Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-04-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2012:YA2749

Zaaknummer

H223-2011

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een echtscheidingsprocedure na overname van de zaak van een kantoorgenoot. Desondanks heeft hij geen enkel contact met klaagster opgenomen totdat hij circa 4 maanden later na aanleiding van een van de wederpartij ontvangen ouderschapsplan telefonisch contact zocht met klaagster en van haar vernam dat er de daarop volgende dag een zitting zou plaatsvinden waarop verweerder toen geheel onvoorbereid is verschenen. Ook heeft verweerder in de procedure geen kinderalimentatie gevraagd hoewel klaagster haar wens daartoe aan de voorganger van verweerder had kenbaar gemaakt. Tenslotte heeft verweerder klaagster op geen enkele wijze geadviseerd omtrent een eventueel hoger beroep en heeft hij volstaan met het klaagster toezenden van een akte van berusting.

Uitspraak

Beslissing van 23 april 2012

in de zaak H 223 - 2011

naar aanleiding van de klacht van:

 

de heer A

 

klager

 

tegen:

mw mr B

verweerster

 

 

1               Verloop van de procedure

1.1         Bij brief aan de raad van 21 november 2011, met kenmerk K, door de raad ontvangen op 22 november 2011, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement H de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2         De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 5 maart 2012 in aanwezigheid van klager, vergezeld van zijn gemachtigde en in aanwezigheid van verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3         De raad heeft kennis genomen van de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 21 november 2011 met bijlagen.

 

2               FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan:

2.1         Verweerster heeft de echtgenote van klager in een echtscheidingsprocedure bijgestaan. Het ging om langdurige procedure, waarin drie mondelinge behandelingen,een wijziging van voorlopige voorzieningen en een kort geding hebben plaatsgevonden. De echtscheidingsbeschikking dateert van 22 december 2010.

2.2         Klager is lijdende aan kanker en heeft tijdens de procedure in verband daarmede diverse behandelingen moeten ondergaan.

2.3         Bij brief (met bijlagen) van 6 oktober 2011 van de gemachtigde van klager heeft deze zich bij de deken beklaagd over verweerster.

 

3               KLACHT

3.1         De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet immers:

a)            Verweerster als voormalig advocate van de echtgenote van klager heeft vlak vóór de behandeling van het verzoekschrift wijziging voorlopige voorzieningen contact gehad met de behandelend rechter buiten aanwezigheid van klager en diens advocaat.

b)            Verweerster heeft zich tijdens die zitting onnodig grievend over klager uitgelaten ondermeer suggererend dat klager zijn ziekte simuleerde.

c)            Verweerster heeft door haar onwelwillende houding de tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking in de weg gestaan.

Klager vindt, dat verweerster zich aldus niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat zich heeft te gedragen

 

 

4               VERWEER

4.1         Verweerster heeft zich tegen de klacht als volgt verweerd:

a)      Verweerster ontkent ten stelligste dat zij voorafgaand aan de behandeling van het verzoekschrift wijziging voorlopige voorzieningen contact heeft gehad met de behandelend rechter. Een rechter zou een dergelijk “onderonsje” ook niet toestaan. Daarnaast werd klager bijgestaan door een advocaat, die namens klager had kunnen ingrijpen, hetgeen niet is gebeurd.

b)      Verweerster ontkent dat zij zich onnodig grievend over klager zou hebben uitgelaten. Zij heeft slechts de belangen van haar cliënte en de dochters van partijen behartigd. Zij verwijst hiervoor naar de terzake opgemaakte processen- verbaal.

c)      Verweerster stelt dat niet zij onwelwillend is geweest bij de tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking, maar dat juist klager in gebreke is gebleven met de nakoming van zijn verplichtingen op grond van deze beschikking.

 

5               BEOORDELING

5.1         Met betrekking tot het eerste onderdeel van de klacht stelt de raad het volgende vast.. Dit onderdeel van de klacht wordt louter gebaseerd op een indruk van klager, zonder dat deze op enigerlei wijze nader wordt onderbouwd. Daar komt bij dat de toenmalige indruk van klager kennelijk niet werd gedeeld door de advocaat, die hem bij deze behandeling bijstond. Door verweerster zijn de door klager geuite vermoedens gemotiveerd bestreden.

         Bij die stand van zaken concludeert de raad,dat op geen enkele wijze is   komen vast te staan dat er voorafgaande aan de behandeling van het    verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen buiten aanwezigheid             van klager vooroverleg is geweest tussen de behandelend rechter en          verweerster. Dit onderdeel van de klacht dient dan ook als feitelijk ongegrond            te worden afgewezen.

 .

5.2         Wat betreft het tweede onderdeel van de klacht hanteert de raad het in de jurisprudentie vastgelegde uitgangspunt, dat aan een advocaat een ruime mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn/haar cliënt te behartigen op de wijze die hem/haar (in overleg met die cliënt) goeddunkt. Deze vrijheid vindt wel haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van nodeloos grievende bewoordingen. Het is de raad niet gebleken dat verweerster deze grenzen heeft overschreden. Noch in het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2010 noch in het nadien overgelegde proces-verbaal van de zitting van 19 juli 2010 zijn daarvoor aanwijzingen te vinden. Indien en voor zover verweerster de ziekte van klager tijdens deze behandelingen ter sprake heeft gebracht, geschiedde dit op grond van zakelijke motieven in het belang van haar cliënte.

5.3         In het derde onderdeel van zijn klacht verwijt klager verweerster dat zij zich volstrekt onwelwillend zou hebben opgesteld bij de afwikkeling van de echtscheidingsbeschikking en de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden. Ook hierbij mag naar het oordeel van de raad niet uit het oog worden verloren dat het aan verweerster was om (in overleg met haar cliënte) te bepalen op welke wijze de belangen van deze cliënte het beste zouden worden gediend. Nu verweerster bij brief van 2 september 2011 klager heeft gesommeerd aan zijn financiële verplichtingen jegens haar cliënte te voldoen vóór 9 september 2011 te 17.00 uur, kan niet gesteld worden dat zij daarmede de norm van gedragsregel 19 heeft geschonden, mede gezien het gegeven dat de echtscheidingsbeschikking, waaruit deze verplichtingen voortvloeiden, dateert van 22 december 2010.

5.4         Samenvattend zal de raad de drie onderdelen van de klacht ongegrond verklaren.

 

          BESLISSING

De raad van discipline:

Verklaart de klacht ongegrond.

 

            Aldus gewezen door :  mr G.J.E. Poerink, voorzitter, mrs mw E.J.P.J.M.           Kneepkens, mw Th. Kremers, mw A.A. Freriks en A.A.J. Maat, leden, bijgestaan door mr C.M. van Lanschot als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 april 2012.

 

 

griffier                                                                         voorzitter                                  

 

 

 

 

 

Deze beslissing is in afschrift op    24 april 2012                                  per aangetekende brief  verzonden aan:

-            klager

-            verweerder

-            de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch

-            de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

 

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

-            klager

-            verweerder

-            de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch

-            de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

 

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

 

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

 

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.    Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.    Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof.

c.    Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl