Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-04-2013

ECLI

ECLI:NL:TADRARN:2013:YA4223

Zaaknummer

13-59

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaat in TBS procedure over o.a. kwaliteit dienstverlening kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 3 april 2013

in de zaak 13-59

naar aanleiding van de klacht van:

de heer [naam]

[adres]

klager

tegen:

mr. [naam]

advocaat te [plaats]

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland van 4 maart 2013 met kenmerk RvT 1112-9463, door de raad ontvangen op 5 maart 2013, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken genummerd van 1 tot en met 12.

1 FEITEN

1.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

1.2 Klager is bij arrest van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 28 november 2011 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek en tot TBS met dwangverpleging voor poging doodslag, mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, belaging, vernieling en huisvredebreuk. Daaraan ging een veroordelend vonnis van de rechtbank Assen vooraf waarin klager ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek en TBS opgelegd kreeg maar dat was een TBS met voorwaarden. Omdat klager aan die voorwaarden niet voldeed of zou hebben voldaan werd bij de rechtbank Assen een procedure tot omzetting aanhangig gemaakt.

1.3 In beide zaken, het hoger beroep van de strafzaak en de omzettingprocedure, heeft het kantoor van verweerster klager bijgestaan. Klager had zich tot het kantoor van verweerster gewend omdat hij bijstand wilde van een kantoorgenoot van verweerster, mr. X. Verweerster heeft echter de zaken van klager behandeld, in elk geval vanaf 10 mei 2011.

1.4 Bij brief van 10 mei 2011 heeft mr. X klager het volgende geschreven:

"…….

U verzocht mij om overname van de behandeling van strafzaken. Ik heb gezegd dat ons kantoor uw zaak graag accepteert, maar dat niet ik maar mijn kantoorgenoot Mw Mr [naam verweerster] uw zaak zal behandelen. U ging hiermee akkoord. Volledigheidshalve zend ik u hierbij een verklaring met het verzoek deze te ondertekenen en door middel van de hierbij gaan de retourenvelop aan mij te retourneren. Zodra wij de stukken hebben ontvangen komt Mr [naam verweerster] u bezoeken om de zaak te bespreken.

……"

1.5 Bij brief van 23 september 2012 heeft klager de onderhavige klacht bij de deken ingediend.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) klagers zaak zonder instemming van klager over te nemen van haar kantoorgenoot, mr. X;

b) zich tweemaal te laten waarnemen door een kantoorgenoot in plaats van klager in eigen persoon bij te staan;

c) in het hoger beroep uitsluitend een simpel pleidooi te schrijven en de onderzoek wensen van klager te negeren;

d) zich boos uit te laten jegens klager omdat klager teveel informatie zou hebben vrijgegeven tijdens de zitting;

e) klager te adviseren niet in cassatie te gaan;

f) in zijn algemeenheid onzorgvuldig te zijn omgesprongen met klagers zaak en hierdoor klager ernstig te duperen.

3 BEOORDELING

3.1 Op de klacht kan, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, door de voorzitter worden beslist.

Ad klachtonderdeel a)

3.2 Volgens verweerster heeft mr. X met klager afgesproken dat niet hij maar verweerster de zaak van klager in behandeling zou nemen. Mr. X heeft deze afspraak schriftelijk aanklager bevestigd. Dat blijkt uit de brief d.d. 10 mei 2011 van mr. X aan klager die zich bij de stukken bevindt.

3.3 Het is onduidelijk of klager de akkoordverklaring, die mr. X hem heeft toegestuurd bij zijn brief van 10 mei 2011, ook inderdaad heeft ondertekend, maar dat hij akkoord is gegaan met die overdracht staat voldoende vast. De relatie met het kantoor werd immers voortgezet en verweerster heeft de zaak van klager ter hand genomen.

3.4 Dat klager daarmee tegen zijn zin akkoord is gegaan omdat hij in een dwangpositie verkeerde komt niet uit de verf. Het eindarrest van het hof is (pas) van 28 november 2011. Van tijdsdruk die verhinderde dat klager, na de weigering van Mr. X, een andere oplossing koos die hem meer zinde is in elk geval geen sprake geweest. Klager moet zich bij het optreden van verweerster in plaats van Mr. X wel hebben neergelegd. Dat strookt ook met het feit dat de klachtbrief van klager pas van september 2012 is.

3.5 Van belang is bovendien dat, waar het gaat om de vraag of verweerster aan te spreken is op deze gang van zaken, geldt dat dat pas het geval zou zijn als vast zou staan dat verweerster wist of althans had moeten weten dat deze overdracht zeer tegen de zin van klager had plaatsgevonden. Dat is niet het geval. Dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

3.6 Helemaal duidelijk is niet of verweerster zich één of tweemaal heeft moeten laten vervangen. Maar het is onweersproken dat het in elk geval één keer is geweest, dat de daarbij niet ging om voor de afwikkeling van de zaak cruciale behandelingen (of in elk geval blijkt dat niet uit de stellingen van klager), dat die vervanging nodig was omdat die behandeling(en) op korte termijn werd(en) bepaald en omdat verweerster verhinderd was. Tegen die achtergrond is met die vervanging(en) niets mis. Ook dit onderdeel van de klacht is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

3.7 Uit het arrest van het gerechtshof van 28 november 2011 blijkt dat verweerster uitgebreid verweer heeft gevoerd, in het bijzonder tegen de eventuele oplegging van een TBS met verpleging. Dat verweerster daarbij – reële – mogelijkheden heeft laten liggen, dan wel wensen van klager heeft genegeerd of op een wijze heeft gehandeld die een advocaat die zijn vak verstaat niet laat zien, komt niet uit de verf. Verweerster zou hebben nagelaten om bij de verdediging voldoende aandacht te geven aan het feit dat nader onderzoek geboden was naar de MSN berichten. Maar wat dergelijk onderzoek in het voordeel van klager en met een redelijke kans op succes zou hebben kunnen opleveren blijkt nergens uit. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel d)

3.8 Volgens verweerster koos klager bij de behandeling van het hoger beroep een opstelling, een houding, die, zo begrijpt de voorzitter, niet paste bij wat de lijn moest zijn, te weten dat klager door middel van een TBS met voorwaarden wel degelijk behandelbaar zou zijn. Klager schrijft dat hij toen boos was "omdat het de verkeerde kant opging", omdat het alleen maar ging over reclasseringscontacten. Gelet op wat in het hoger beroep aan de orde was, de vraag of een TBS met voorwaarden of een TBS met verpleging aan klager opgelegd zou worden, is dat niet opmerkelijk en het past ook dat bij een adequate verdediging dat verweerster daaromtrent (omtrent dat boos worden) van haar ongenoegen tegenover klager liet blijken. Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel e)

3.9 Volgens verweerster heeft zij de mogelijkheid om cassatieberoep aan te tekenen uitgebreid met klager besproken. Bij brief van 12 december 2012 heeft verweerster de uitkomst daarvan schriftelijk vastgelegd. Daarin staat met zoveel woorden dat klager verweerster heeft meegedeeld dat hij geen cassatieberoep wenste. De voorzitter gaat uit van de juistheid daarvan. Het is niet aannemelijk geworden dat verweerster klager omtrent de mogelijkheden die dat beroep zouden bieden onjuist heeft geadviseerd. Volgens klager zou verweerster hem hebben geadviseerd om van cassatieberoep af te zien omdat hij tegen de tijd dat een beroep zou zijn behandeld al uit de tbs zou zijn. In dat geval zou de mededeling van klager dat hij destijds geen cassatieberoep wenste door verweerster niet aan klager kunnen worden tegengeworpen want dat zou dan inderdaad een onjuist advies zijn geweest of in elk geval te speculatief om daarop een zo belangrijke beslissing te baseren. Maar dat het zo is gegaan is niet aannemelijk geworden. Ook klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel f)

3.10 Dit klachtonderdeel heeft tegen de achtergrond van de overige klachtonderdelen geen zelfstandige betekenis. Alle concrete aspecten die klager ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft genoemd zijn  hiervoor al besproken. Dit klachtonderdeel deelt daarom het lot van de andere klachtonderdelen.

BESLISSING

Wijst de klacht af.

Aldus gewezen door mr. B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter, met bijstand van mr. H.A.M. Ritsma-Hartman als griffier op 3 april 2013.

griffier  voorzitter