Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

14-11-2018

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2018:248

Zaaknummer

18-515/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Den Haag van 14 november 2018

in de zaak 18-515/DH/RO

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

tegen:

 

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 25 juni 2018 met kenmerk R 2018/41 edl/mb, door de raad ontvangen op 28 juni 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klaagster heeft de gemeente Rotterdam in 2015 een brief gezonden met het verzoek haar naam te zuiveren van een onterechte beschuldiging van het veroorzaken van een ernstig incident.

1.2    Omdat de gemeente niet reageerde heeft klaagster zich tot verweerder gewend met het verzoek haar bij te staan.

1.3    Verweerder heeft de gemeente een brief gezonden en is vervolgens een procedure begonnen bij de rechtbank Rotterdam, sector kanton. Ter zitting van 1 september 2016 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de sector civiel.

1.4    Kort hierna heeft verweerder aangegeven klaagster niet langer te willen bijstaan.

1.5    Bij brief van 14 november 2017 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk, bekwaam en integer advocaat behoort te handelen. Klaagster is van mening dat verweerder vele malen verkeerde keuzes heeft gemaakt bij de behandeling van de zaak en dat hij niet eerlijk en niet transparant met haar heeft gecommuniceerd. Volgens klaagster had verweerder bij aanvang van het dossier eerlijk moeten vertellen welke mogelijkheden er waren in plaats van zelf te bepalen wat er gedaan moest worden en had hij sneller en efficiënter moeten werken. Tevens verwijt klaagster verweerder dat hij voor het verzenden aan haar en de gemeente gebruik heeft gemaakt van WeTransfer, waarmee hij haar privacy heeft aangetast.

2.2    Bij brief van 15 december 2017 heeft klaagster, naar de voorzitter begrijpt, haar klacht uitgebreid met het verwijt dat verweerder in de onderhavige klachtprocedure correspondentie tussen hem en klaagster heeft ingebracht die geen onderdeel mag uitmaken van het klachtdossier.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd, op welk verweer de voorzitter waar nodig hierna zal ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daarover klaagt. Wel zal de tuchtrechter rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar hij bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan.

4.2    De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor komt te staan is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van zijn opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door zijn advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen de processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.

4.3    Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de door klaagster overgelegde stukken niet, althans onvoldoende, dat verweerder zich jegens haar niet integer of onbehoorlijk heeft opgesteld. Evenmin blijkt daaruit dat de adviezen van verweerder onbegrijpelijk of onjuist waren. Hij heeft de zaak weliswaar ten onrechte aangebracht bij de sector kanton, maar klaagster is daardoor - gelet op de verwijzing door de kantonrechter - niet in haar belangen geschaad. Dat de procedure door deze verwijzing enige vertraging heeft opgelopen acht de voorzitter van onvoldoende gewicht.

4.4    Anders dan verweerder is de voorzitter van oordeel dat het gebruik van WeTransfer om bestanden te verzenden, niet volledig veilig is. Verboden is het echter niet. Hoewel het gebruik van deze dienst dient te worden vermeden, heeft er blijkens de zich in het dossier bevindende stukken geen datalek plaatsgevonden. De belangen van klaagster zijn door het gebruik ervan dus niet geschaad.

4.5    Voor wat betreft het verwijt van klaagster dat verweerder in onderhavige klachtprocedure tussen partijen gevoerde correspondentie heeft ingebracht, is de voorzitter van oordeel dat het verweerder vrij staat zich in de klachtprocedure te verweren en daarbij ter onderbouwing de tussen partijen gevoerde correspondentie over te leggen.

4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M.M.C. van der Sanden als griffier op 14 november 2018