016 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een brief aan klaagster verzonden met de beschikking, inhoudende een toewijzing van toevoeging. Uit de bijlage bij die beschikking blijkt dat de zaak is aangeduid als ‘beëindiging samenwoning/nevenvorderingen’.

4.9    Bij e-mail van 2 augustus 2016 heeft verweerder klaagster bericht dat het verstandig is op kortere termijn een afspraak te plannen. Verweerder vermeldt dat hij bereid is een betalingsregeling te treffen, mee te werken aan de overdracht van het dossier en nog in afwachting is van een akkoord van klaagster over conceptbrieven.

4.10    Bij e-mail van 5 augustus 2016 heeft (een medewerkster van) van mr. F. aan verweerder bericht: “(…) heeft mevrouw F. het dossier van cliënte nog niet van u mogen ontvangen, ondanks verzoeken daartoe van 11 juli en 26 juli 2016. Zelfs na verzoeken van de vrouw om het dossier over te dragen blijft u in gebreke. U hindert mevrouw F. in de gepaste overname van de zaak.” Op dezelfde dag heeft verweerder aan (het kantoor van) mr. F. bij e-mail geschreven dat hij een verzoek (om afgifte van het dossier) graag van klaagster ontvangt en dat het klaagster vrij staat het dossier persoonlijk op zijn kantoor op te halen.  Ook diezelfde dag, 5 augustus 2016, heeft klaagster per e-mail aan verweerder geschreven dat zij nogmaals verzoekt het dossier aan mr. F. over te dragen.

4.11    Op 8 augustus 2016 – zo blijkt uit de hierna te noemen brief van verweerder aan klaagster van 24 augustus 2016 – heeft verweerder aan klaagster te kennen gegeven dat het fysieke dossier voor haar beschikbaar is op kantoor. Op 16 augustus 2016 is klaagster op het kantoor van verweerder geweest om het dossier op te halen. Verweerder was toen wegens vakantie afwezig. Klaagster heeft toen geen dossier meegekregen. Tussen verweerder en klaagster is op dat moment telefonisch contact gelegd en daarbij is een afspraak gemaakt voor 24 augustus 2016.

4.12    Klaagster heeft de afspraak met verweerder voor 24 augustus 2016 op 23 augustus 2016 afgezegd. Op 24 augustus 2016 heeft verweerder aan klaagster een uitvoerig bericht  gestuurd waarin hij uiteen zet welke werkzaamheden hij voor klaagster heeft verricht. Verweerder vermeldt dat van de openstaande declaraties van op dat moment € 726,93 nog niets is betaald.

4.13    Op 5 september 2016 heeft verweerder aan klaagster een laatste declaratie ten bedrage van € 690,01 gezonden.

4.14    De deken is door verweerder en mr. F. in de kwestie betrokken. De deken heeft op 6 september 2016 aan deze beide advocaten geschreven: “[Klaagster] zal mijns inziens de declaraties van [verweerder] moeten voldoen. Aannemende dat [verweerder] hiertoe bereid is, stel ik voor dat [klaagster] zo spoedig mogelijk contact met hem opneemt om een betalingsregeling te treffen. Zodra die is getroffen, dient [verweerder] het dossier aan mr. F. af te geven.”

4.15    Op 7 september 2016 heeft klaagster per e-mail aan verweerder geschreven dat zij bezwaar indient tegen de laatste nota van verweerder van 5 september 2016, dat zij niet is overeengekomen dat verweerder haar zou bijstaan op basis van een uurtarief en dat klaagster een klacht indient tegen het handelen van verweerder; “Ik heb u meerdere keren gevraagd mijn dossier over te dragen. Deze handeling blijft u uitstellen, waardoor u het geschil tussen mij en mijn ex partner dusdanig frustreerd, waardoor ik met een extra kostenpost zit.” Verweerder heeft daarop dezelfde dag per e-mail, onder toezending van de brief van de deken van 6 september 2016, geantwoord dat hij klaagster in de gelegenheid stelt om binnen zeven dagen een betalingsvoorstel te doen, bij gebreke waarvan hij de declaraties ter incasso aan de deurwaarder zal overdragen.

4.16    Bij e-mailbericht van 29 oktober 2016 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld en gesommeerd de door haar gestelde schade te vergoeden. Voorts verzoekt zij verweerder haar een afschrift te doen toezenden van zijn schrijven aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, waarbij verweerder deze aansprakelijkstelling meldt. Verweerder heeft in zijn reactie diezelfde dag de aansprakelijkheid betwist. Op 31 oktober 2016 heeft verweerder de aansprakelijkstelling gemeld bij de tussenpersoon van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.

