Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-10-2018

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2018:162

Zaaknummer

18-611/DB/LI

Inhoudsindicatie

Klaagschrift is ingediend nadat de termijn ex artikel 46g lid 1 Advocatenwete is verstreken. Niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van 22 oktober  2018

in de zaak 18-611/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

klaagster

 

 

over:

 

verweerder

 

 

De (plaatsvervangend) voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 6 augustus 2018 met kenmerk K18-012, door de raad ontvangen op 7 augustus 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1             FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1      Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een procedure tegen X. De gemachtigde van klaagster, verder te noemen H,  is bestuurder en enig aandeelhouder van klaagster. Tussen klaagster en X zijn  afspraken gemaakt uit hoofde waarvan klaagster een geldsom aan X verschuldigd was. Op 11 december 2013 is door X conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van klaagster. X heeft op 20 december 2013 een drietal vennootschappen van H gedagvaard om op 8 januari 2014 ter openbare terechtzitting van de rechtbank te verschijnen. Op 24 december 2013 is door klaagster een bedrag van € 24.383,47 (bestaande uit de hoofdsom ad € 23.572,00 en € 811,47 kosten) overgemaakt op de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder.

1.2      De raadsman van X heeft bij fax van 31 december 2013 aan verweerder bericht dat klaagster een bedrag van in totaal € 27.359,71 (bestaande uit een hoofdsom ad € 23.572,00 vermeerderd met rente en kosten) verschuldigd was aan X. Verweerder heeft per email van 31 december 2013 aan H bericht dat de berekening van de raadsman van X van het door klaagster aan X verschuldigde bedrag juist was. Verweerder heeft per fax van 3 januari 2014 namens klaagster aan de advocaat van X bericht dat klaagster bereid was om tegen finale kwijting over te gaan tot betaling van het bedrag ad € 24.383,47 vermeerderd met de wettelijke rente tot 1 januari 2014.

1.3      Op 8 januari 2014 is het bedrag van € 24.383,47 van de derdengeldrekening van het kantoor van verweerder overgemaakt naar de rekening van het kantoor van de advocaat van X. Het restantbedrag van € 2.982,30 is op 8 januari 2014 door klaagster  voldaan.

1.4      Verweerder heeft per email van 3 februari 2014 aan H verzocht om hem een kopie van de dagvaarding die betrekking heeft op de procedure bij de kantonrechter te doen toekomen. H antwoordde per email van eveneens 3 februari 2014 onder meer: “Ik breng de stukken bij je langs”.

1.5      Bij brief van 29 december 2017, door het bureau van de orde van advocaten in het arrondissement Limburg ontvangen op 4 januari 2018,  heeft H namens klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

 

2             KLACHT

2.1       De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

verweerder de gelden die door klaagster op 24 december 2013 op de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder zijn gestort niet direct heeft doorbetaald aan de wederpartij, ten gevolge waarvan de wederpartij een rechtszaak is gestart die tot onnodige kosten voor klaagster heeft geleid.

 

3             VERWEER

3.1       Klaagster heeft verweerder geen opdracht gegeven om het door klaagster  op 24 december 2013 gestorte bedrag van € 24.383,47 direct door te betalen. Klaagster heeft verweerder vervolgens verzocht om een regeling te treffen. Verweerder heeft klaagster er op gewezen dat het niet verstandig was om het op een procedure te laten aankomen. Verweerder heeft pas op 7 januari 2014 van H de opdracht gekregen om de op de derdengeldenrekening ontvangen gelden door te betalen, wat op 8 januari 2014 is gebeurd. Het restantbedrag is door klaagster eveneens op 8 januari 2014 aan X voldaan. 

 

4             BEOORDELING

4.1      Ingevolge het bepaalde in artikel 46 g lid 1 Advocatenwet wordt een klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De klacht heeft betrekking op gedragingen van verweerder in de periode 24 december 2013 – 8 januari 2014. Klaagster is er vanaf 8 januari 2014 mee bekend dat de doorbetaling door het kantoor van verweerder op 8 januari 2014 is geschied en dat door X een procedure aanhangig is gemaakt. Het klaagschrift is ingediend op 4 januari 2018, derhalve nadat de in artikel 46g lid 1 bedoelde termijn is verstreken.

4.2      Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

 

BESLISSING

 

De voorzitter verklaart:

 

de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

 

Aldus beslist door mr. M.M.T. Coenegracht, voorzitter, met bijstand van mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier op 22 oktober 2018.

 

 

Griffier                                            Voorzitter

 

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

 

Deze beslissing is in afschrift op 22 oktober 2018

                                                                        

verzonden aan:

-              klaagster

-              verweerder

-               de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg

 

 

Ingevolge artikelen 46j en 46h van de Advocatenwet kunnen klaagster, verweerder en de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement  Limburg binnen dertig dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch Postbus 1190, 4801 BD Breda.  Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift ( in tweevoud ) waarin de gronden van het verzet gemotiveerd worden omschreven. In het verzetschrift moet u uitleggen waarom u het niet eens bent met de beslissing van de voorzitter dat de klacht kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. U mag daarin ook nader toelichten waarom de klacht volgens u gegrond is.

De termijn van dertig dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het verzetschrift dus ontvangen zijn op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van dertig dagen is niet mogelijk.

Informatie ook op raadvandiscipline.nl