Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-12-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2012:YA3561

Zaaknummer

12-142A

Inhoudsindicatie

Verzet zaak. Klacht tegen advocaat van de wederpartij. Verweerder staat de moeder (tevens ex-echtgenote van klager) van het kind van klager bij in een geschil over de omgangsregeling van klager met het kind. In een processtuk heeft verweerder opmerkingen over het strafrechtelijk verleden van klager gemaakt, waarvan verweerder kon weten dat deze niet juist waren. Onnodig grievend. Verzet is gegrond; klacht is gedeeltelijk gegrond; waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van 12 december 2012

in de zaak 12-142A

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 13 juni 2012 op de klacht van:

de heer

p/a

klager

tegen:

mr.

advocaat te Amsterdam    

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 10 mei 2012 met kenmerk GK/YH 1112-354, door de raad ontvangen op11 mei 2012, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2 Bij beslissing van 11 juni 2012 heeft de voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op 13 juni 2012 is verzonden aan klager.

1.3 Bij faxbrief van 26 juni 2012, door de raad ook ontvangen op 26 juni 2012, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld ter zitting van de raad van 10 oktober 2012 in aanwezigheid van klager. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop de beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven, alsmede van het verzetschrift van klager van 26 juni 2012.

2 FEITEN

2.1 Voor een weergave van de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter, waartegen klager in verzet in zoverre niet opkomt. Voor de beoordeling van de klacht en het verzet zijn voorts de volgende feiten van belang:

2.2 De ex-echtgenote van klager heeft in oktober 2011 een kort geding tegen hem aanhangig gemaakt. Op 20 oktober 2011 is het kort geding behandeld. In het proces-verbaal van de zitting is opgenomen:

"(...) 4. Partijen verzoeken de behandeling pro forma aan te houden tot 21 november 2011. (...) [de advocaat van klager] zal binnen twee weken na heden aan de voorzieningenrechter en de wederpartij een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende de man doen toekomen (...)".

2.3 Het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende klager vermeldt voor zover van belang een transactie van EUR 90,76 terzake overtreding van art. 13 lid 1 Wet wapens en munitie gepleegd op 10 oktober 1995.

2.4 De voortzetting van het kort geding is behandeld op 16 december 2011. Tijdens deze zitting is het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende klager door de Voorzieningenrechter, verweerder en klagers advocaat besproken. Het kort geding is pro forma aangehouden tot 16 januari 2012.

2.5 Op 27 december 2011 heeft verweerder namens de ex-echtgenote een verzoekschrift tot wijziging omgangsregeling bij de rechtbank te Amsterdam ingediend. Onder nr. 6 heeft verweerder het volgende vermeld:

"Ondanks het bovengenoemde heeft de vrouw, in het belang van de minderjarige, alsnog ingestemd met het voortduren van de omgangsregeling. Een en ander terwijl eiseres inmiddels op de hoogte is gekomen van het feit dat de man diverse malen werd gearresteerd in verband met drugs, wapenbezit en dergelijke, terwijl de vrouw bekend is dat de man ontelbare boetes in verband met snelheidsovertredingen heeft gekregen."

2.6 Bij brief met bijlagen van 4 januari 2012 heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerder.

3 KLACHT EN VERZET

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) hij in de procedure betreffende de omgangsregeling namens zijn cliënte, de ex-echtgenote, zonder kennis van zaken of enige vorm van verificatie klakkeloos overneemt wat zijn cliënte hem vertelt;

b) hij zowel in de kortgedingdagvaarding als in het later door verweerder namens de ex-echtgenote op 27 december 2011 ingediende verzoekschrift heeft vermeld dat klager herhaaldelijk is gearresteerd in verband met drugs, wapenbezit en dergelijke terwijl verweerder tijdens de voortgezette behandeling van het kort geding op 16 december 2011 het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende klager heeft ingezien en daarin geen veroordelingen terzake drugs of wapenbezit zijn opgenomen;

c) hij in weerwil van de hierover door klager verstrekte informatie de feitelijke woonplaats van klager in twijfel trekt en hij twijfel probeert te zaaien over het gebruik door klager van de auto, waarbij verweerder klager vraagt bonnetjes van het openbaar vervoer over te leggen;

d) hij op een niet constructieve manier communiceert met de advocaat van klager, op een zeer laat tijdstip informatie overlegt, valse aangiftes tegen klager heeft ingediend en de beschuldigingen van de ex-echtgenote aan het adres van klager klakkeloos overneemt.

