Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-11-2017

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2017:234

Zaaknummer

17-749/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat in asielprocedure kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 24 november 2011

in de zaak 17-749/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 13 september 2017 met kenmerk K087 2017 dk/mk, door de raad ontvangen op 14 september 2017 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerster heeft klager bijgestaan bij zijn asielaanvraag, een zogenaamde Algemene Asielprocedure (AA-procedure).

1.2    In de periode waarin klager zijn asielaanvraag deed hield de IND een pilot waarbij asielzoekers de gelegenheid kregen om hun asielrelaas in drie A4-tjes weer te geven. Klager heeft aan deze pilot deelgenomen.

1.3    Op 15 oktober 2016 heeft klager bij de IND een verblijfsvergunning aangevraagd.

1.4    Bij brief van 10 november 2016 van de Raad voor Rechtsbijstand is klager uitgenodigd voor een gesprek op 22 november 2016 met verweerster.

1.5    Op 28 november 2016 heeft klager verweerster per e-mail een link gestuurd naar een website. Klager heeft daarbij vermeld dat de link ziet op een zaak waarover hij verweerster die dag heeft verteld “confirming the ferocity and inhumanity of Hezbollah”.

1.6    Bij besluit van 5 december 2016 heeft de IND de aanvraag van klager afgewezen, omdat de IND ─ zakelijk weergegeven ─ een belangrijk deel van het asielrelaas van klager niet geloofwaardig acht.

1.7    Klager heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Klager is daarbij bijgestaan door een andere advocaat dan verweerster. De rechtbank heeft het beroep bij beslissing van 3 januari 2017 gegrond verklaard, omdat ─ zakelijk weergegeven ─ onduidelijk is hoe de IND is omgegaan met het asielrelaas van klager en omdat niet duidelijk is of het asielrelaas goed is weergegeven.

1.8    Bij brief van 11 april 2017 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster heeft geweigerd de vertaling van het asielrelaas te laten corrigeren.

b)    Verweerster heeft geweigerd de vertaling van het verslag van het tweede gesprek met de IND te corrigeren.

c)    Verweerster heeft geweigerd de IND te attenderen op een vergelijkbare casus.

d)    Verweerster heeft klager beledigd en naar hem geschreeuwd.

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht van klager ziet in de kern op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. Bij de beoordeling van de kwaliteit van dienstverlening geldt dat rekening moet worden gehouden met de vrijheid die een advocaat toekomt ten aanzien van de wijze waarop de zaak wordt behandeld en van de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak komt te staan. De advocaat is daarbij niet gehouden om de wensen van de cliënt zonder meer in te willigen. Het ligt wel op de weg van de advocaat om, als hij niet aan de wens van de cliënt tegemoet komt, hierover uitleg te geven.

Klachtonderdeel a)

4.2    Volgens klager heeft de Libanese vertaler fundamentele fouten gemaakt in de vertaling van zijn asielrelaas. De fouten hebben ertoe geleid dat de IND voor klager negatief heeft beslist op zijn asielaanvraag. De vertaler liet klager vele malen zijn sympathie voor Hezbollah blijken.

4.3    Verweerster heeft aangevoerd dat zij klager heeft gewezen op de voordelen van de het op schrift stellen van zijn asielrelaas, namelijk dat hij daarbij de tijd had om na te denken over wat hij daarover wilde zeggen. Verweerster heeft klager ook gewezen op de nadelen. Verweerster heeft de keuze om deel te nemen aan de pilot bij klager gelaten. Volgens verweerster meende klager dat hij in staat was om zijn asielrelaas op schrift te stellen. Verweerster heeft het asielrelaas met klager doorgenomen en hem gewezen op het belang om chronologisch en gedetailleerd te vertellen. Verweerster heeft klager verteld wat hij tijdens het eerste en het nadere gehoor met de IND kon verwachten. Verweerster heeft klager aanwijzingen gegeven over hoe hij zijn asielrelaas moest vormgeven, maar heeft hem niet geholpen bij het op schrift stellen ervan. Verweerster heeft het asielrelaas aan het einde van het eerste gehoor met klager besproken. Verweerster heeft klager toen gevraagd of hij zeker was van het asielrelaas en of hij er zeker van was “dat het werd ingeleverd bij de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor”. Volgens verweerster was klager er zeker van.

4.4    In het licht van het uitvoerige verweer van verweerster, dat waar het de gevolgde aanpak van de procedure aangaat door klager niet als zodanig is weersproken, moet worden aangenomen dat verweerster bij haar bijstand aan klager rondom het opstellen van zijn asielrelaas de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en heeft gehandeld zoals het een behoorlijk handelend advocaat betaamt.

4.5    Voor zover de tolk fouten heeft gemaakt lag het op de weg van klager om daarvan tijdens of dadelijk na het gehoor melding te maken bij verweerster. Gesteld noch gebleken is dat klager dit heeft gedaan. Verweerster kan, deze omstandigheid in aanmerking genomen, niet verantwoordelijk worden gehouden voor de eventuele fouten van de tolk. Klachtonderdeel a is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.6    Volgens klager werden in het tweede gesprek met de IND vertaalfouten gemaakt als gevolg van het verschil in het dialect van klager en van de Sudanese vertaler. Verweerster heeft niet gezorgd voor correctie van deze fouten. Ook liet de tolk bij het tweede gehoor zijn sympathie voor Hezbollah blijken.

