Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-04-2013

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2013:YA4180

Zaaknummer

12-238A

Inhoudsindicatie

Gegronde klacht tegen eigen advocaat. Geen opdrachtbevestigingverzonden voorafgaand aan werkzaamheden in hoger beroep.Niet geïnformeerd over beroepsfout, te weten te laat betalen griffierecht waardoor klager is ontslagen van instantie. Overige klachten ongegrond. Tijdig gewezen op mogelijkheid pro deo rechtsbijstand. Uurtarief bekend bij klager. Openstaande declaraties verrekend met de voor klager bestemde gelden op de derdenrekening zonder schriftelijke instemming onder omstandigheden niet klachtwaardig.Berisping.

Uitspraak

Beslissing van 8 april 2013

in de zaak 12-238A

naar aanleiding van de klacht van:

de heer

gemachtigde mevrouw mr.

klager

tegen:

mr.

advocaat te Amsterdam

gemachtigde mr.

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 31 juli 2011 met kenmerk 1112-421, door de raad ontvangen op 3 augustus 2012, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van6 februari 2013in aanwezigheid van klager, diens echtgenote, de gemachtigde van klager, de gemachtigde van verweerder en een medewerkster van de afdeling boekhouding van het kantoor van verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennis genomen van:

- de in 1.1 bedoelde brief van de deken;

- de stukken genummerd 1 tot en met 10 in de bij die brief behorende inventarislijst;

- een fax-brief van 29 januari 2013 van de gemachtigde van verweerder waarin zij de raad bericht dat zij verweerder ter zitting van de raad van 6 februari 2013 zal bijstaan;

- een fax-brief van 6 februari 2013 van de gemachtigde van verweerder waarin zij de raad bericht dat verweerder wegens medische omstandigheden niet in staat is in persoon aanwezig te zijn bij de zitting van de raad.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2 In de periode van 12 mei 2009 tot en met 4 november 2011 heeft verweerder klager als advocaat bijgestaan in een zaak die betrekking had op de verkoop van de eenmanszaak van klager en waarin verweerder namens klager veroordeling van de wederpartij tot betaling van een bedrag van

€ 495.883,92 heeft gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.

2.3 Na een eerste e-mail op 12 mei 2009 van verweerder aan klager met daarin het verzoek een aantal stukken in te scannen en aan hem toe te mailen heeft op 12 juni 2009 een eerste bespreking plaatsgehad tussen verweerder, klager en diens echtgenote. Na deze bespreking heeft verweerder klager op eveneens 12 juni 2009 een brief verzonden waarin klager erop werd gewezen dat het kantoor van verweerder geen zaken op basis van gefinancierde rechtsbijstand behandelde en dat de werkzaamheden van verweerder aan klager gedeclareerd zouden worden op basis van het uurtarief van verweerder ad € 250,-. In deze brief werd klager voorts bericht dat hij bij vragen naar aanleiding van de inhoud van de brief contact kon opnemen met het kantoor van verweerder.

2.4 Bij e-mail van 1 december 2009 heeft verweerder de echtgenote van klager de inhoud van een telefoongesprek van eerder die dag bevestigd. In deze e-mail bevestigt verweerder dat hij de echtgenote van klager - naar aanleiding van betaling van een aantal eerder nog openstaande declaraties – de vraag heeft voorgehouden of zij en haar echtgenoot nog langer in staat zijn de declaraties van de maatschap van het kantoor van verweerder te betalen gelet op het hartinfarct dat klager kort daarvoor had gehad. Tevens heeft verweerder de echtgenote van klager in deze e-mail voorgesteld de zaak door een zogenaamde pro deo advocaat te laten overnemen. Blijkens de inhoud van de e-mail heeft de echtgenote van klager dit voorstel afgewezen en nadrukkelijk de wens uitgesproken dat het kantoor van verweerder zich zou blijven bezighouden met hun zaak.

2.5 De rechtbank Den Bosch heeft de wederpartij bij vonnis van 13 april 2011 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 20.149,39, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.6 Namens klager heeft verweerder op verzoek van klager en diens echtgenote op 12 juli 2011 een appeldagvaarding aan de wederpartij laten betekenen en de zaak ter rolzitting van 26 juli 2011 aangebracht. Hierna heeft verweerder een afspraak met klager en diens echtgenote gemaakt teneinde het verloop van de hoger beroep procedure, de kansen in hoger beroep ende door de accountant van klager opgestelde nieuwe jaarstukken te bespreken. Tijdens dit gesprek heeft hij klager en zijn echtgenote gewezen op de mogelijkheid dat het hof een externe deskundige, accountant, zou benoemen teneinde de door klager overgelegde jaarstukken na te gaan en dat hieraan extra kosten verbonden zouden zijn voor klager en diens echtgenote. Het gesprek heeft op 26 juli 2011 te Vught plaatsgevonden.

2.7 Verweerder heeft nagelaten het griffierecht tijdig te betalen. Nadat verweerder bemerkt had dat hij het griffierecht niet tijdig had voldaan heeft hij klager bij e-mail van 7 september 2011 hierover geïnformeerd, waarbij hij heeft gesteld dat het gerechtshof 's-Hertogenbosch hem twee dagen na de uiterste betalingstermijn heeft geïnformeerd over de hoogte van het te betalen griffierecht en dat het verweerder of zijn kantoor derhalve niet te verwijten viel dat het griffierecht te laat was voldaan. Verweerder heeft namens klager een akte genomen. Gelet op de te late betaling van het griffierecht door verweerder heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch in zijn arrest van 1 november 2011 de wederpartij ontslagen van deze instantie en geoordeeld dat de proceskosten voor rekening van klager dienden te komen, nu ontslag van instantie, gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, niet zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.8 Verweerder heeft klager en diens echtgenote per e-mail van 4 november 2011 op de hoogte gesteld van het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch en klager onder meer geschreven: "Ten gevolge van de betaling van de Griffiegelden, zowel door partij L. als onzerzijds, niet binnen de gestelde termijn, heeft het Hof het hoger beroep stop gezet. Dit is nieuwe wetgeving, welke sinds kort van kracht is. Hiertegen valt niets te doen. Reeds eerder, toen u nog niet zeker was van een eventueel hoger beroep, heb ik u nadrukkelijk voorgehouden, dat de kansen voor u in het hoger beroep wel succesvol te zijn uiterst gering zijn. Verder heb ik u een paar maal voorgehouden, dat de kosten in verband met het hoger beroep u wel eens ernstig parten zouden gaan spelen, ten gevolge waarvan u het hoger beroep niet meer zou kunnen voortzetten. Denkt u maar aan de moeite die u heeft gehad de declaraties van de Rechtbank procedure te voldoen. [...]"

2.9 In de maanden augustus, september en oktober 2011 heeft het kantoor van verweerder klager een drietal brieven gestuurd telkens inhoudende de mededeling dat - zonder tegenbericht van klager - de nog openstaande declaratie(s) aan klager zouden worden verrekend met gelden die ten behoeve van klager op de derdengeldrekening van het kantoor van verweerder waren ontvangen.

2.10 Bij brief van 23 januari 2012 heeft de gemachtigde van klager zich bij de deken beklaagd over verweerder.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) hij klager nooit een opdrachtbevestiging heeft gestuurd en hem verder niet voldoende schriftelijk op de hoogte heeft gehouden van alle belangrijke informatie, feiten en afspraken;

b) hij bij aanvang van de zaak niet met klager heeft overlegd over de mogelijkheden om gefinancierde rechtshulp te verkrijgen; deze mogelijkheid is door verweerder pas ruim zes maanden later aan de orde gesteld;

c) bij het vaststellen van zijn declaraties onvoldoende rekening heeft gehouden met de hoogte van het inkomen van klager en het belang van diens zaak;

d) hij heeft nagelaten de financiële consequenties van de opdracht met hem te bespreken en hem evenmin inzicht heeft gegeven in de wijze waarop en de frequentie waarmee hij zou declareren; pas na ontvangst van een declaratie heeft klager kennis genomen van het uurtarief van verweerder;

e) hij zonder instemming van klager zijn declaraties heeft verrekend met de gelden die hij voor klager op zijn derdenrekening had ontvangen;

f) hij, nadat hij had bemerkt dat hij een beroepsfout had gemaakt - doordat de te late betaling van het griffierecht door zijn kantoor ontslag van instantie tot gevolg had - klager hiervan niet op adequate wijze op de hoogte heeft gesteld noch geadviseerd heeft om hiervoor onafhankelijk advies te vragen.

