Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-03-2014

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2014:98

Zaaknummer

7029

Inhoudsindicatie

Verzoek aanwijzing advocaat ex art. 13 Adv. wet. Beklag tegen afwijzing ongegrond. Deels geen verplichte procesvertegenwoordiging, deels geen kans van slagen.

Uitspraak

Beslissing van 21 maart 2014

in de zaak 7029

naar aanleiding van het beklag van:

klaagster

tegen:

De Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Amsterdam

de deken

1 HET VERZOEK ALS BEDOELD IN ART. 13 LID 1 ADVOCATENWET

Klaagster heeft bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam( de deken)  een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Bij brief van 9 januari 2014 heeft de deken dit verzoek afgewezen. In een klaagschrift gedateerd 13 januari 2014 heeft klaagster zich beklaagd over het feit dat de deken haar verzoek heeft afgewezen.

2 HET GEDING BIJ HET HOF

2.1 Het klaagschrift is op 14 januari 2014 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- de antwoordmemorie van de deken d.d. 18 februari 2014.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 24 februari 2014, waar klaagster en de deken zijn verschenen.

3 FEITEN

3.1 Het volgende is komen vast te staan.

3.2 Bij brief d.d. 1 oktober 2013 heeft klaagster zich gewend tot de deken met het verzoek een advocaat toe te wijzen voor een “scala van problemen, voortvloeiend uit één geheel, kort gezegd: het ondersteunen e.d. bij lopende art. 12 Sv procedure, het indienen van een verzoek in kader van art. 327 BW incl. 1b, 1f1, tezamen met herstel ouderlijk gezag en beëindiging uithuisplaatsing, incl. schadeclaim huisvesting, sociale zekerheid/bestuursrecht incl. verzekeringsrecht incasso en schadeclaim media/communicatiezaken zoals post/internet/tel.”                                       

In de brief doet klaagster voorts opgave van de reeds door haar vergeefs benaderde advocaten/advocatenkantoren.

3.3 Bij brief d.d. 28 oktober 2013 heeft de waarnemend deken geantwoord (kort gezegd) dat uit de brief van klaagster van 1 oktober 2013 onvoldoende omstandigheden blijken die aanleiding geven tot toewijzing van een advocaat.

3.4 In de daaropvolgende correspondentie heeft klaagster haar standpunt toegelicht in haar brieven d.d. 1 november 2013 (met een rappel d.d. 1 december 2013) en 21 december 2013; de deken heeft gereageerd bij brief d.d.  16 december 2013.

3.5 Omdat de deken aan voornoemde briefwisseling geen adequaat beeld kon ontlenen van de feiten en omstandigheden op grond waarvan toewijzing van een advocaat werd verzocht, heeft de deken lid van de Raad van Toezicht en deskundig op de betreffende rechtsgebieden gevraagd een gesprek met klaagster te voeren en hem vervolgens te adviseren in deze kwestie.

3.6 Lid van de Raad van Toezicht heeft op 3 januari 2014 een gesprek met klaagster gehad. Klaagster heeft op 5 januari 2014 nog een aantal stukken nagezonden, begeleid door een brief van dezelfde datum.

3.7 Bij brief d.d. 9 januari 2014 heeft de deken het verzoek van klaagster om toewijzing van een advocaat afgewezen onder opgave van redenen ten aanzien van de diverse kwesties .

4 BEOORDELING

4.1 Ingevolge art. 13 van de Advocatenwet is de aanwijzing van een advocaat door de deken mogelijk in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel waarin bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden.

4.2 In zijn brief van 9 januari 2014 heeft de deken - op grond van de van klaagster en van lid van de Raad van Toezicht verkregen informatie -- de kwesties omschreven in verband waarmee klaagster om aanwijzing van een advocaat heeft verzocht.

Uit die brief blijkt, dat het - voor zover de deken de kwesties heeft kunnen beoordelen – op basis van die informatie - in hoofdzaak gaat om zaken waarin geen sprake is van verplichte bijstand of voorgeschreven vertegenwoordiging door een advocaat. In zoverre kan het beklag al daarom niet slagen.

4.3 Dat is slechts anders voor de kwestie over het gezag van de zoon van klaagster. De deken is echter op grond van de van klaagster en van lid van de Raad van Toezicht verkregen informatie tot de  conclusie gekomen dat een juridische procedure tot wijziging van het gezag geen enkele kans van slagen heeft. Klaagster heeft geen argumenten aangevoerd ter bestrijding van deze conclusie. Daarom kan het beklag ook in dit opzicht niet slagen.

4.4 Uit het bovenstaande volgt dat de deken het verzoek van klaagster een advocaat aan te wijzen terecht heeft afgewezen. Het beklag is daarom ongegrond.

 

 BESLISSING

Het Hof van discipline:

verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam van 9 januari 2014 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, mrs. A.B.A.P.M. Ficq, G.J.L.F. Schakenraad, D.J. Markx en A.A.H.Zeegers, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart  2014.