Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-09-2018

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2018:202

Zaaknummer

18-474/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat de kwaliteit van de dienstverlening onder de maat was of dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het neerleggen van de aan hem verstrekte opdracht.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 5 september 2018

in de zaak 18-474/DH/RO

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 14 juni 2018 met kenmerk

R 2018/38 ks/mb, door de raad ontvangen op 15 juni 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerder heeft klager in de periode van 2014 tot 22 februari 2017 in verschillende straf- en civielrechtelijke procedures bijgestaan. Klagers wederpartijen in de civielrechtelijke procedures waren onder meer de heer W., de heer S., de gemeente G. en Stichting X.

1.2    In een strafzaak waarin klager werd verdacht van stalking heeft verweerder de rechtbank op 25 september 2015 verzocht 17 getuigen te horen. Hiervan zijn 13 getuigen toegewezen en 4 getuigen afgewezen. Nadat verweerder tegen deze afwijzing een bezwaarschrift had ingediend, zijn er nog drie getuigen toegewezen.

1.3    Verweerder heeft klager op 4 februari 2016 bijgestaan tijdens één van de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris.

1.4    Bij brief van 20 mei 2016 is klager verzocht om op 31 mei 2016 op het politiebureau te Z. te verschijnen. Op 31 mei 2016 is vervolgens de strafzaak tegen klager geseponeerd, waarna binnen drie maanden een verzoek op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kon worden ingediend. Verweerder heeft op 26 juli 2016 een dergelijk verzoekschrift opgesteld, dat op 17 september 2016 door klager is ondertekend. De griffie van de rechtbank heeft het verzoekschrift op 29 september 2016 (te laat) ontvangen.

1.5    Op 30 september 2016 heeft een strafzitting plaatsgevonden. Klager werd op die zitting – als verdachte – bijgestaan door verweerder. Bij vonnis van 14 oktober 2016 is klager vrijgesproken van de ten laste gelegde smaad en veroordeeld voor de ten laste gelegde stalkingen.

1.6    Op 28 december 2016 heeft verweerder namens klager een accountantskantoor gedagvaard met als doel de opheffing van beslagen. De mondelinge behandeling van het kort geding vond plaats ter zitting van 3 februari 2017. Verweerder heeft klager op die zitting bijgestaan. Klager heeft de kantonrechter op die zitting verzocht de eigenaar van het accountantskantoor te arresteren. Aangezien de kantonrechter dit niet wilde doen, heeft klager haar gewraakt.

1.7    Bij brief van 5 januari 2017 heeft verweerder klager de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 591a Sv toegezonden, waarin klager niet-ontvankelijk is verklaard omdat het verzoek te laat was ingediend.

1.8    Klager heeft verweerder verzocht namens klager hoger beroep in te stellen in de procedure tegen de gemeente G. Op 6 februari 2017 heeft verweerder klager bericht dat hij dat niet ging doen. 

1.9    Op 9 februari 2017 heeft klager een bezoek gebracht aan het kantoor van verweerder. Verweerder was die dag niet aanwezig. Klager heeft verweerder diezelfde dag een brief geschreven met onder meer de volgende tekst:

“(…) Beste [verweerder], ik denk dat onder jouw medewerkers ‘ratten’ zitten. Dat jij mij bedondert, we hebben het er eerder over gehad, (…)

(…)

[Verweerder] alsjeblieft, laat me niet ‘stikken’. (…)”

1.10    Bij brief van 14 februari 2017 heeft klager verweerder verzocht het wrakingsverzoek met betrekking tot de kantonrechter (zie hiervoor bij randnummer 1.6) te ondertekenen. Verweerder heeft dat geweigerd.

1.11    Bij brief van 16 februari 2017 aan klager heeft verweerder aangekondigd dat hij zich zou onttrekken aan alle zaken van klager.

1.12    Bij brief van 20 februari 2017 heeft verweerder de rechtbank en de advocaat van de wederpartij in de kortgedingprocedure kenbaar gemaakt dat hij klager niet steunde in zijn wrakingsverzoek en hen in kennis gesteld van de vertrouwensbreuk en zijn onttrekking als advocaat.

1.13    Op 22 februari 2017 heeft verweerder zich officieel aan alle zaken van klager onttrokken.

1.14    Bij brieven van 9 maart, 14 maart, 3 april, 26 mei, 2 juni en 8 juni 2017 heeft klager bij de deken klachten ingediend over verweerder.

1.15    Op 30 augustus 2017 heeft een bemiddelingsgesprek tussen klager en verweerder plaatsgevonden op het Bureau van de Rotterdamse Orde van Advocaten. Bij dit gesprek waren ook de deken en een stafjurist aanwezig. Dit gesprek heeft niet tot een oplossing geleid. Tijdens deze bespreking is afgesproken dat de klacht zou worden beperkt tot hetgeen hierna bij randnummers 2.1 en 2.2 is opgenomen.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    hij ten onrechte de samenwerking wegens een vertrouwensbreuk heeft beëindigd;

b)    als gevolg van deze beëindiging de termijnen in vier dossiers, te weten inzake de gemeente G., de heer W., de heer S. en Stichting X zijn verlopen, zodat verweerder zijn werkzaamheden op een onzorgvuldige wijze heeft beëindigd;

c)    de door verweerder aan klager geleverde rechtsbijstand onvoldoende was.

2.2    Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft klager aangevoerd dat zijn strafzaak eind 2015, over stalking en smaad, op nagenoeg alle punten is verloren. In deze zaak is een aantal getuigen gehoord en verweerder heeft tijdens deze getuigenverhoren – zonder overleg met klager – niet de door klager aangeleverde vragenlijst gebruikt, maar een eigen vragenlijst. Verder heeft verweerder klager vóór de zomer van 2016 nimmer geïnformeerd over de mogelijke kansen en risico’s inzake het slagen/verliezen in een bepaalde procedure. Bovendien had verweerder zich ten behoeve van de behandeling van het kort geding op 3 februari 2017 niet goed voorbereid; hij was moe en hij had geen schriftelijk pleidooi.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft aangevoerd dat klager vanaf het moment dat verweerder hem heeft verzocht openstaande facturen te voldoen, agressief is geworden en weigert de facturen te voldoen.

3.2    Nadat klager er veelvuldig op was geattendeerd dat zijn vele telefoontjes en brieven aan verweerder niet welkom waren en dat het zonder afspraak op het kantoor van verweerder langskomen niet werd gewaardeerd, heeft klager op 9 februari 2017 onverwachts een bezoek gebracht aan het kantoor van verweerder. Klager wist dat verweerder op dat moment op vakantie was. Klager heeft tijdens zijn bezoek een medewerkster van het kantoor van verweerder op agressieve toon onheus bejegend en haar meegedeeld dat het kantoor hem bedonderde en dat er zich onder de medewerkers ratten bevonden. Dit vond verweerder de zoveelste overschrijding van hetgeen betamelijk is, zodat hij de conclusie moest trekken dat sprake was van een vertrouwensbreuk. Dit heeft tot gevolg gehad dat verweerder zich heeft onttrokken aan alle zaken van klager.

3.3    Het is niet aan verweerder te wijten dat het verzoekschrift op grond van artikel 591a Sv van 26 juli 2016 uiteindelijk te laat is ingediend. Aan klager was een winkelverbod bij het plaatselijke postkantoor opgelegd en klager wenst geen aangetekende stukken te ontvangen. Daarnaast heeft klager geen e-mailadres. Uiteindelijk heeft verweerder het verzoekschrift tot drie keer toe aan klager gezonden, waarna het verzoekschrift te laat door klager retour is gezonden.

3.4    Het pleidooi op 3 februari 2017 was mondeling. Verweerder had zich wel degelijk op de zaak voorbereid. Het betrof een kort geding waarin door de wederpartij nog geen conclusie van antwoord was genomen, waardoor de voorbereiding van een schriftelijk stuk onmogelijk was en bovendien niet noodzakelijk.

3.5    Verweerder heeft klager diverse malen gewezen op de haalbaarheid van de verschillende zaken. Klager wenst nog tientallen andere zaken aanhangig te maken, waaronder tegen het plaatselijke krantje, diverse Tweede Kamerleden en de gemeente R. Verweerder heeft klager laten weten dat deze zaken kansloos zijn en niet door verweerder zullen worden opgepakt.

3.6    Voor het overige komt het verweer – waar nodig – aan de orde bij de beoordeling van de klacht.

 

4    BEOORDELING

Klachtonderdelen a) en b)

4.1    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 

4.2    Een advocaat is niet gehouden om alle wensen van zijn cliënt in te willigen. Indien tussen de advocaat en zijn cliënt een verschil van mening bestaat en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken. Het bestaan van wederzijds vertrouwen tussen een advocaat en een cliënt is immers essentieel voor een behoorlijke beroepsuitoefening. Wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dient hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.

4.3    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder, gelet op de door hem geschetste situatie, correct gehandeld door zijn werkzaamheden voor klager neer te leggen. Duidelijk is dat er tussen klager en verweerder een onoverbrugbare vertrouwensbreuk was ontstaan. Van een advocaat kan niet worden verwacht dat hij een cliënt blijft bijstaan die – ondanks waarschuwingen – onaangekondigd op het kantoor van de advocaat verschijnt en vervolgens de op dat kantoor werkzame personen onheus bejegent en aanduidt als ‘ratten’ (zie ook de brief van klager aan verweerder van 9 februari 2017, randnummer 1.9).

4.4    Op basis van het klachtdossier is bovendien niet komen vast te staan dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het neerleggen van zijn werkzaamheden voor klager. Verweerder heeft deze stelling van klager immers gemotiveerd betwist en klager heeft zijn stelling dat diverse termijnen zijn verstreken, niet met bewijs gestaafd. De klacht faalt in zoverre.

Klachtonderdeel c)

4.5    De tuchtrechter heeft gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daar over klaagt. Wel zal de tuchtrechter rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes – zoals over procesrisico en kostenrisico – waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en de cliënt daarover te informeren. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. De voorzitter zal het handelen van verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

4.6    De stelling dat de door verweerder aan klager verleende rechtsbijstand onder de maat was, is door verweerder gemotiveerd en onderbouwd betwist en door klager niet gestaafd met bewijs. Het onderhavige klachtdossier bevat geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van klager. Derhalve kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerder niet heeft voldaan aan de hiervoor bij randnummer 4.5 genoemde professionele standaard. 

4.7    Nu niet is gebleken van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen van verweerder, is de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. A. Tijs als griffier op 5 september 2018.