Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-01-2013

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2013:94

Zaaknummer

6299

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaat in dienstbetrekking van wederpartij. Vrijheid van handelen. Geen onjuiste infroamtie vestrekt. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing 28 januari 2013

in de zaak 6299

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerders

Waar in het vervolg van deze beslissing gesproken wordt van verweerder, wordt telkens verweerder sub 1 bedoeld, tenzij anders is aangegeven.

1 HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Leeuwarden (verder: de raad) van 16 december 2011, onder nummer 18/11, aan partijen toegezonden op 19 december 2011, waarbij een klacht van klager tegen verweerders ongegrond is verklaard.

2 HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1 De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 16 januari 2012 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- de antwoordmemories van verweerders;

- de brief van klager aan het hof van 2 augustus 2012;

- de brief van klager aan het hof van 10 augustus 2012;

- de brief van klager aan het hof van 30 augustus 2012;

- de brief van klager aan het hof van 10 september 2012.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 24 september 2012, waar zijn verschenen klager, vergezeld van M., en verweerders. Namens klager en namens verweerders is gepleit aan de hand van een pleitnota.

3 KLACHT

Zakelijk weergegeven luidt de klacht als volgt:

1. Tussen verweerders en verzekeringsmaatschappij X. B.V. bestaat een gezagsverhouding hetgeen leidt tot belangenverstrengeling en maakt dat verweerders hun beroep als advocaat niet in onafhankelijkheid en vrijheid kunnen uitoefenen.

2. Klager is lid van de als coöperatie aan te merken verzekeringsmaatschappij X.. Verweerders mogen daarom niet namens die verzekeringsmaatschappij tegen klager optreden.

3. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt wat zijn beroep was en in welke hoedanigheid hij handelde.

4. Verweerder heeft foutieve mededelingen aan de voorzieningenrechter gedaan. Hij heeft bewust een onderzoeksrapport achtergehouden. Daardoor is de rechter onvolledig geïnformeerd.

5. Verweerder heeft ten onrechte gesuggereerd dat klager heeft gefraudeerd, opgelicht of relevante informatie heeft achter gehouden.

6. In het kader van een onderzoek heeft verweerder zich onjuist gedragen.

7. Het UWV heeft verweerder informatie verstrekt die hij tegen klager heeft gebruikt.

8. Ondanks een daarvoor gemaakte afspraak heeft verweerder een hoger beroepsprocedure niet geroyeerd.

4 FEITEN

4.1 Het volgende is komen vast te staan:

Klager had in de periode waarop de klacht betrekking heeft diverse verzekeringen lopen bij het X.-concern. Het betrof onder meer een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Verweerders waren destijds in dienst van de concernvennootschap X. Organisatie B.V. en gedetacheerd bij een andere dochtervennootschap van X.. De aandelen van X. Organisatie B.V. en een andere tot het X.-concern behorende vennootschap, Y. B.V., berusten bij de coöperatie X., waarvan klager lid was. 

In 2001 is klager betrokken geweest bij een verkeersongeval. De wederpartij van klager bij dit ongeval was tegen zijn wettelijke aansprakelijkheid ook bij X. verzekerd. In verband met dit ongeval heeft klager van X. voorschotten ontvangen op  zijn schadevergoeding, alsmede een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook is klager, op grond van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ongeval, door het UWV een WAZ-uitkering toegekend.

Op zeker moment is bij X. het vermoeden gerezen dat klager een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven over zijn arbeidsongeschiktheid en zijn inlichtingenplicht had verzaakt omdat hij betaalde werkzaamheden verrichtte.

Dit heeft X. aanleiding gegeven tot een persoonlijk onderzoek met betrekking tot eiser. Dit onderzoek is uitgevoerd door Y.. Hangende het onderzoek heeft X. de betalingen aan klager opgeschort. Eiser heeft een kort geding tegen X. aangespannen om hervatting van die betalingen te krijgen. Verweerder is voor X. in dit kort geding als advocaat opgetreden. De kort gedingrechter heeft klagers vorderingen bij vonnis van 2 april 2007 afgewezen, waarna klager hoger beroep heeft ingesteld. In dit hoger beroep is niet van grieven gediend, zodat het vonnis in eerste aanleg  in stand is gebleven. Klager en X. zijn het tot dusverre niet eens geworden over de vraag, in hoeverre klager zijn werkzaamheden heeft hervat of andere werkzaamheden heeft verricht die van invloed zijn op de door X. uit hoofde van de verzekeringsovereenkomsten aan klager te verrichten betalingen.

In vervolg op het in opdracht van X. uitgevoerde onderzoek heeft ook het UWV, afdeling opsporing, een onderzoek ingesteld naar – kort gezegd – mogelijke uitkeringsfraude gepleegd door klager. Blijkens het desbetreffende proces-verbaal, gesloten op 8 november 2007, had het UWV, na gelegd contact met en in opdracht van de officier van justitie, het onderzoek van Y. overgenomen. Bij de stukken van dit onderzoek bevindt zich onder meer een proces-verbaal, waaruit blijkt dat de politie in Groningen op 30 augustus 2007 een aangifte van X. in ontvangst heeft genomen van – kort gezegd: - door klager gepleegde uitkeringsfraude.

Klager heeft zich bij brief van 22 maart 2007 bij UWV beklaagd over de gang van zaken bij het tegen hem ingestelde onderzoek. Bij brief van 16 april 2009 heeft het UWV aan klager meegedeeld zijn klacht gegrond te achten.

 De officier van justitie heeft in 2008 besloten terzake geen vervolging tegen klager in te stellen. X. heeft hiertegen met bijstand van verweerder een klacht ingediend ingevolge artikel 12 Sv. Deze klacht is afgewezen bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 8 april 2010, op grond van de overweging – kort weergegeven – dat geen bewijs voorhanden is voor de door X. gestelde strafbare feiten.

Klager heeft zich ook nog gewend tot de Nationale Ombudsman met een klacht over de door het openbaar ministerie na de beslissing tot klagers niet-vervolging toegekende sepotcodes (02 – ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert). De ombudsman heeft de klacht in zijn rapport van 8 mei 2012 gegrond verklaard en de minister aanbevolen te bevorderen dat zowel met betrekking tot de UWV-zaak als met betrekking tot de X.-zaak deze code wordt gewijzigd in 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt).

5 BEOORDELING

5.1 In het hoger beroep leest het hof allereerst de grief dat de raad heeft miskend dat de twee eerste klachtonderdelen mede zijn gericht tegen verweerder sub 2. Aan deze grief is met de hiervoor weergegeven formulering van de klacht tegemoet gekomen. De overige klachten zijn blijkens de inhoud ervan alleen gericht tegen verweerder sub 1.

5.2 Voor het overige heeft hetgeen klager heeft aangevoerd met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 2 en 8 het hof geen aanleiding gegeven tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan zijn opgenomen in de beslissing van de raad. Het hof voegt hieraan toe dat het de overwegingen in de beslissing van de raad op grond waarvan deze klachtonderdelen zijn verworpen – en die het hof tot de zijne maakt - mede laat gelden ten aanzien van verweerder sub 2.

5.3 Bij de beoordeling van de overige klachtonderdelen stelt het hof het volgende voorop. Verweerder trad op als advocaat van X. in een geschil waarbij klager de tegenpartij was. Zoals bij de feiten is weergegeven is X. een coöperatie, waarvan de verzekerden (onder wie klager) lid waren. Dat sluit, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, echter niet uit dat de situatie zich kan voordoen waarbij verweerder als advocaat van X. optreedt tegen klager, als lid van de onder de feiten genoemde coöperatie. In deze situatie heeft verweerder, zoals de raad terecht heeft overwogen, een grote vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem goeddunkt. De beperking is erin gelegen dat hij de belangen van de tegenpartij niet onnodig en op ontoelaatbare wijze schade toebrengt.

5.4 Het derde en het zesde klachtonderdeel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze hebben zich toegespitst op de aanwezigheid van verweerder bij getuigenverhoren in het X.-onderzoek zonder dat hij zijn hoedanigheid duidelijk heeft gemaakt. Meer in het bijzonder verwijst klager naar het verhoor van de getuige Koning, die volgens klager dit zo nodig kan bevestigen. Daarnaast laakt klager meer in het algemeen de gang van zaken bij het door X. tegen hem geïnitieerd persoonlijk onderzoek.

Verweerder heeft de stellingen van klager betwist over de gang van zaken bij het getuigenverhoor, en staande gehouden dat hij zich als advocaat van X. heeft voorgesteld.

Bij deze stand van zaken is de door klager voorgestelde gang van zaken vooralsnog niet komen vast te staan. Het hof ziet af van nader onderzoek naar de precieze gang van zaken. Als reden daarvoor laat het hof het volgende gelden. Klager heeft er gelijk in dat de advocaat bij zijn optreden geen misverstand dient te laten bestaan over de hoedanigheid waarin hij optreedt. De enkele omstandigheid dat verweerder zich niet – uit eigen beweging – als advocaat van X. zou hebben voorgesteld bij een getuigenverhoor is echter onvoldoende om zijn gedrag als klachtwaardig aan te merken. Klager heeft niet gesteld dat er meer aan de hand is geweest, zoals bij voorbeeld een weigering van verweerder antwoord te geven op de vraag wie hij was.

