Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-09-2011

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2011:YA2165

Zaaknummer

5930

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek tegen lid Hof van Discipline afgewezen.

Uitspraak

 

         

2 september 2011

No. 5930

Hof van Discipline

Beslissing

naar aanleiding van het wrakingsverzoek van

verzoeker

tegen:

mr. R. Verkijk,

lid van het Hof van Discipline.

1. De procedure

1.1 Bij beslissing van 1 november 2010 heeft de Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch (verder: de raad), onder nummer H25-2009, aan partijen toegezonden op 2 november 2010, een klacht van verzoeker tegen mr. X. ongegrond verklaard.

1.2 Tegen deze beslissing van de raad is verzoeker in hoger beroep gekomen bij het Hof van Discipline (verder: het hof). De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 27 juni 2011 door mr. C.J.J. van Maanen als voorzitter en mrs. J.S.W. Holtrop, A.D.R.M. Boumans, R. Verkijk en A.A.H. Zegers als leden.

1.3 Ter zitting heeft verzoeker mr. Verkijk gewraakt.

1.4 Het hof heeft het wrakingverzoek behandeld in zijn zitting van 4 juli 2011, waar niemand is verschenen.

1.5 Het hof heeft bij zijn beslissing acht geslagen op de pleitnota van verzoeker van 27 juni 2011, het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2011 en de schriftelijke reactie van mr. Verkijk van 29 juni 2011.

2. De beoordeling

2.1. In de pleitnota schreef verzoeker:

De heer Verkijk heeft in dezelfde periode bij dezelfde werkgever als ondergetekende gewerkt. Bovendien heb ik gedurende die periode (september – oktober 2009) stage gelopen bij de advocatenpraktijk waar de heer Verkijk destijds in dienst was. Ik heb bovendien onderwijs van hem mogen genieten tijdens mijn studie.

Op een daartoe gestelde vraag ter zitting antwoordde verzoeker het vak vermogensrecht in de bachelorfase, onderdeel rechtshistorie, gevolgd te hebben. Voorts verklaarde hij stage te hebben gelopen bij mevrouw Y..

Op de vraag of er ooit wrevel is geweest tussen verzoeker en mr. Verkijk antwoordde verzoeker dat dit niet het geval is.

2.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 56 lid 6 van de Advocatenwet in verbinding met artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering is wraking van een lid van het hof mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Het hof heeft derhalve te onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.

Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.3. Naar het oordeel van het hof is er geen grond voor de veronderstelling dat mr. Verkijk jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat bij de verzoeker de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

Het hof neemt hierbij in overweging dat uit de stellingen van verzoeker niet blijkt dat mr. Verkijk en hij persoonlijke contacten hebben onderhouden, zodat moet worden aangenomen dat deze contacten niet hebben plaatsgevonden. Uit de enkele omstandigheid dat partijen in het verleden in elkaars nabijheid werkzaam zijn geweest – en mogelijk daarbij wellicht enig zakelijk (sociaal) contact hebben onderhouden, zoals kennismaken en groeten – kan het bestaan van een wrakingsgrond niet worden afgeleid.

 

3. De beslissing

Het hof:

wijst af het wrakingsverzoek van 27 juni 2011 van verzoeker, gericht tegen mr. R. Verkijk, lid van het Hof van Discipline.

Aldus gewezen door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, W.M. Poelmann, J.C. van Oven en H.D. Cotterell, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2011.