4.17    In zijn antwoordmemorie in hoger beroep schrijft verweerder dat klaagster mogelijk niet de beschikking heeft over een aantal scans van overeenkomsten die de wederpartij op 5 maart 2016 aan verweerder had gestuurd. In zijn brief van 24 augustus 2016 aan klaagster memoreerde verweerder al dat de wederpartij aan hem op 5 maart 2016 verschillende documenten heeft gemaild. Bij de behandeling ter zitting bij het hof op 22 juni 2018 waren deze stukken nog niet aan klaagster doorgestuurd.

 

5    BEOORDELING

5.1    De grieven van klaagster tegen de vaststelling van de feiten zijn behandeld doordat het hof hierboven de feiten opnieuw heeft vastgesteld. Voor zover deze vaststelling niet overeenkomt met het standpunt van klaagster worden die grieven verworpen.

5.2    Voor zover klaagster grieven heeft gericht tegen de klachtomschrijving worden die verworpen, nu klaagster (en haar gemachtigde) zich blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de raad hebben aangegeven dat de klachtomschrijving correct is.

5.3    Het hof zal de door klaagster tegen de klachtonderdelen aangevoerde grieven achtereenvolgens behandelen. Daarbij zal het hof ook steeds acht slaan op hetgeen verweerder daartegen heeft aangevoerd.

Klachtonderdeel a, uurtarief en nota

5.4    De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond geacht en daartoe overwogen dat onder de gegeven omstandigheden niet is gebleken van een vaste prijsafspraak. Daartoe overweegt de raad, dat in de opdrachtbevestiging van 9 maart 2016 een uurtarief staat vermeld. Hiertegen heeft klaagster niet geprotesteerd. Eerst in een

e-mail van 7 september 2016 is door klaagster gemeld dat zij het niet eens is met een nota omdat een vaste prijsafspraak zou zijn gemaakt. Op dat moment heeft zij al drie nota’s ontvangen, waartegen niet is geprotesteerd. Het feit dat de opdrachtbevestiging niet is ondertekend door klaagster, betekent niet dat de opdrachtbevestiging niet rechtsgeldig is. De opdrachtbevestiging dient immers als schriftelijke vastlegging van een gemaakte afspraak, waarvoor geen handtekening is vereist, aldus de raad.

5.5    Tegen deze beoordeling voert klaagster als grief aan – zoals het hof dit verstaat, en zakelijk weergegeven – dat de klacht gegrond is nu er niet na een bestede tijd van vijf uren overleg is geweest met klaagster. Het hof overweegt dat het niet nakomen door verweerder van de afspraak dat hij in contact zal treden met klaagster als voor vijf uren werkzaamheden zijn verricht, geen onderdeel van de klacht is. Dit argument kan dus niet leiden tot gegrondbevinding van de klacht dat verweerder zich niet aan een vaste prijsafspraak heeft gehouden, maar een uurtarief heeft gehanteerd. De grief faalt dus.

5.6    Het hof sluit zich aan bij de beoordeling door de raad van klachtonderdeel a. Van een vaste prijsafspraak is niet gebleken.

Klachtonderdeel b, toevoeging

5.7    De raad heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel overwogen dat klaagster in het e-mailbericht van 27 januari 2016 een zakelijk geschil aan verweerder heeft voorgelegd en dat verweerder mocht begrijpen dat het affectieve geschil was beëindigd. De raad is van oordeel dat verweerder er derhalve vanuit mocht gaan dat geen toevoeging zou worden verstrekt. Uit het feit dat mr. F. wel een toevoeging heeft verkregen (die kennelijk ook weer is ingetrokken) is niet zonder meer af te leiden dat verweerder ook een toevoeging had moeten aanvragen, aldus de raad. De raad oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is. 

5.8    Klaagster voert in hoger beroep aan dat de raad heeft miskend dat de bijstand van verweerder ook was gevraagd voor het privégeschil van klaagster met de wederpartij. Dat is volgens klaagster mondeling afgesproken op 2 februari 2016 en blijkt uit de conceptbrief aan de wederpartij van 7 april 2016. Verweerder heeft derhalve verzuimd toevoeging aan te vragen voor het geschil van klaagster, aldus klaagster.

