Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-04-2014

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2014:201

Zaaknummer

6885

Inhoudsindicatie

Klacht ontvankelijk ondanks lang tijdverloop na beëindiging werkzaamheden, omdat verband bestaat met de - latere - incasso van declaratie. Niet gewezen op toevoegingsmogelijkheid en op uurtarief. Hoge declaratie. Geen maatregel nu toezending declaratie beslissing was van de leiding van het kantoor.

Uitspraak

Beslissing van 25 april 2014

in de zaak 6885

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

1 HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 21 juni 2013, onder nummer 183/12, aan partijen toegezonden op 2 juli 2013, waarbij van een klacht van klager tegen verweerder de onderdelen b en d ongegrond zijn verklaard en de onderdelen a en c gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

2 HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1 De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 29 juli 2013 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- de antwoordmemorie van klager;

- de brief van klager d.d. 28 januari 2014;

- de brief van klager d.d. 5 februari 2014.

,

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 21 februari 2014, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mr. X., alsmede verweerder. Mr. X. heeft gepleit aan de hand van een pleitnota.

3 KLACHT; OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

3.1 De klacht is door de raad onbestreden weergegeven als, zakelijk weergegeven, inhoudende dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in art. 46 Advocatenwet doordat:

a) hij aan klager een declaratie voor de voor klager verrichte werkzaamheden heeft gezonden, terwijl hij aan klager had meegedeeld dat indien de rechtsbijstandsverzekeraar de kosten niet zou willen dekken, er altijd nog de mogelijkheid van een toevoeging bestond;

b) verweerder werkzaamheden in rekening heeft gebracht die hij niet heeft verricht. Klager heeft op 21 juli 2005 een hersenbloeding gehad waarvoor hij op 22 juli 2005 is geopereerd. Daarna heeft hij nog enige tijd in coma gelegen. In de specificatie van verweerders werkzaamheden staat dat hij op 22 en 27 juli 2005 telefoongesprekken heeft gevoerd met klager. Uit de geschetste omstandigheden blijkt dat dit onmogelijk was;

c) verweerder klager niet heeft geïnformeerd over zijn uurtarief en het feit dat klager een torenhoge declaratie te wachten stond. Om deze – onjuiste – declaratie te innen is verweerder na anderhalf jaar een incassoprocedure gestart;

d) klager te laat geïnformeerd werd over het feit, dat verweerder een vordering ter zake het afgeven van een exequatur  had ingetrokken zodat een daarmee verband houdende zitting geen doorgang behoefde te vinden.

3.2 Klager heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b) en d). Het hoger beroep heeft dus alleen betrekking op de klachtonderdelen a) en c).

4 FEITEN

De raad heeft de feiten onbestreden als volgt vastgesteld:

4.1 In 2005 heeft klager verweerders kantoor benaderd met het verzoek een aantal juridische geschillen te beoordelen waarin hij werd bijgestaan door mr. K. Voor de betaling van de door mr. K geleverde rechtshulp was dekking verkregen van de rechtsbijstandverzekeraar van klager met uitzondering van één zaak en wel die tegen F.

4.2 Voor de door verweerder verrichte werkzaamheden heeft verweerder klager op 5 december 2007 een declaratie gezonden ten bedrage van € 5.951,93. Klager heeft deze declaratie niet voldaan. Er is over deze declaratie geprocedeerd bij de rechtbank waarbij de vordering tot betaling van de declaratie is afgewezen. Vervolgens is er een begrotingsprocedure gevoerd. De declaratie is door de Raad van Toezicht vastgesteld op € 4.052,44.

4.3 Bij brief met bijlagen van 7 april 2012 heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerder.

 

5 BEOORDELING

5.1 Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat de raad ten onrechte klager ontvankelijk heeft geacht in zijn klacht. Hij heeft erop gewezen dat de gewraakte contacten en werkzaamheden plaatsvonden in 2005 en 2007, terwijl de klacht pas is ingediend in 2012, toen het klager duidelijk werd dat het kantoor van verweerder een exequatur wenste met betrekking tot het bedrag waarop de Raad van Toezicht  verweerders declaratie had begroot.

5.2 Klager heeft met juistheid gewezen op de norm die geldt met betrekking tot de vraag of een klacht tijdig is ingediend en die luidt als volgt.

In het tuchtrecht voor advocaten gelden geen algemene termijnen voor de uitoefening van het klachtrecht. Bij de beantwoording van de vraag of een klager, gelet op het tijdsverloop tussen de gedragingen van de advocaat waarover wordt geklaagd en de indiening van de klacht, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, moeten twee belangen tegen elkaar worden afgewogen. Enerzijds het ten gunste van de klager wegende maatschappelijke belang dat het optreden van de advocaat door de tuchtrechter kan worden getoetst. Anderzijds het belang dat de advocaat heeft bij toepassing van het beginsel van rechtszekerheid, dat onder meer meebrengt dat een advocaat ervan mag uitgaan dat een klacht over de wijze waarop hij zijn werkzaamheden heeft verricht binnen een redelijke termijn wordt ingediend en dat hij zich niet na verloop van een als onredelijk te beschouwen termijn tegenover de tuchtrechter moet verantwoorden over zijn optreden van destijds. Deze afweging zal de tuchtrechter van geval tot geval dienen te maken, rekening houdende met de relevante feiten en omstandigheden, zoals daar zijn de aard en de ernst van de feiten waarop de klacht betrekking heeft, het tijdstip waarop de klager zich redelijkerwijs bewust had kunnen en behoren te zijn  van de reden van zijn klacht, alsmede de moeilijkheden die de verweerder zal ondervinden om zich na een zeker tijdsverloop nog adequaat tegen de klacht te verweren.

5.3 Toepassing van deze norm in deze zaak leidt ertoe aan te nemen dat de raad de klacht terecht ontvankelijk heeft geacht. Daartoe geldt aan de kant van klager dat het, in de verhouding tot verweerder, een redelijke afweging was de indiening van een klacht achterwege te laten in het tijdvak waarin hij – doordat verweerder en zijn kantoor niet van zich lieten horen – ervan uitging dat verweerder de incasso van zijn declaratie liet rusten. Anderzijds geldt dat verweerder zich er niet op heeft beroepen – en dat ook overigens niet aannemelijk is geworden – dat verweerder zich als gevolg van het tijdsverloop onvoldoende tegen de klacht heeft kunnen verweren.

5.4 Wat betreft de inhoud van de klacht, voorzover nog aan de orde, heeft het hoger beroep niet geleid tot andere beschouwingen en conclusies dan die vervat in de beslissing van de raad, waarmee het hof zich verenigt, met de navolgende kanttekening.

5.5 Verweerder heeft ter zitting in hoger beroep erop gewezen dat niet hij zelf (toen nog jong medewerker op kantoor) , maar zijn kantoorgenoot mr. T. bij het eerste oriënterende gesprek met klager heeft uitgelegd op welke financiële voorwaarden zijn kantoor werkte. Hij heeft eraan toegevoegd dat de toezending van de declaratie aan klager een beslissing van de leiding van zijn kantoor was en niet van hem persoonlijk.  Het hof heeft begrip voor deze – op zichzelf aannemelijke - uiteenzetting, maar deze kan geen wijziging brengen in de persoonlijke verantwoordelijkheid die verweerder ten opzichte van klager als zijn advocaat heeft. De door verweerder beschreven gang van zaken ligt wel mede ten grondslag aan de instemming van het hof met de beslissing van de raad te volstaan met gegrondverklaring van de klachtonderdelen a) en c) en af te zien van de oplegging van een maatregel.

 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2013 met het nummer 183/12, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen.

 

Aldus gewezen door mr. C.J.J. van Maanen, voorzitter, mrs. L. Ritzema, G.W.S. de Groot, H. van Loo en C.A.M.J. Raymakers, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A.H. Holm-Robaard, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.