4 BEOORDELING

Ad klachtonderdeel a), b), c) en d)

4.1 Klachtonderdelen a), b), c) en d) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Het eerste deel van klachtonderdeel a) ziet erop dat verweerder klager nooit een opdrachtbevestiging heeft gestuurd. In klachtonderdeel b) beklaagt klager zich erover dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerder klager pas zes maanden na aanvang van zijn werkzaamheden heeft gewezen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp, te weten bij e-mail van 1 december 2009. Klager beklaagt zich voorts over de hoogte van de declaratie van verweerder, waarbij hij geen rekening heeft gehouden met het inkomen van klager en het belang van diens zaak (klachtonderdeel c). Klachtonderdeel d) ziet erop dat verweerder nagelaten heeft de financiële consequenties van de opdracht met hem te bespreken en de frequentie waarmee verweerder zou declareren. Ook is het uurtarief van verweerder klager pas bekend geworden na kennisname van de eerste declaratie. Verweerder heeft hierop evenwel een brief van 12 juni 2009 in het geding gebracht, gericht aan klager, met de aanhef: “Betreft: administratieve mededeling”, waarin een uurtarief van € 250,- wordt genoemd en voorts wordt medegedeeld dat maandelijks wordt gedeclareerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van klager aangegeven dat klager tot aan de klachtprocedure niet bekend was met deze brief.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a) stelt de raad voorop dat een advocaat gehouden is een hem verleende opdracht, alsmede de daarvoor geldende voorwaarden schriftelijk te bevestigen. De achtergrond daarvan is dat onduidelijkheden en misverstanden over wat er tussen advocaat en cliënt – zeker ook de financiële voorwaarden van de advocaat – is afgesproken zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen.

4.4 De raad leidt uit de inhoud van de brief van 12 juni 2009 af dat tussen verweerder en klager op eveneens 12 juni 2009 een gesprek heeft plaatsgevonden waarin is besproken dat verweerder bereid was klager bij te staan op basis van zijn uurtarief ad € 250,-. Tevens wordt klager in deze brief medegedeeld dat de werkzaamheden van verweerder maandelijks aan hem zullen worden gedeclareerd. Voor zover klager aangeeft deze brief niet te hebben ontvangen, acht de raad dit onaannemelijk nu klager andere correspondentie afkomstig van verweerder wel heeft ontvangen en overigens niet heeft geageerd tegen de hoogte van het uurtarief en/of de frequentie van het declareren door verweerder op het moment dat hij de declaraties van verweerder ontving. Hoewel de inhoud van de brief van 12 juni 2009 voorts zeer summier is en de algemene voorwaarden van het kantoor van verweerder niet zijn bijgevoegd, merkt de raad deze brief aan als opdrachtbevestiging van (het kantoor van) verweerder aan klager. Immers, wanneer klager verweerder niet de opdracht zou hebben gegeven hem juridische bijstand te verlenen, zou verweerder hem geen brief hebben verzonden met daarin – onder meer - vermeld zijn uurtarief.

4.5 Voorts wordt in voornoemde brief van 12 juni 2009 bevestigd dat klager er door verweerder op is gewezen dat het kantoor van verweerder geen pro deo zaken behandeld en dat hij contact op kan nemen met het kantoor van verweerder wanneer hij vragen heeft over de inhoud van deze brief. Door klager is niet gesteld noch gebleken, dat hij contact heeft opgenomen met het kantoor van verweerder teneinde te spreken over het alsnog aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand. Drie maanden later, bij e-mail van 1 september 2009 heeft verweerder een telefoongesprek met de echtgenote van klager bevestigd. Uit deze bevestiging, waarop door klager niet is gereageerd, leidt de raad af dat verweerder de echtgenote van klager er nadrukkelijk op heeft gewezen dat klager wellicht in aanmerking kan komen voor pro deo rechtsbijstand, maar dat de echtgenote van klager hier geen gebruik van wenste te maken. De raad oordeelt dat het de eigen vrije keuze van klager is geweest om verweerder tegen diens uurtarief van € 250,- in de arm te nemen en af te zien van de mogelijkheid een beroep te doen op gefinancierde rechtsbijstand.