5.9    Verweerder betwist het standpunt van klaagster.

5.10    Het hof is met de raad op de door de raad aangegeven gronden van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Met haar bericht van 27 januari 2016 heeft klaagster aan verweerder uitsluitend een zakelijk geschil voorgelegd. Dat mondeling anders zou zijn besproken tussen klaagster en verweerder is het hof niet gebleken en is niet komen vast te staan. Uit de conceptbrief aan de wederpartij van 7 april 2016, die klaagster ter onderbouwing aanvoert, volgt niet iets anders. Daarin is uitsluitend sprake van voorstellen met betrekking tot de afwikkeling van de VOF. Daarvoor kan, uitzonderingen die hier niet zijn aangevoerd of gebleken daargelaten, geen toevoeging worden afgegeven. De grief wordt dus verworpen.  

Klachtonderdeel c en d, kwaliteit dienstverlening

5.11    De raad heeft klachtonderdelen c en d gezamenlijk behandeld en beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. De raad heeft, in de toets of verweerder heeft voldaan aan hetgeen van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht, voorop gesteld dat het de taak van de advocaat is om de cliënt bij de aanvang van een zaak gedegen voorlichting te geven over de mogelijke scenario’s en de gevolgen daarvan. Verweerder heeft in zijn e-mailbericht van 17 februari 2016 aangegeven welke problemen moeten worden opgelost en welk traject hij daartoe voorstelt. De raad heeft overwogen dat de stelling van klaagster, dat verweerder haar had moeten adviseren zich uit te laten schrijven bij de kamer van koophandel, op gespannen voet zou staan met de insteek van klaagster om het geschil in der minne op te lossen. Bovendien is de raad er niet van  overtuigd dat de aanpak tot uitschrijving van de kamer van koophandel juist zou zijn, omdat beide vennoten aansprakelijk blijven voor de bestaande schulden van de VOF.Voorts is volgens de raad niet gebleken dat verweerder niet eerst conceptbrieven naar klaagster zond. De conceptbrief van 9 februari 2016 is vooraf ter goedkeuring naar klaagster gezonden en zij is op 16 februari 2016 akkoord gegaan met verzending van de brief. Op de conceptbrief die verweerder op 14 april 2016 heeft gestuurd, is het klaagster geweest die niet reageerde. Ook op dit punt treft verweerder geen verwijt, aldus de raad.

5.12    Als grief tegen deze beoordeling heeft klaagster aangevoerd dat verweerder niet heeft gereageerd op de e-mail van klaagster aan verweerder van 9 februari 2016, ‘wat te doen nu de wederpartij gelden van de gezamenlijke rekening aanwendde op goksites en casinobezoeken’. Voorts is verweerder in de brief, die op 16 februari 2016 werd verstuurd, niet ingegaan op de actualiteit en heeft verweerder de reactie van de wederpartij niet in kopie naar klaagster gezonden. De brief van 7 april 2016 is door verweerder niet verzonden aan de wederpartij. Het uitblijven van actie valt verweerder te verwijten, aldus klaagster.

5.13    Verweerder betwist de grieven van klaagster en stelt dat hij klaagster goed heeft geadviseerd, waartoe hij verwijst naar zijn brief van 24 augustus 2018, waarin hij uitgebreid heeft opgesomd welke werkzaamheden hij voor klaagster heeft verricht.

5.14    De raad heeft met juistheid de maatstaf, waaraan het handelen van verweerder moet worden getoetst, voorop gesteld.

Ten aanzien van de verzending van de brieven overweegt het hof dat verweerder vooraf afstemming heeft gezocht met klaagster over de inhoud daarvan. Het staat vast dat hij de eerste brief aan de wederpartij pas heeft verzonden na goedkeuring door klaagster. De tweede brief aan de wederpartij is niet verzonden omdat klaagster, zoals vaststaat, niet meer op het concept heeft gereageerd. Voorts stelt het hof vast dat nu klaagster dit niet heeft betwist, verweerder de in zijn brief van 24 augustus 2016 genoemde werkzaamheden heeft uitgevoerd voor klaagster. Ook daaruit blijkt dat verweerder steeds afstemming met klaagster heeft gezocht over de aanpak van de zaak en te verzenden brieven.

De e-mail van klaagster aan verweerder van 9 februari 2016, waar zij in haar grief op doelt, luidt: “Ps. Er wordt inmiddels door mijn ex geld afgeschreven van de gezamenlijke rekening voor gok sites en Casino bezoeken.” Verweerder heeft dit mogen opvatten als een uiting van ongenoegen van klaagster, waaruit geen verzoek om actie van verweerder blijkt.

