Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-01-2013

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2013:YA3718

Zaaknummer

12-366A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Vrijheid van handelen. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 11 januari 2013

in de zaak 12-366A

naar aanleiding van de klacht van:

1. de heer

2. de heer

3. mevrouw

p/a de heer drs.

klagers

tegen:

de heer mr.

advocaat te Amsterdam

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam van 13 december 2012 met kenmerk1313-0130, door de raad ontvangen op 17 december 2012, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. Verder heeft de voorzitter kennis genomen van de brief van 16 december 2012 met bijlage van klagers aan de raad.

1 FEITEN

1.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

1.2 Klagers sub 1 en 2, broers, zijn verwikkeld in geschillen over de nalatenschap van hun moeder en broer met twee van hun zusters. Die worden bijgestaan door verweerder. In één van de procedures heeft klaagster sub 3, een derde zus, voeging gevraagd. Klagers sub 1 en 2 hebben zich in de procedures laten bijstaan door opvolgende advocaten, laatstelijk door mr. B.

1.3 Voor de rol van 4 augustus 2010 stonden twee procedures over de nalatenschappen van de moeder en broer van klagers op de rol. In één van de procedures (met zaaknummer 348705 EZ VERZ 08-68) had de kantonrechter de zaak verwezen naar de rechtbank en de zussen bevolen om de broers bij exploot op te roepen voor de zitting van 4 augustus 2010. In de andere procedure was bij vervroeging tussenvonnis gewezen waarbij de procedure was verwezen naar de rol van 4 augustus 2010 voor het nemen van een conclusie door klaagster sub 3.

1.4 In de procedure met zaaknummer 348705 EZ VERZ 08-08 heeft verweerder klagers sub 1 en 2 bij exploot van 26 juli 2010 opgeroepen om te verschijnen op de rolzitting van 4 augustus 2010. De advocaat van klagers sub 1 en 2 heeft zich niet gesteld voor de rol van 4 augustus 2010, waarna de rechtbank op 1 september 2010 een verstekvonnis heeft gewezen, met veroordeling van klagers sub 1 en 2 in de proceskosten.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerder heeft nagelaten een kopie van het exploot van dagvaarding dat op 26 juli 2010 aan klagers sub 1 en 2 is uitgebracht ter kennisgeving aan de advocaat van klagers sub 1 en 2, mr. B, toe te zenden.

2.2 Ter toelichting op de klacht hebben klagers verwezen naar een zaak van het Hof van Discipline van 7 oktober 2011, waarin het Hof oordeelde dat de advocaat een kopie van de dagvaarding aan de advocaat van de wederpartij had moeten toezenden.

3 BEOORDELING

3.1 De voorzitter overweegt met betrekking tot de klacht als volgt. De klacht heeft betrekking op de rechtbankprocedure waarin klagers sub 1 en 2 (als gedaagde partijen) niet zijn verschenen en waarin op 1 september 2010 verstekvonnis is gewezen. De kantonrechter had in de beschikking van 7 juli 2010 reeds bepaald dat de zaak zou worden verwezen naar de rolzitting van 4 augustus 2010. De oproeping betrof derhalve slechts een formaliteit. Ook de advocaat van klagers sub 1 en 2, die in de beschikking als behandelend advocaat van klagers sub 1 en 2 wordt vermeld, heeft kennis kunnen nemen van de beschikking en de daarin opgenomen roldatum.

3.2 Klagers sub 1 en 2 hebben een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en zijn op dit adres door verweerder gedagvaard. In zoverre gaat de vergelijking met de zaak van het Hof van Discipline van 7 oktober 2011 mank. In die zaak was conservatoir beslag gelegd ten laste van iemand die per openbaar exploot was gedagvaard door de advocaat in kwestie en bestond de aanmerkelijke kans dat de bewuste persoon geen kennis kon nemen van de dagvaarding. Om die reden was het derhalve aangewezen dat de advocaat een kopie van de dagvaarding zou hebben verzonden aan de advocaat van de bewuste persoon. Die situatie doet zich hier niet voor nu klagers sub 1 en 2 wel op de hoogte konden zijn van de aan hun adres uitgebrachte dagvaarding, terwijl ook de advocaat op grond van de beschikking van 7 juli 2010 bekend was met de roldatum waarnaar de zaak was verwezen. Onder die omstandigheden is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder geen kopie van het oproepingsexploot aan de advocaat van klagers sub 1 en 2 heeft gestuurd.

3.3 De conclusie luidt dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt treft.

3.4 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de klacht, met toepassing van artikel 46gAdvocatenwet, kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J. Blokland, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. L.H. Rammeloo als griffier op 11 januari 2013.

griffier  voorzitter

Deze beslissing is in afschrift op 11 januari 2013 per aangetekende post verzonden aan:

- klagers

en per gewone post aan:

-  verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

Ingevolge artikel 46h van de Advocatenwet kunnen klagers en de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, Postbus 75265, 1070 AG Amsterdam (fax: 020-7954275). Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift (in tweevoud), waarin de gronden van het verzet voorzien van een motivering worden omschreven. De termijn van 14 dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de veertiende dag van die termijn moet het verzetschrift derhalve ontvangen zijn op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van 14 dagen is niet mogelijk.