4.7    Verweerster heeft aangevoerd dat zij bij de nabespreking van het tweede gehoor “het gehele gehoor volledig met [klager] [heeft] doorgenomen inclusief het op schrift gestelde relaas”. Verweerster heeft daarbij aan de tolk gevraagd of dat wat op schrift was gesteld correct in het gehoor terecht was gekomen. Er bleek sprake te zijn van een verschrijving van een jaartal. Dit is gecorrigeerd en voorzien van een toelichting op de oorzaak van de verschrijving. Op aangeven van klager zijn ook andere correcties en aanvullingen doorgevoerd. Verweerster ontkent correcties of aanvullingen te hebben geweigerd. Verweerster kan zich niet herinneren dat er discussie heeft plaatsgevonden tussen haar en klager over correcties of aanvullingen die voor de asielaanvraag mogelijk schadelijk konden zijn.

4.8    In het licht van het (in hoofdlijnen niet als zodanig weersproken, zie hiervoor) verweer kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerster bij haar bestand aan klager rondom het tweede gehoor en de vastlegging daarvan niet de zorgvuldigheid van een behoorlijk handelend advocaat heeft betracht. Wat betreft de eventuele fouten van de tolk geldt ook hier dat het op de weg van klager lag om daarvan tijdens of dadelijk na het gehoor melding te maken bij verweerster. Nu is gesteld noch gebleken dat klager dit heeft gedaan kan verweerster ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele fouten van de tolk bij het tweede gehoor. Klachtonderdeel b is kennelijk ongegrond. 

Klachtonderdeel c)

4.9    Klager stelt dat hij verweerster heeft gewezen op een zaak die identiek is aan de zijne. Klager heeft verweerster schriftelijke informatie over deze zaak toegestuurd. Verweerster heeft ten onrechte geweigerd deze informatie te delen met de IND en met de advocaat die haar heeft opgevolgd.

4.10    Verweerster heeft aangevoerd dat klager bij de bespreking van de correcties en aanvullingen op zijn asielrelaas heeft gewezen op berichtgeving die ook voor zijn zaak van belang was. Verweerster heeft klager gevraagd deze berichtgeving naar haar te sturen. Klager heeft haar ook een link gestuurd die toegang gaf tot berichtgeving in het Arabisch. Verweerster beheerst die taal niet. Verweerster heeft de berichtgeving later met klager besproken, waarbij haar bleek dat het niet om een situatie ging die met die van klager vergelijkbaar was. Omdat de berichtgeving volgens verweerster geen bewijsrechtelijke functie had in de zaak van klager, heeft zij het niet aan de IND overgelegd. Verweerster heeft dit aan klager uitgelegd.

4.11    Zoals hiervoor in 4.1 uiteengezet komt een advocaat vrijheid ten aanzien van de wijze waarop een zaak wordt behandeld. Gelet op het relaas van verweerster moet worden aangenomen dat zij met haar keuze om de berichtgeving niet aan de IND te overleggen de belangen van klager heeft beoogd te dienen of deze tenminste niet te schaden en bovendien dat zij die keuze met klager heeft besproken. Klager heeft zijn stelling dat verweerster in dit verband tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld onvoldoende feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel c is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d)

4.12    Klager stelt dat verweerster hem heeft beledigd en twee keer naar hem heeft geschreeuwd. De voorzitter begrijpt dat dit volgens klager is gebeurd tijdens het gesprek tussen klager en verweerster naar aanleiding van het voorgenomen besluit van de IND om de asielaanvraag van klager af te wijzen. Klager stelt dat hij verweerster bij gelegenheid van dit gesprek erop heeft gewezen dat de oorzaak van het voornemen tot afwijzen lag in de ondeugdelijkheid van het werk van de tolk.

4.13    Verweerster heeft aangevoerd dat klager boos en teleurgesteld was toen de IND hem het voornemen tot afwijzing van zijn asielaanvraag meedeelde. Klager stelde zich vanaf dat moment op het standpunt dat de tolk bij het eerste gehoor fouten had gemaakt bij de vertaling van de correcties en aanvullingen. Volgens klager was de tolk bij het nadere gehoor een spion van Hezbollah. Verweerster heeft klager erop gewezen dat achteraf klagen over een tolk geen zin heeft. Uit de jurisprudentie volgt dat een dergelijke klacht alleen gegrond kan zijn als tijdens of dadelijk na het gehoor over een tolk wordt geklaagd. Verweerster heeft klager bij het bespreken van het voorgenomen besluit van de IND voorgehouden dat ze de kans dat zijn asielverzoek zou worden ingewilligd niet erg groot achtte. Klager heeft daarop het vertrouwen in verweerster opgezegd.

4.14    Verweerster stelt dat zij klager er vervolgens op heeft gewezen dat dit tot gevolg had dat zij geen zienswijze voor hem kon opstellen naar aanleiding van het voorgenomen besluit. Volgens verweerster wilde klager niet naar haar luisteren en zij sluit niet uit dat het gesprek met stemverheffing gepaard ging. Omdat verweerster niemand kon vinden die voor klager een zienswijze kon schrijven en de tijd drong, heeft verweerster noodgedwongen toch een zienswijze opgesteld voor klager.

4.15    Gelet op het uitvoerige verweer moet ook hier worden aangenomen dat verweerster in haar bijstand aan klager de zorgvuldigheid heeft betracht die een behoorlijk handelend advocaat betaamt. Van de (mogelijke) omstandigheid dat het gesprek tussen partijen, na de voor klager teleurstellende uitkomst, gepaard ging met stemverheffing, valt verweerster onder de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.16    Klager heeft de door hem gestelde belediging van verweerster aan zijn adres niet feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel d is kennelijk ongegrond.

Slotsom

4.17    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. A. Tijs als griffier op 24 november 2017.

Griffier     Voorzitter

Deze beslissing is in afschrift op 24 november 2017 verzonden.