5.15    De grieven van klaagster tegen de beoordeling door de raad van de klachtonderdelen c en d worden verworpen.

Klachtonderdeel f, afgifte dossier

5.16    De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond geacht en daartoe overwogen dat klaagster op 16 augustus 2016 het dossier heeft meegekregen, dat verweerder niet klachtwaardig heeft gehandeld door eerst met zijn cliënte te willen spreken alvorens het dossier aan mr. F. te sturen, en dat klaagster het dossier 11 dagen na het verzoek van mr. F. heeft ontvangen zodat niet gesteld kan worden dat zij daardoor is geschaad.

5.17    Klaagster heeft als grief aangevoerd dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat zij haar dossier op 16 augustus 2016 heeft ontvangen. Het dossier is tot op heden nog steeds niet aan haar of aan mr. F. afgegeven. Verweerder had naar klaagster stelt geen recht van retentie op het dossier.

5.18    Verweerder heeft in zijn antwoordmemorie en zijn pleitnota bij het hof gesteld dat er geen lijfelijk dossier maar alleen een digitaal dossier is. Van alle stukken en correspondentie heeft klaagster steeds kopieën ontvangen, zodat zij de beschikking heeft over het hele dossier. Verweerder had de betaling van de facturen en dat dossier willen bespreken met klaagster op 24 augustus 2016, maar die afspraak heeft klaagster afgezegd. Mogelijk heeft klaagster niet de beschikking over drie door de wederpartij op 5 maart 2016 gezonden overeenkomsten, aldus verweerder; daarvoor biedt hij zijn excuus aan. Klaagster liet nota’s onbetaald, waardoor verweerder zich kon beroepen op een retentierecht zoals de deken schreef, aldus verweerder.

5.19    Het hof overweegt als volgt.

5.20    Klaagster heeft haar klacht dat verweerder niet meewerkte aan de overdracht van het dossier aan mr. F. aldus geconcretiseerd, dat zij verweerder verwijt:

- dat zij hem meerdere malen heeft verzocht de stukken aan mr. F. te overhandigen;

- dat verweerder heeft gezegd dat klaagster het dossier kon ophalen omdat het niet digitaal was, terwijl op zijn kantoor bleek dat het niet aan klaagster afgegeven kon worden omdat het digitaal was;

- dat verweerder stukken bij de wederpartij heeft opgevraagd en verkregen, maar nog steeds weigert deze aan klaagster te overhandigen,

- dat verweerder stelt dat zij eerst moet betalen en zich daarbij beroept op de deken, volgens klaagster ten onrechte omdat daar de zaak maar van één kant is belicht.

5.21    Het hof is, anders dan de raad, van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is. Verweerder heeft de hiervoor genoemde door klaagster aan hem verweten gedragingen in feite niet betwist. Het staat tussen partijen vast dat klaagster niet, zoals de raad overweegt, op 16 augustus 2016 het dossier overhandigd heeft gekregen zodat zij ook niet 11 dagen na het verzoek van mr. F. – die daar overigens niet pas op 5 augustus 2016 maar al op 11 juli 2016 om had gevraagd – over het dossier beschikte.

5.22    Het staat ook vast dat klaagster en mr. F. beiden tevergeefs meerdere malen om afgifte van het dossier hebben gevraagd. Klaagster is daarbij op verwarrende wijze door verweerder geïnformeerd doordat verweerder haar niet duidelijk heeft gezegd of het dossier nu alleen in digitale vorm bestond, of (ook) in fysieke vorm. Ook in de tuchtprocedure is dat tot aan de zitting van het hof onduidelijk gebleven; in zijn brief van 24 augustus 2016 schrijft verweerder immers dat klaagster op 16 augustus 2016 het dossier op kantoor heeft opgevraagd en heeft meegekregen – hetgeen overigens onjuist is, maar suggereert dat er een fysiek dossier is -, in zijn pleitnota bij de raad schrijft verweerder dat kort na zijn brief aan klaagster van 24 augustus 2016 de overdracht van de stukken plaatsvond, terwijl hij in zijn antwoordmemorie schrijft dat er geen sprake is van een lijfelijk dossier. Ook de raad is kennelijk uitgegaan van het bestaan van een fysiek dossier. Door erkenning door verweerder staat uiteindelijk vast dat het om een digitaal dossier gaat. Verder staat vast dat verweerder in elk geval een aantal reeds op 5 maart 2016 door hem ontvangen scans van overeenkomsten – belangrijke stukken in het geschil van klaagster met de wederpartij - niet aan klaagster heeft doorgestuurd. Verweerder vermeldt daarbij dat hij dat pas bij het nalopen van het dossier in het kader van de behandeling van de tuchtzaak bij het hof heeft geconstateerd; dat zorgvuldig nalopen van het dossier is naar het oordeel van het hof veel te laat gebeurd, in aanmerking genomen dat de discussie over afgifte van het dossier al van twee jaar geleden dateert.

5.23    Naar het oordeel van het hof beroept verweerder zich ter rechtvaardiging van het achterhouden van het dossier ten onrechte op de deken. De deken is kennelijk begin september 2016 benaderd door mr. F. en heeft zijn informatie daarnaast verkregen van verweerder, maar uit de – in zoverre niet weersproken – klacht van klaagster begrijpt het hof dat klaagster daarbij niet betrokken is geweest.

5.24    Toen de deken op 6 september 2016 als zijn mening gaf dat klaagster een afbetalingsregeling zou moeten treffen en dat verweerder daarna het dossier moest afgeven, was hij er uiteraard niet van op de hoogte dat klaagster de dag daarna bij verweerder bezwaar maakte tegen de declaratie van 5 september 2016 en een klacht tegen verweerder aankondigde. Uiteraard geeft de deken geen advies dat tegen regelgeving en jurisprudentie ingaat. Bovendien houdt een advocaat te allen tijde een eigen verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

5.25    Het hof wijst er in dat verband op dat Gedragsregel 28 lid 2 – inhoudelijk identiek aan de in 2016 nog geldende Gedragsregel 22 lid 2 - inhoudt dat als de declaratie van de eerste advocaat niet is betaald en deze zich op zijn retentierecht beroept, hij niettemin verplicht is het dossier op verzoek van zijn cliënt aan de opvolgende advocaat af te geven onder door de deken te stellen voorwaarden.

5.26    De situatie ontwikkelde zich dus al snel anders dan waarvan de deken kon uitgaan, zodat verweerder de brief van de deken niet mocht beschouwen als een vrijbrief om hoe dan ook eerst betaling van alle verzonden declaraties te verlangen alvorens hij het (volledige) dossier hoefde af te geven. Verweerder had ook de deken opnieuw kunnen benaderen met het verzoek voorwaarden te stellen zoals Gedragsregel 28 lid 2 aangeeft, maar dat heeft hij niet gedaan.

Daarnaast is het wrang dat verweerder er veel later, pas in het kader van deze tuchtprocedure, achter kwam dat blijkens de opdrachtbevestiging is afgesproken dat verweerder met klaagster in contact zou treden als voor 5 uren werkzaamheden zouden zijn verricht, hetgeen niet is gebeurd. Daaruit heeft verweerder de conclusie getrokken dat hij zijn declaraties beperkt tot een bedrag van in totaal € 495,-, waaraan verweerder overigens ten tijde van de zitting bij het hof nog geen uitvoering had gegeven.

5.27    Het hof komt tot het oordeel dat klachtonderdeel f gegrond is.

Klachtonderdeel g, aansprakelijkstelling

5.28    De grief van klaagster tegen klachtonderdeel g in de beslissing van de raad wordt verworpen. Het hof overweegt dat het onderzoek in hoger beroep, aan de hand van de door klaagster aangevoerde grieven en het verweer van verweerder, niet heeft geleid tot een andere beoordeling dan de raad. Het hof merkt overigens op dat het niet ongebruikelijk is dat een melding aan een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar via een tussenpersoon wordt gedaan.

Maatregel

5.29    Nu klachtonderdeel f gegrond is verklaard,  zal het hof aan verweerder een waarschuwing opleggen.

5.30    Het hof overweegt ten slotte dat hij er kennis van heeft genomen dat verweerder aan klaagster alsnog de (digitale) stukken, die hij op 5 maart 2016 van de wederpartij heeft ontvangen, zal toezenden, en dat verweerder heeft toegezegd zijn declaraties te beperken tot een bedrag van EUR 495 in totaal.

Kostenveroordeling

5.31    Omdat het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet  verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

5.32    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a) € 50 reiskosten aan klaagster;

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

5.33    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken  na deze uitspraak betalen aan klaagster. Klaagster moet daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerder.

5.34    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1000 binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2018 onder nummer 17-552, voor zover daarbij klachtonderdeel f ongegrond werd verklaard, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart klachtonderdeel f gegrond en legt aan verweerder op de maatregel van waarschuwing;

bekrachtigt deze beslissing voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof voorgelegd;

veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van € 50 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Aldus gewezen door mr. P.M.A. de Groot-van Dijken, voorzitter, mrs. M.L. Weerkamp en E.L. Pasma, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2018.

griffier    voorzitter    

       

De beslissing is verzonden op 20 augustus 2018.