Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-12-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRARN:2012:YA3766

Zaaknummer

11-165

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaten van de wederpartij onder andere over gesteld misbruik maken van positie en naamsbekendheid als voormalig deken en over strijdigheid met procesreglement kort geding. Alle klachtonderdelen afgewezen.

Uitspraak

Beslissing van 17 december 2012

in de zaak 11-165

naar aanleiding van de klacht van:

klager tegen verweerders

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 8 december 2011 met kenmerk 1011-9050LP/SD, door de raad ontvangen op 12 december 2011, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Utrecht de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 22 oktober 2012 in aanwezigheid van klager en verweerders. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennis genomen van:

- de in 1.1 genoemde brief van de deken aan de raad en van de stukken 1 tot en met 13 zoals vermeld op de bij de brief gevoegde inventarislijst.

- De brief van klager van 4 oktober 2012 met bijlagen.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2 Verweerder sub 2 staat de ex-echtgenote van klager bij, bij de afwikkeling van de echtscheiding en verschillende executiegeschillen. Verweerder sub 1 is de gemachtigde van de ex-echtgenote van klager in een klachtzaak tegen klager. Achtergrond van die klachtzaak is dat de Rechtbank Utrecht bij beschikking van 25 september 2009 de echtscheiding tussen klager en zijn ex-echtgenote heeft uitgesproken. Klager had op grond van de beschikking van de rechtbank een vordering op zijn ex-echtgenote van EUR 238.854,-. Die beschikking was op dat punt uitvoerbaar bij voorraad. Klager had belangrijk meer gevorderd. Klager had eerder voor zijn vordering of vorderingen op zijn ex-echtgenote conservatoir beslag doen leggen op twee bankrekeningen van klaagster (bij de ING-bank en bij de Rabobank) en op haar woning. Aan haar werd bevel gedaan om het door de rechtbank toegewezen bedrag te betalen.

2.3 Op 29 april 2011 diende een kort geding waarin de ex-echtgenote van klager onder andere opheffing vorderde van de (inmiddels in executoriale) geconverteerde beslagen. Zij bood aan een bankgarantie te stellen en verweerder sub 2 heeft bij gelegenheid van dat kort geding een kopie van de betreffende bankgarantie als productie overgelegd. De klacht tegen klager is door verweerder sub 1 ingediend, omdat hij vóór de uitspraak van de Voorzieningenrechter een beroep heeft gedaan op die bankgarantie, op grond waarvan de ING-Bank op 6 mei 2011 is overgegaan tot inlossing van de bankgarantie. Op nagenoeg hetzelfde moment wikkelde de Rabobank het onder haar gelegde beslag af en betaalde aan klager € 64.164,71. Het resultaat van een en ander was dat klager beduidend meer ontving dan aan hem bij de beschikking van 29 september 2009 was toegewezen.

2.4 Na indiening van de klacht van de ex-echtgenote van klager tegen klager heeft klager zich bij brief met bijlagen van 16 juni 2011 bij de deken beklaagd over verweerders en daarom gaat het in deze zaak.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

Verweerder sub 1:

a) Een klacht heeft ingediend louter om klager door bedreiging met smaad c.q. middels smaad/klaagschrift althans onder druk van de een tuchtrechtelijke klacht tot terugbetaling te dwingen;

b) Door het indienen van de tuchtrechtelijke klacht tegen klager tracht te verhullen dat zijn kantoorgenoot verweerder sub 2 onzorgvuldig zou hebben gehandeld, waarmee hij bij zijn cliënte de indruk heeft proberen te wekken dat niet verweerder sub 2, maar klager onjuist zou hebben gehandeld;

c) Door het indienen van de tuchtrechtelijke klacht tegen klager misbruik maakt van zijn positie en naamsbekendheid als voormalig deken Utrecht;

d) In de beschrijving van zijn klacht heeft verzuimd te vermelden dat de behandelend advocaat van het dossier verweerder sub 2 was;