Verder heeft klager gesteld dat het onderzoek van Y. is geschied in strijd met de voor X. geldende gedragsregels en – zo begrijpt het hof – dat verweerder van de volgens hem onjuiste gang van zaken een verwijt kan worden gemaakt.

Voor zover klager deze argumenten in hoger beroep heeft gehandhaafd overweegt het hof als volgt.

Verweerder heeft onbetwist aangevoerd dat het persoonlijk onderzoek is uitgevoerd door drie onderzoekers van Y. en dat verweerder slechts bij één getuigenverhoor aanwezig is geweest. Er is geen grond voor een tegen verweerder als advocaat van X. gerichte klacht voor zover deze betrekking heeft op andere aspecten van het onderzoek dan verweerders persoonlijke rol bij een getuigenverhoor die hiervoor aan de orde is geweest. Ten overvloede overweegt het hof nog, dat de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek, waaraan klager refereert, niet uitsluit dat een dergelijk onderzoek door de verzekeraar zelf geschiedt (en dus niet wordt uitbesteed). Voorts is in die code het informatie- en toestemmingsvereiste geclausuleerd in die zin,  dat dit niet geldt als zwaarwichtige belangen zich daartegen verzetten en dat de resultaten “in beginsel” aan betrokkene kenbaar worden gemaakt.

Afgezien van het voorgaande heeft klager dit klachtonderdeel onvoldoende concreet onderbouwd voor gegrondbevinding ervan.

5.5 Het vierde klachtonderdeel heeft betrekking op beweerdelijk door verweerder gedane onjuiste mededelingen aan de voorzieningenrechter bij de behandeling van het onder de feiten vermelde kort geding. Klager stelt dat verweerder heeft meegedeeld dat het UWV een onderzoek naar fraude doet en dat een traject door de FIOD zal volgen. Voorts heeft verweerder een onderzoeksrapport achtergehouden.

Uit het door klager in dit verband gestelde kan geen klachtwaardig handelen van verweerder worden afgeleid. Bij de behandeling van het kort geding in maart 2007 was het onderzoek van UWV nog niet afgerond. Zoals onder de feiten is opgenomen, is het onderzoeksproces-verbaal gesloten in november 2007, dus geruime tijd na de behandeling van het kort geding. De sepotbeslissing is pas in de loop van 2008 gevolgd. De mededeling dat een traject van de FIOD zou volgen heeft betrekking op een toekomstverwachting, die niet als een bij verweerder als onjuist bekend feit kan worden gekwalificeerd. Nu het onderzoek van UWV nog liep, kan klager niet met recht stellen dat verweerder niet behoorlijk heeft gehandeld door de door klager bedoelde informatie niet in het geding te brengen. Het klachtonderdeel is daarom niet gegrond.

5.6 In het vijfde klachtonderdeel verwijt klager verweerder te hebben gesuggereerd dat klager zich had schuldig gemaakt aan fraude en het bezit van zwart geld. Het klachtonderdeel faalt bij gebreke aan voldoende feitelijke grondslag, nu niet is komen vast te staan van welke bewoordingen verweerder zich zou hebben bediend. Verweerder heeft daarnaast in dit verband terecht aangevoerd dat de voorzieningenrechter heeft aangenomen dat klager zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet is nagekomen en dat in verband daarmee niet uitgesloten was dat het onderzoek van UWV aanleiding zou geven voor nader onderzoek naar zwart geld.

5.7 In het zevende klachtonderdeel verwijt klager aan verweerder dat deze jegens hem ten onrechte gebruik heeft gemaakt van resultaten van het UWV-onderzoek. Verweerder heeft hier tegenover terecht aangevoerd dat hij op rechtmatige wijze in het bezit is gekomen van deze stukken en dat het hem vrij stond zich daarvan ten behoeve van zijn cliënt te bedienen in het geschil met klager. Het klachtonderdeel faalt.

5.8 Nu de klachten blijkens het voorgaande niet gegrond zijn, moet de beslissing van de raad worden bekrachtigd.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 bekrachtigt de beslissing van de raad van discipline te Leeuwarden van 16 december 2011 met nummer 18/11.

Aldus gewezen door mr. C.J.J. van Maanen, voorzitter, mrs. G.W.S. de Groot, C.A.M.J. Raymakers, L. Ritzema en D.J. Markx, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A.H. Holm-Robaard, griffier, en in het openbaar uitg