Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-01-2015

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2015:36

Zaaknummer

110/14

Inhoudsindicatie

Indien er geen directe relatie is tussen klager en de advocaat en niet gebleken is dat klager in zijn belangen is geschaad door toedoen van die advocaat, kan hij niet ontvangen worden in zijn klacht. Klager kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van 22 januari 2015

in de zaak 110/14

naar aanleiding van de klacht van:

 

de heer [    ]

klager

 

tegen

mr. [    ]

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Overijssel van 29 december 2014 met kenmerk 51/14/85, door de raad ontvangen op 30 december 2014, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

1.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

1.2    Bij brief van 15 september 2014 met bijlagen heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerder.

1.3    Verweerder heeft begin 2002 de Nederlandse Vissersbond en andere Visserijorganisaties geadviseerd over aanpassingen van model maatschapscontracten per 2002. Die aanpassingen waren nodig omdat het Ministerie van Financiën eiste dat er gehandeld diende te worden in naam van de maatschap en bevoegdheid tot handelen diende te bestaan, wilde er sprake kunnen zijn van zelfstandig ondernemerschap en dus zelfstandigenaftrek voor de maten. Hierover is bericht verschenen in het blad Visserij Nieuws van o.a. 8 februari 2002, waarin staat vermeld dat kottereigenaren een brief hierover van het Productschap Vis hebben ontvangen.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

verweerder niet heeft onderzocht/gecontroleerd of de aanpassingen in het door de vissers gebruikte maatschapscontract wel volgens de wet zijn doorgevoerd en tevens heeft hij niet geverifieerd of de gewone opvarende schriftelijk en persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van hun aansprakelijkheid voor verbintenissen van de maatschap naar evenredigheid van hun maatschapsdeel. Bovendien zijn de maatschapscontracten/maatschapsovereenkomst(en) 2002 niet gedeponeerd bij de rechtbank Den Haag. Klager is daar in augustus 2014 achter gekomen. Dat is reden dat de klacht zo laat is ingediend.

 

3    VERWEER

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1    Verweerder heeft in 2002 onder de omstandigheden van die tijd geadviseerd (niet aan klager, maar aan anderen) wat te doen om zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat de deelvissers van een vissersschip (eigenaar en opvarenden), die in maatschapsverband visten of wilden vissen ook in fiscaal en sociaal verzekeringstechnisch opzicht als zelfstandige werden gezien. Klager is echter nimmer cliënt geweest van verweerder. In 2002 is verweerder als adviseur opgetreden voor de Nederlandse Vissersbond en andere Visserijorganisaties en heeft advies uitgebracht over toen noodzakelijk geachte aanpassingen van het door vissers gebruikte maatschapscontract. Wellicht was klager destijds lid van de Vissersbond doch verweerder heeft geen adviesrelatie met klager gehad.

 

4    BEOORDELING

4.1    De nieuwe Advocatenwet is van toepassing op klachten die op of na 1 januari 2015 zijn ingediend bij de deken. De onderhavige klacht is voor 1 januari 2015 ingediend bij de deken en wordt door de raad van discipline derhalve behandeld en beoordeeld op grond van de oude Advocatenwet, zoals die tot 1 januari 2015 gold. Waar in deze beslissing naar de Advocatenwet wordt verwezen, wordt de oude Advocatenwet bedoeld.

4.2    De voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Vaststaat immers dat het gaat om het optreden van verweerder in 2002 als adviseur van de Nederlandse Vissersbond en andere Visserijorganisaties. In die hoedanigheid heeft hij geadviseerd over model maatschapscontracten. De voorzitter is van oordeel dat niet gebleken is dat er een directe relatie is tussen klager en verweerder en bovendien heeft klager niet aangetoond dat hij door de advisering van verweerder aan o.a. de Nederlandse Vissersbond direct in zijn belangen is getroffen. Klager is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.

4.3    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter van de raad van discipline oordeelt de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

 

Aldus gewezen door mr. A.E. Zweers, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink als griffier op 22 januari 2015.

 

griffier                                                                         voorzitter

 

Deze beslissing is in afschrift per aangetekende post verzonden aan:

-    klager

en per gewone post aan:

-    klager

-    verweerder

-    de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Overijssel.

 

Ingevolge artikel 46h van de Advocatenwet kunnen klager en de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Overijssel binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de

Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, Postbus 399, 9400 AJ  Assen (fax: 0592-305759). Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift (in tweevoud), waarin de gronden van het verzet voorzien van een motivering worden omschreven. De termijn van 14 dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de veertiende dag van die termijn moet het verzetschrift derhalve ontvangen zijn op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van 14 dagen is niet mogelijk.