Verweerder sub 2:

e) Onterecht de klacht van zijn cliënte heeft laten indienen door verweerder sub 1 louter met als doel klager tot terugbetaling te dwingen;

f) Met het indienen van de tuchtrechtelijke klacht tegen klager heeft getracht zijn eigen onzorgvuldig handelen te verhullen;

g) Tracht de schade en kosten af te wentelen op klager en zijn cliënte;

h) Misbruik heeft gemaakt van de positie en naamsbekendheid van verweerder sub 1 als voormalig deken Utrecht door de klacht tegen klager door verweerder sub 1 te laten indienen;

i) Bewust voor de rechtbank Utrecht heeft gekozen om klager verder onder druk te zetten en reputatieschade te laten leiden;

j) De rechter en klager heeft proberen te misleiden door bewust een kopie van de bankgarantie te verstrekken met de kennelijke bedoeling tot opheffing van de beslagen te komen zonder het verstrekken van een bankgarantie en zonder betaling door zijn cliënte aan klager;

k) Heeft gehandeld in strijd met het procesreglement kort gedingen door: 

- ten onrechte geen opgave aan de rechtbank te doen van de verhinderdata van klager en diens advocaat;

- het ertoe te leiden dat het kort geding op 17 juni 2011 is bepaald op welke dag klager en zijn advocaat verhinderd waren,

- na te laten mededeling van de zittingsdatum te doen aan de advocaat van klager;

-  na te laten aan de advocaat van klager een kopie van de (concept)dagvaarding te zenden;

l) Herhaaldelijk termijnen heeft gesteld, waarvan hij moest beseffen dat deze niet konden worden gehaald;

m) Zich onnodig grievend heeft uitgelaten over klager door ten onrechte te stellen dat hij de bankrekening van de cliënte van verweerder sub 2 zou hebben geplunderd;

n) Ter zitting van 17 juni 2011 geen melding heeft gemaakt van het beslag onder de Van Lanschot bank;

o) Het conservatoir beslag uitsluitend heeft laten leggen om klager aan te tasten in zijn eer en goede naam en heeft hem aldus onder druk gezet;

p) In de kort gedingdagvaarding van 1 juni 2011 ten onrechte heeft gevorderd dat klager wettelijke rente verschuldigd zou zijn;

Verweerders:

q) Ten onrechte twee maal verlof hebben gevraagd, terwijl had kunnen worden volstaan met het eenmalig vragen van verlof, zodat de cliënte van verweerders en klager zich met minder onnodige kosten geconfronteerd zouden zien;

r) De klacht van hun cliënte uitsluitend hebben ingediend vanwege hun eigen belang te weten hun eigen onzorgvuldig handelen te verhullen.

 

4 BEOORDELING

4.1 Met klachtonderdeel a) jegens verweerder sub 1 en klachtonderdeel e) jegens verweerder sub 2 stelt klager kort gezegd dat de klachten in de zaak 11-166 tegen hem uitsluitend zijn ingediend om hem te dwingen tot terugbetaling van het teveel uitbetaalde bedrag door de Rabobank. Ook de klachten jegens verweerder sub 1 onder b) en jegens verweerder sub 2 onder f) veronderstellen een intentie waarmee de klacht tegen klager (bij de raad aanhangig onder rolnummer 11-166) is ingediend. Deze intentie is door verweerders uitdrukkelijk betwist ter zitting en klager heeft bovendien nagelaten zijn verwijten nader te concretiseren. De feiten en omstandigheden waarop klager deze onderdelen van de klacht baseert, wijzen niet en zeker niet eenduidig uit dat het niet anders kan zijn dan dat verweerders zich door middel van de klacht die de ex- echtgenote van klager indiende in feite met deze – hun eigen – agenda tegen klager hebben gericht. De verwijten zijn (dus) in zoverre niet komen vast te staan, zodat de klachtonderdelen a), b), e) en f) ongegrond zijn. Klachtonderdelen g), o), q), p) en r) treffen hetzelfde lot. Niet is komen vast te staan de intentie van verweerder sub 2 om schade en kosten af te wentelen op klager en zijn ex-echtgenote en evenmin dat verweerder sub 2 het conservatoir beslag heeft gelegd om klager aan te tasten in zijn eer en goede naam. Ook de overige verwijten in deze klachtonderdelen zijn onvoldoende onderbouwd dan wel geconcretiseerd.

4.2 Dat verweerders of één van hen misbruik zouden hebben gemaakt van de naamsbekendheid van verweerder sub 1 als voormalig deken komt niet uit de verf. Klachtonderdelen c) en h) zijn daarmee eveneens ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel d) betreft het verwijt jegens verweerder sub 1 dat hij in zijn klachtbrief heeft verzuimd te vermelden dat de behandelend advocaat van het dossier van de ex-echtgenote van klager (ook) verweerder sub 2 was. De raad ziet hierin, wat daar verder van zij, geen klachtwaardig handelen, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel i) ziet op het dagvaarden in een kort-geding bij de Rechtbank Utrecht, in plaats van bij de Rechtbank Arnhem. Ondanks het feit dat de familierechtelijke zaken door Utrecht waren doorverwezen naar Arnhem, acht de raad het starten van een kort-geding over de afwikkeling in Utrecht, welke rechtbank bevoegd was omdat klager in M woont, geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Ook klachtonderdeel i) is derhalve ongegrond.

4.5 Klager heeft zijn stelling dat verweerder sub 2 zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door het overleggen van een kopie van de bankgarantie met de kennelijke bedoeling om tot opheffing van de beslagen te komen zonder het verstrekken van een originele bankgarantie en zonder betaling, niet geconcretiseerd. Verweerder sub 2 heeft aangevoerd dat het de intentie was om de originele bankgarantie te verstrekken na het vonnis van de Voorzieningenrechter. Wat daarvan ook zij, van het oogmerk of een andersoortige – klachtwaardige- intentie van verweerder sub 2 om de rechter of klager of beiden te misleiden is niet gebleken. Klachtonderdeel j) is ongegrond.

4.6 Klachtonderdeel k) ziet op de wijze waarop verweerder sub 2 het kort-geding is gestart, naar de mening van klager in strijd met het procesreglement kort gedingen. De stelling dat verweerder sub 2 daarbij geen verhinderdata aan klager of diens advocaat heeft gevraagd, is feitelijk onjuist. Met klager is de raad het eens dat de termijn waarbinnen de verhinderdata konden worden afgegeven erg kort was, maar dit is niet klachtwaardig. Dat het kort-geding is gepland op een datum waarop klager en diens advocaat verhinderd waren, is vervelend, maar onvoldoende is uit de verf gekomen dat dit bewust zo is gepland door verweerder sub 2. Ten slotte kan het nalaten door verweerder sub 2 de datum van het kort geding door te geven en de (concept-) dagvaarding toe te zenden, als minder coulant worden aangemerkt, maar ook dat levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klachtonderdeel k) is in zijn geheel ongegrond.

4.7 Klachtonderdeel l) treft hetzelfde lot nu ook op dit punt niet is gebleken dat verweerder sub 2 bewust is geweest van het feit dat door hem gestelde termijnen niet konden worden gehaald.

4.8 Met onderdeel m) stelt klager dat verweerder sub 2 zich onnodig grievend zou hebben uitgelaten met de stelling dat klager de bankrekening van de ex-echtgenote van klager zou hebben geplunderd. De raad acht deze uitlating echter niet zodanig grievend of kwetsend dat dat niet meer zou passen binnen de vrijheid die een advocaat jegens een wederpartij heeft. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. 

4.9 Klachtonderdeel n) is ongegrond, want feitelijk niet komen vast te staan, nog daargelaten de vraag of het niet vermelden van het beslag onder de Van Lanschot Bank klachtwaardig zou zijn.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

Verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter, mrs. A.M.T. Weersink, M.L.C.M. van Kalmthout, E. Bige, en J.A. Holsbrink, leden, bijgestaan door mr. S. Le Noble als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2012

griffier voorzitter

Deze beslissing is in afschrift op 17 december 2012 per aangetekende post verzonden aan:

- klager

- verweerders

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Utrecht

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.