Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-09-2013

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2013:256

Zaaknummer

R. 4301/13.208

Inhoudsindicatie

Het aan verweerder verweten handelen heeft ruim vijf jaar geleden plaatsgevonden. Klaagster heeft geen omstandigheid aangevoerd, die het tijdsverloop tussen deze gedragingen en het indienen van de klacht rechtvaardigt, althans geen omstandigheid die zwaarder zou moeten wegen dan toepassing van het beginsel van rechtszekerheid.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Klacht kennelijk niet-ontvankelijkheid.

Uitspraak

 

De plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam van 2 september 2013, door de raad ontvangen op 3 september 2013, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken, van het volgende worden uitgegaan.

1.1 Klaagster is van Indonesische afkomst en is in 2003 naar Nederland gekomen.

1.2 Klaagster en haar voormalige echtgenoot hebben zich in 2007 tot verweerder gewend vanwege duurzame ontwrichting van hun huwelijk. Uit dit huwelijk is een tweeling geboren op 7 november 2003.

1.3 Verweerder heeft voor klaagster een toevoeging aangevraagd en gekregen.

1.4 Partijen hebben de gevolgen van de beëindiging van het huwelijk vastgelegd in een convenant op 30 maart 2007.

1.5 Bij beschikking van 6 december 2007 van de Rechtbank Alkmaar is de echtscheiding met nevenverzoeken gegeven.

1.6 De echtscheidingbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 17 januari 2008.

1.7 Klaagster heeft op 17 januari 2013 een verzoekschrift ingediend om onder meer te komen tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de tweeling.

1.8 Klaagster heeft bij brief van 24 januari 2013 verweerder aansprakelijk gesteld voor de (gevolg)schade ten gevolge van de verleende rechtsbijstand.

1.9 Bij brief van 8 april 2013 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Meer in het bijzonder verwijt klaagster verweerder dat hij tekort is geschoten in de behartiging van klaagsters belangen. Verweerder behartigde in 2007 de belangen van klaagster en haar voormalige echtgenoot, maar had met name oog voor de belangen van de voormalige echtgenoot van klaagster. Klaagster beheerste in 2007 de

Nederlandse taal niet goed. Klaagster is van mening dat zij door de wijze waarop de gevolgen van de echtscheiding zijn geregeld alles is kwijtgeraakt.

 

3. BEOORDELING

3.1 In het tuchtrecht voor advocaten gelden geen algemene termijnen voor de uitoefening van het klachtrecht. Bij de beantwoording van de vraag of een klager, gelet op het tijdsverloop tussen de gedragingen van de advocaat waarover wordt geklaagd en de indiening van de klacht, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, moeten twee belangen tegen elkaar worden afgewogen. Enerzijds het ten gunste van de klager wegende maatschappelijk belang dat het optreden van een advocaat door de tuchtrechter kan worden getoetst. Anderzijds het belang dat de advocaat heeft bij toepassing van het beginsel van rechtszekerheid, dat onder meer meebrengt dat een advocaat ervan mag uitgaan dat een klacht over de wijze waarop hij zijn werkzaamheden heeft verricht binnen een redelijke termijn wordt ingediend en dat hij zich na verloop van een als onredelijk te beschouwen termijn tegenover de tuchtrechter moet verantwoorden over zijn optreden van destijds. Deze afweging zal de tuchtrechter van geval tot geval dienen te maken, rekening houdende met de relevante feiten waarop de klacht betrekking heeft, het tijdstip waarop de klager zich redelijkerwijs bewust had kunnen en behoren te zijn van de reden van zijn klacht, alsmede de moeilijkheden die de verweerder zal ondervinden om zich na een zeker tijdsverloop nog adequaat tegen de klacht te verweren. Toepassing van het beginsel van rechtszekerheid brengt mee dat van een klager verwacht kan worden dat hij niet te lang wacht. Daarbij is door het Hof van Discipline in uitspraken op dit punt, steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval, wel een termijn van ongeveer drie jaar aangehouden.

3.2 Het aan verweerder verweten handelen heeft ruim vijf jaar geleden plaatsgevonden. Klaagster heeft geen omstandigheid aangevoerd, die het tijdsverloop tussen deze gedragingen en het indienen van de klacht rechtvaardigt, althans geen omstandigheid die zwaarder zou moeten wegen dan toepassing van het beginsel van rechtszekerheid.

3.3 Gelet op het voorgaande dient de klacht kennelijk niet-ontvankelijkheid te worden verklaard.

 

4 BESLISSING

Wijst de klacht als kennelijk niet-ontvankelijk af.

 

Aldus gewezen door mr. M.F. Baaij, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M. Boender-Radder als griffier op 18 september 2013.

griffier                                                                         voorzitter

 

 

 

 

 

 

 

Deze beslissing is in afschrift op 19 september 2013 per aangetekende post verzonden aan:

- klaagster

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam.

Ingevolge artikel 46h van de Advocatenwet kan klager en de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Gravenhage, Postbus 85850, 2508 CN ’s-Gravenhage (faxnummer: 070-350 10 24). Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift (in tweevoud), waarin de gronden van het verzet voorzien van een motivering worden omschreven. De termijn van 14 dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de veertiende dag van die termijn moet het verzetschrift derhalve ontvangen zijn op de griffie van de Raad van Discipline. Verlenging van de termijn van 14 dagen is niet moge¬lijk.