3.2 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat:

i verweerder, hoewel hij op 16 december 2011 kennis heeft genomen van het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende klager waaruit volgt dat klager nimmer met justitie in aanraking is geweest in verband met wapenbezit en/of drugs, in het daarna opgestelde verzoekschrift wederom stelt dat klager diverse malen werd gearresteerd in verband met drugs, wapenbezit en dergelijke terwijl elke aanraking met justitie in het strafblad wordt vermeld en deze aantijgingen dus aantoonbaar, en bij verweerder, bekend onjuist waren;

ii verweerder en de ex-echtgenote er alles aan doen om klager in een zo negatief mogelijk daglicht te plaatsen met het doel dat de ex-echtgenote met de zoon van haar en klager naar het buitenland kan vertrekken.   

4 BEOORDELING VAN HET VERZET / DE KLACHT

4.1 De raad is van oordeel dat de voorzitter bij haar beoordeling de juiste maatstaf (zoals door haar weergegeven in de eerste twee alinea's van hoofdstuk 4 van haar beslissing) heeft toegepast. De raad komt echter, bij toetsing aan die maatstaf van hetgeen verweerder in het verzoekschrift van 27 december 2011 onder nr. 6 heeft vermeld, tot een ander oordeel dan de voorzitter voor zover het klachtonderdeel b betreft.

4.2 Klager heeft onweersproken gesteld dat verweerder tijdens de voortgezette behandeling van het kort geding op 16 december 2011 kennis heeft genomen van het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende klager.  In dit uittreksel zijn geen vermeldingen in verband met overtreding van de Opiumwet te vinden. Verweerder heeft de aan hem toekomende grote mate van vrijheid overschreden nu hij op 27 december 2011, toen hij het verzoekschrift indiende, op z’n minst zeer grote twijfel moest hebben ten aanzien van de juistheid van de kennelijke mededeling van zijn cliënte, inhoudende dat klager diverse malen zou zijn gearresteerd in verband met drugs, wapenbezit en dergelijke. Ten aanzien van het gestelde wapenbezit geldt aanvullend nog het volgende. Zoals hierboven onder 2.3 weergegeven is klager op 1 februari 1996 akkoord gegaan met een transactie in verband met overtreding van de Wet wapens en munitie op 10 oktober 1995. Klager was ten tijde van dit voorval 15 jaar oud. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop sinds de overtreding, de beperkte hoogte van het transactiebedrag (EUR 90,76 ofwel NLG 200) en deze enkele vermelding van overtreding van de Wet wapens en munitie in het uittreksel, ook hierom had verweerder in het verweerschrift niet mogen vermelden dat klager diverse malen in verband met wapenbezit was gearresteerd.

4.3 Het voorgaande leidt ertoe dat het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter gegrond is en dat ook klachtonderdeel b gegrond is.

4.4 De juistheid van de stellingen waarop de tweede verzetsgrond rust, inhoudend dat verweerder en de ex-echtgenote klager in een zo negatief mogelijk daglicht proberen te plaatsen zodat de ex-echtgenote met de minderjarige Nederland kan verlaten, heeft de raad niet kunnen vaststellen. Deze verzetsgrond is dan ook niet gegrond.

4.5 Nu er verder geen gronden zijn gericht tegen de overige verworpen klachtonderdelen sluit de raad zich voor het overige aan bij de overwegingen van de voorzitter in haar beslissingen. Dat betekent dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn.

5 MAATREGEL

5.1 De raad is van oordeel dat de maatregel van een enkele waarschuwing op zijn plaats is. In de onderhavige zaak gaat het om een omgangsregeling waarbij een jong kind is betrokken. Gezien deze aard van de zaak mag van verweerder een grote mate van welwillendheid en extra zorgvuldigheid worden verwacht, bij o.m. het verifiëren van de feiten die hij in de procedure(s) naar voren brengt. Verweerder heeft deze welwillendheid en zorgvuldigheid in de procedure volgend op het kort geding niet in acht genomen.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het onderdeel b van de klacht gegrond;

- verklaart de overige onderdelen van de klacht ongegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van een enkele waarschuwing op.

Aldus gewezen door mr.J. Blokland, voorzitter, mrs. M.A. le Belle, P. van Lingen, M.W. Schüller en S. Wieberdink, leden, bijgestaan door mr. L.C. Dufour als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2012.

Griffier voorzitter

 

Deze beslissing is in afschrift op 12 december 2012 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement  Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- klager

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.  Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.  Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof.

c.  Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl