Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-12-2018

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2018:244

Zaaknummer

18-796/A/A/D

Inhoudsindicatie

Gegrond dekenbezwaar. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarde integriteit door cliënten en derden ertoe te bewegen betalingen aan hem te doen, terwijl de betaalde bedragen aan zijn kantoor toebehoorden, en door deze onregelmatigheden te trachten te verbergen door bankafschriften te vervalsen. Hiermee heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Schrapping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 20 december 2018

in de zaak 18-796/A/A/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

de heer mr. E.J. Henrichs in zijn hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

over:

    

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 8 oktober 2018 met kenmerk 4018-667252, door de raad ontvangen op 11 oktober 2018, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna de deken) zijn bezwaar ter kennis van de raad gebracht. Het bezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 26 november 2018 in aanwezigheid van de deken en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.2 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken aan de raad met de bijlagen 1 tot en met 4.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 Verweerder is op 9 november 2010 als advocaat beëdigd en was sindsdien verbonden aan het kantoor van F Advocaten (hierna het advocatenkantoor).

2.2 In verband met gerezen vermoedens van onregelmatigheden bij het in rekening brengen van zijn werkzaamheden aan cliënten, heeft het advocatenkantoor een accountantskantoor opdracht gegeven onderzoek te doen naar de werkzaamheden van verweerder en de daarbij behorende geldstromen. Op 15 juni 2018 heeft het accountantskantoor een rapport uitgebracht.

2.3 Uit het rapport van het accountantskantoor zijn onregelmatigheden naar voren gekomen, er onder meer uit bestaande dat verweerder aan cliënten en derden (een rechtsbijstandsverzekeraar en de Raad van Arbitrage) heeft verzocht bedragen over te maken naar zijn privérekening ter vergoeding van zijn werkzaamheden. Daarnaast hebben afboekingen van uren in dossiers plaatsgevonden en zijn kortingen doorgevoerd, waarover verweerder geen overleg met of toestemming van de sectiemanager van het advocatenkantoor had gevraagd.

2.4 Naar aanleiding van het onderzoek heeft het advocatenkantoor verweerder bij brief van 19 juni 2018 op staande voet ontslagen.

2.5 Op 21 juni 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de deken en verweerder.

2.6 Op 1 juli 2018 heeft verweerder het advocatenkantoor meegedeeld dat hij (kopieën van) bankafschriften die hij in het kader van het onderzoek door de accountant op 28 juni 2018 had verstrekt, had bewerkt. Het accountantskantoor heeft op verzoek van het advocatenkantoor een vervolgonderzoek gedaan. Daaruit is inderdaad gebleken dat een aantal bankafschriften was bewerkt en dat verweerder – in aanvulling op de reeds door hem gedane opgave – nog een bedrag onder zich hield dat aan het advocatenkantoor toekwam. Daarnaast heeft het advocatenkantoor geconstateerd dat verweerder op 11 juni 2018 vanuit zijn zakelijke e-mailaccount een declaratie aan een rechtsbijstandverzekeraar had verzonden, waarop hij het rekeningnummer van het advocatenkantoor had vervangen door zijn eigen rekeningnummer.

2.7 Bij brief van 11 juli 2018 heeft het advocatenkantoor verweerder nogmaals (voorwaardelijk) op staande voet ontslagen.

2.8 Op 5 juli 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de deken en verweerder.

2.9 Op 8 augustus 2018 heeft verweerder zich van het tableau laten schrappen.

3 BEZWAAR

3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) zich gelden die door cliënten en derden in verband met de verrichte werkzaamheden aan het kantoor dienden te worden voldaan, toe te eigenen door deze aan hem in privé uit te laten betalen;

b) (daartoe) op declaraties naar cliënten en wederpartijen/derden het rekeningnummer van het advocatenkantoor te vervangen door zijn privérekeningnummer;

c) (kopieën) van bankafschriften ten behoeve van het onderzoek door de accountant te bewerken om – nadat een vermoeden was ontstaan ten aanzien van de hiervoor genoemde gedragingen – deels te verbergen dat hij zich gelden die het advocatenkantoor toekomen, had toegeëigend;

d) incorrecte dan wel onvolledige opgave aan het advocatenkantoor te doen van ten onrechte door hem ontvangen gelden die aan het advocatenkantoor toekomen.

4 BEOORDELING

4.1 Verweerder heeft erkend dat hij cliënten en derden ten onrechte bedragen in privé heeft laten uitbetalen en dat hij dat deed door per e-mail zijn eigen rekeningnummer op te geven. Verweerder heeft tevens erkend dat hij op een declaratie aan een derde het rekeningnummer van het advocatenkantoor heeft vervangen door zijn eigen rekeningnummer. Ook heeft verweerder erkend dat hij op 28 juni 2018 bewerkte rekeningafschriften aan het advocatenkantoor heeft gestuurd. Dit betekent dat de verschillende bezwaaronderdelen gegrond zijn.

5 MAATREGEL

5.1 Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarde integriteit door cliënten en derden ertoe te bewegen betalingen aan hem te doen, terwijl de betaalde bedragen aan zijn kantoor toebehoorden, en door deze onregelmatigheden te trachten te verbergen door bankafschriften te vervalsen. Hiermee heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad.

5.2 Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt de raad dat verweerder ter zitting nader heeft toegelicht dat werkdruk in combinatie met privéproblemen ertoe hebben geleid dat hij heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld. Verweerder heeft hier veel spijt van en betreurt de schade die hij heeft aangericht. Verweerder heeft alle gelden aan het advocatenkantoor terugbetaald, inclusief een schadevergoeding en vergoeding van de kosten van het accountantskantoor, en heeft inmiddels hulp gezocht bij een coach. Verweerder heeft voorts een oud-collega van hem, mr. V, bereid gevonden om hem, als hij op enig moment weer als advocaat werkzaam zou willen zijn, onder toezicht te nemen. Hoewel de raad de kans op herhaling gelet op hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard gering acht, is de raad van oordeel dat niet met minder kan worden volstaan dan met een schrapping. De raad gaat ervan uit dat, bij de beoordeling van een eventueel verzoek van verweerder om terug te keren in de balie, de raad van de orde kennis neemt van de hele beslissing van de raad, inclusief het proces-verbaal, en niet alleen van het dictum.

6 KOSTENVEROORDELING

6.1  Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b)  € 500 kosten van de Staat.

6.2  Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

6.3 Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het dekenbezwaar gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

-  veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 6.2;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 6.3.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. P. van Lingen. B.J. Sol, M.W. Schüller en C. Wiggers, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2018.

Griffier Voorzitter

 

 

Deze beslissing is in afschrift op 20 december 2018 verzonden.