4.6 Ten aanzien van de procedure in hoger beroep kan worden vastgesteld dat verweerder klager voorafgaand aan zijn juridische bijstand in hoger beroep geen opdrachtbevestiging heeft toegestuurd. Eerst ná het indienen van de appeldagvaarding namens klager en dus ná het aanvaarden van de opdracht van klager voor hem werkzaamheden te verrichten in het kader van het hoger beroep (en eveneens nadat de wederpartij klager door een fout van verweerder ontslag van instantie was verleend), heeft verweerder klager bij e-mail van 4 november 2011 bevestigd dat hij hem voorafgaand aan de hoger beroep procedure heeft gewaarschuwd voor eventuele (financiële) risico’s voortvloeiend uit de hoger beroep procedure. Het had op de weg van verweerder gelegen een en ander schriftelijk reeds voordien, bij het aanvaarden van de opdracht, schriftelijk vast te leggen. Bij gebreke hiervan is de raad van oordeel dat klachtonderdeel a) in zoverre gegrond is, terwijl de raad klachtonderdelen b), c) en d) ongegrond acht.

Ad klachtonderdeel e)

4.7 Klager beklaagt zich erover dat verweerder zonder zijn nadrukkelijke instemming hiertoe de nog openstaande declaraties heeft verrekend met de voor klager bestemde gelden op zijn derdenrekening. Verweerder heeft dit weersproken en stelt dat een medewerkster van de afdeling boekhouding van zijn kantoor voorafgaand aan elke verrekening telefonisch contact heeft gehad met de echtgenote van klager en dat zij telkens akkoord heeft gegeven voor verrekening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de desbetreffende medewerkster dit mondeling bevestigd. Klager en diens echtgenote hebben de door verweerder geschetste gang van zaken ter zitting betwist.

4.8 De raad overweegt dat in artikel 6 lid 5 van de verordening op de administratie en financiële integriteit, het volgende wordt voorgeschreven: “De advocaat mag slechts gelden die zich bevinden onder een Stichting Derdengelden aanwenden voor betaling van een eigen declaratie indien de rechthebbende daarmee ondubbelzinnig instemt en de advocaat dit onverwijld schriftelijk vastlegt met verwijzing naar een specifiek omschreven declaratie en het verschuldigde bedrag.”

4.9 De raad stelt vast dat uit het klachtdossier niet volgt dat klager en diens echtgenote schriftelijk hebben ingestemd met verrekening van de declaraties van verweerder met zijn op de derdenrekening van verweerder voorkomend tegoed. Klager heeft echter na de daadwerkelijke verrekening en de drie brieven van 31 augustus 2011, 27 september 2011 en 31 oktober 2011 waarin de verrekening schriftelijk door het kantoor van verweerder werd bevestigd, nimmer aan verweerder of diens kantoor bericht dat hij zich niet kon vinden in de verrekeningen. Eerst bij zijn brief van 23 januari 2012 aan de deken heeft klager zich beklaagd over de gang van zaken. Onder deze omstandigheden is de raad van oordeel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

Ad klachtonderdeel f)

4.10 In het laatste klachtonderdeel beklaagt klager zich erover dat verweerder hem niet op een adequate manier op de hoogte heeft gesteld van de gemaakte beroepsfout: het te laat betalen van het griffierecht in de hoger beroep procedure ten gevolge waarvan de wederpartij door het gerechtshof is ontslagen van instantie. Verweerder heeft zich erop beroepen dat dit hem a) niet te verwijten valt nu het gerechtshof hem eerst twee dagen na de uiterste betaaldatum door middel van het roljournaal op de hoogte stelde welk bedrag aan griffierecht betaald diende te worden en b) dat de procedure in hoger beroep toch al weinig kans van slagen had.

4.11 Het had op de weg van verweerder gelegen om klager volledig en duidelijk te informeren en de (mogelijke) gevolgen van zijn beroepsfout direct na het ontdekken hiervan mee te delen aan klager. Na ontdekking van zijn verzuim heeft verweerder klager weliswaar door middel van een e-mail op 7 september 2011 bericht en voorts bij e-mail van 4 november 2011 het arrest van het hof toegezonden met een korte toelichting, maar heeft hij in beide e-mails – daargelaten nog dat hij klager eerst bijna twee weken na het ontdekken van zijn tekortkoming heeft geïnformeerd - getracht zijn tekortkoming te verhullen door klager tot twee maal aan toe te berichten op een wijze die niet helder en doorzichtig voor klager was.

4.12 Verweerder legt de oorzaak van het te laat betalen bij het gerechtshof doordat het hof hem op gebrekkige wijze zou hebben geïnformeerd over het moment van betaling van het griffierecht en de hoogte ervan. Op basis van de Wet griffierechten burgerlijke zaken en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient griffierecht binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak te worden voldaan. Wanneer dit uitblijft vloeit uit de wet voort dat in beginsel ontslag van instantie volgt, tenzij toepassing van deze sanctie, gelet op het belang van één of meer van partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dat laatste geval kan de rechter van deze sanctie afzien. Van verweerder mag worden verwacht dat hij bekend is met de wet en in het bijzonder met de consequenties die de wet verbindt aan het nalaten van tijdige betaling van het griffierecht. Het argument dat verweerder het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, nu verweerder niet wist wanneer het betaald moest worden en wat de hoogte van het griffierecht zou zijn, gaat derhalve niet op. Uit rechtsoverwegingen 3.4 in het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 november 2011 volgt dat verweerder in de door hem opgestelde appeldagvaarding de wederpartij heeft aangezegd welk bedrag aan griffierecht binnen vier weken moest worden voldaan. De raad concludeert dat verweerder dus wel degelijk op de hoogte is geweest van de betalingstermijn die verbonden is aan het griffierecht en de hoogte hiervan.

4.13 In zijn e-mail van 4 november 2011 stelt verweerder voorts dat het hof 'het hoger beroep stop heeft gezet' ten gevolge van het uitblijven van tijdige betaling door zowel de wederpartij als 'onzerzijds'. De mededeling: 'Dit is nieuwe wetgeving, welke sinds kort van kracht is', is onjuist. De bedoelde wetgeving is van kracht vanaf 1 januari 2010 en had derhalve reeds geruime tijd bekend moeten zijn bij verweerder.

4.14 In beide e-mails houdt verweerder klager voor dat de kans van slagen bij het voortzetten van de hoger beroep procedure uiterst gering zou zijn geweest en dat het twijfelachtig was of klager de kosten van een hoger beroep procedure wel zou kunnen opbrengen. Zoals hiervoor overwogen is de raad van oordeel dat verweerder dit reeds op voorhand, voorafgaand aan het opstellen en uit laten brengen van de appeldagvaarding, met klager had moeten bespreken en schriftelijk had dienen te bevestigen. Verweerder heeft dit nagelaten en kan zich hier, na het ontslag van instantie, niet achter verschuilen jegens klager.

4.15 Het valt verweerder te verwijten dat hij heeft nagelaten klager te informeren over de gevolgen van zijn beroepsfout. Verweerder had hem moeten wijzen op de mogelijkheid hem aansprakelijk te stellen voor de schade die klager mogelijk hierdoor zou lijden en hem, zo nodig, moeten adviseren onafhankelijk advies te vragen. Ten slotte heeft verweerder in de onderhavige klachtprocedure schriftelijk noch bij monde van zijn gemachtigde ter zitting zijn excuses aan klager en diens echtgenote aangeboden. De raad is van oordeel dat verweerder ernstig tekort is geschoten in de zorg voor zijn cliënt en acht klachtonderdeel f gegrond.

4.16 De gegrondverklaring van klachtonderdelen a en f voert in de gegeven omstandigheden en gelet op de ernst van de aan verweerder verweten gedragingen tot de slotsom dat verweerder jegens klager niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt, als bedoeld in artikel 48 lid 7 Advocatenwet. De raad zal dit ambtshalve in de beslissing opnemen.

5 MAATREGEL

5.1 Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder het feit dat verweerder niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, acht de raad voor de gegrond verklaarde klachtonderdelen a en f de maatregel van berisping passend en geboden.

BESLISSING

De raad van discipline:

 verklaart klachtonderdelen a en f gegrond;

 verklaart de klachtonderdelen b, c, d en e ongegrond;

 verklaart dat verweerder jegens klager niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt;

 legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

Aldus gewezen door mr. Th. S. Röell, voorzitter, mrs. A.S. Kamphuis, A. van Marwijk Kooy, H.B. de Regt en B.J. Sol, leden, bijgestaan door mr. E.F.E. Hoekstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 8 april 2013.

griffier voorzitter

 

Deze beslissing is in afschrift op 8 april 2013 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan voor wat betreft de gegrond verklaarde klachtonderdelen hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- verweerder

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Voor wat betreft de ongegrond verklaarde klachtonderdelen kan beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- klager

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.  Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.  Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Indien u bij de griffie van het Hof van Discipline een stuk wenst af te geven en daarvoor een ontvangstbewijs wenst te ontvangen, dient u tijdig contact op te nemen teneinde er zeker van te zijn dat het stuk onder verkrijging van de ontvangstbevestiging kan worden afgegeven.

c.  Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl