Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-06-2014

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2014:380

Zaaknummer

29/14

Inhoudsindicatie

De advocaat van de wederpartij van klager heeft een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt, maar mag de belangen van die wederpartij niet nodeloos of onevenredig schaden. Het niet onmiddellijk aanhangig maken van een procedure (indien dit in overleg met de cliënt gebeurt) valt onder die vrijheid evenals het op de laatste dag van de appèltermijn laten uitbrengen van deappèldagvaarding. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 17 juni 2014

in de zaak 29/14

naar aanleiding van de klacht van:

 

mr. [    ]

klager

 

tegen:

mr. [    ]

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord-Nederland van 20 mei 2014 met kenmerk 2013 KNN164, door de raad ontvangen op 21 mei 2014, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

1.1    Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken, van het volgende worden uitgegaan.

1.2    Verweerder heeft, als advocaat van ene mevrouw M., klager privé gedagvaard voor de rechtbank N.N.  en een verklaring voor recht gevorderd dat klager aansprakelijk is voor alle schade die mevrouw M. heeft geleden als gevolg van vermeend onrechtmatig handelen. Tevens is een veroordeling tot betaling van een geldsom gevorderd.

1.3    De rechtbank  heeft bij vonnis d.d. 21 juli 2010 de vorderingen afgewezen en mevrouw M. in de proceskosten veroordeeld.

1.4    Vervolgens heeft verweerder namens mevrouw M. hoger beroep ingesteld waarna het Gerechtshof A. uiteindelijk bij eindarrest d.d. 12 februari 2013 het vonnis ten dele heeft vernietigd.

 

2    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerder onnodig lang heeft gewacht met het aanhangig maken van een procedure tegen mevrouw M. (drie á vier jaar). Dit is alleen gebeurd ‘om te realiseren dat mr. B. het dan allemaal niet meer weet en het bewijs kwijt is’. (afk.-voorzitter). Met mr. B. wordt verweerder bedoeld. Een dergelijke handelwijze is klachtwaardig.

b)    verweerder in eerste aanleg een onmogelijke dagvaarding heeft doen uitgaan waarin hij, namens mevrouw M.,  van klager schadevergoeding vordert en een bedrag van ruim € 7.000,00 als onverschuldigd betaald.  Dit zijn onmogelijke vorderingen die ook prompt zijn afgewezen.

c)    verweerder in een uiterst laat stadium, te weten op de allerlaatste dag , hoger beroep heeft ingesteld. Er was geen enkele reden om zolang te wachten met het instellen van hoger beroep. Bovendien vermeldt de appèldagvaarding niet meer dan dat vorderingen uit de eerste dagvaarding alsnog toegewezen moeten worden, terwijl de appèldagvaarding ook nog op het verkeerde adres is betekend.

d)    verweerder bij memorie van grieven onjuiste gegevens heeft geproduceerd waaruit zou blijken dat mevrouw M. aan klager een bedrag van € 47.624,17 zou hebben betaald.  Daarmede heeft verweerder klager onnodig in de problemen gebracht hetgeen eveneens klachtwaardig is. Uiteindelijk heeft het hof weinig of niets in stand gelaten van de gepretendeerde vorderingen van mevrouw M.

 

3    VERWEER

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Ad klachtonderdeel a)

3.1    Het stond verweerder vrij om tot januari 2010 te wachten met dagvaarden ten aanzien van zaken die in 2006 hadden plaatsgevonden. De gepretendeerde vordering van mevrouw M. was op dat moment niet verjaard. Bovendien was er lange tijd onduidelijkheid over de door mevrouw M. onverschuldigd aan klager betaalde bedragen.

Ad klachtonderdeel b)

3.2    Van een onmogelijke dagvaarding is geen sprake. Het feit dat de rechtbank in eerste aanleg de vorderingen van mevrouw M. heeft afgewezen betekent niet dat er sprake was van een onmogelijke dagvaarding. Bovendien heeft verweerder op grond van de stukken die hij van mevrouw M. en de deurwaarder had ontvangen terecht de conclusie getrokken dat mevrouw M. ten onrechte betalingen had verricht aan klager. Dat achteraf blijkt dat de administratie van mevrouw M. en die van de deurwaarder niet op orde was, kan verweerder niet worden verweten.

Ad klachtonderdeel c)

3.3    Het stond mevrouw M . vrij om op de laatste dag van de appèltermijn hoger beroep in te doen stellen. Dat de appèldagvaarding op een verkeerd adres is betekend was verweerder tot op heden niet bekend. Klager heeft hier niet eerder een punt van gemaakt en heeft zich bovendien in de procedure gesteld.

Ad klachtonderdeel d)

3.4    Pas tijdens de appèlprocedure is verweerder er achter gekomen dat een deel van de door mevrouw M. gedane betalingen kennelijk betrekking hadden op andere dossiers dan die van klager. Dat is echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

 

4    BEOORDELING

Ad klachtonderdeel a)

4.1    Allereerst stelt de voorzitter vast dat het in dezen gaat om het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager, immers mevrouw M. is de wederpartij van klager en verweerder treedt op als advocaat van mevrouw M. . In dat geval staat voorop dat, volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline, de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Bedoelde vrijheid is echter niet onbegrensd. Deze kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat

1.    zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij;

2.    feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn;

3.    (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

4.2    Met betrekking tot de onder 2 genoemde beperking moet voorts in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen  gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De voorzitter zal de handelwijze van verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Ad klachtonderdeel a)

4.3    Ten aanzien van de klacht dat verweerder te lang heeft gewacht met het opstarten van een procedure is de voorzitter van oordeel dat daarover niet geklaagd kan worden door klager. Het staat verweerder, als advocaat van de wederpartij vrij om in overleg met zijn cliënt te besluiten wanneer tot dagvaarding wordt overgegaan. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

4.4    Het feit dat de rechtbank de vordering van mevrouw M. in eerste aanleg heeft afgewezen betekent in het geheel niet dat er sprake is van een onmogelijke dagvaarding. Dit klachtonderdeel is ook feitelijk niet nader onderbouwd,  zodat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.

Ad klachtonderdeel c )

4.5    Het staat verweerder als advocaat geheel vrij om eerst op de laatste dag van de appèltermijn in hoger beroep te gaan. Dit is een kwestie tussen de advocaat en zijn cliënt. In ieder geval kan klager verweerder daar geen verwijt van maken. Verweerder heeft geheel conform de wettelijke bepalingen gehandeld. Dat de appèldagvaarding op een onjuist adres zou zijn betekend wordt door verweerder betwist en is niet komen vast te staan. Bovendien heeft klager hier geen belang bij want hij heeft zich in de procedure gesteld en heeft daar blijkbaar geen probleem in gezien. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel d)

4.6    Zoals bovenstaand overwogen, mag de advocaat afgaan op het feitenmateriaal dat hem door zijn cliënt wordt aangereikt. Verweerder heeft aangevoerd dat achteraf gebleken is dat zijn cliënt en de deurwaarder hun administratie niet geheel op orde hadden. Hiervan kan verweerder geen verwijt worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter van de raad van discipline oordeelt de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond en wijst deze mitsdien af.

 

Aldus gewezen door mr. C. van den Noort, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink als griffier op 17 juni 2014.

 

griffier                                                                          voorzitter

 

Deze beslissing is in afschrift op        mmm 2014 per aangetekende post verzonden aan:

-    klager

 

en per gewone post aan:

-    klager

-    verweerder

-    de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord-Nederland.

 

Ingevolge artikel 46h van de Advocatenwet kunnen klager en de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Noord-Nederland binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem - Leeuwarden, Postbus 399, 9400 AJ  Assen (fax: 0592-305759). Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift (in tweevoud), waarin de gronden van het verzet voorzien van een motivering worden omschreven. De termijn van 14 dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de veertiende dag van die termijn moet het verzetschrift derhalve ontvangen zijn op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van 14 dagen is niet mogelijk.