Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-06-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2012:YA2769

Zaaknummer

11-306A + 11-305A

Inhoudsindicatie

Klachten van advocaten over en weer, waarbij een van de advocaten in een haar in privé betreffend geschil haar eigen belangen heeft behartigd.  In de zaak 11-306A geldt dat de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van haar cliënte te behartigen op de wijze die haar goeddunkt. Klacht ongegrond. In de zaak 11-305A is de klacht ingesteld op voorwaarde dat verweerster als advocaat is opgetreden. Voorwaarde is niet vervuld. Klacht geldt als niet ingesteld.

Uitspraak

Beslissing van 4 juni 2012

in de zaken 11-306A en 11-305A

naar aanleiding van de klacht (11-306A) van:

mr. H,

advocaat te Amsterdam

klaagster

tegen:

mr. D

advocaat te Amsterdam

verweerster

alsmede de klacht  (11-305A) van:

mr. D

advocaat te Amsterdam

klaagster

tegen:

mr. H

advocaat te Amsterdam

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brieven van 27 oktober 2011 met kenmerken 1011-525 en 1011-549, door de raad ontvangen op 28 oktober 2011, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klachten ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klachten zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van de raad van 4 april 2012 in aanwezigheid van mr. H (hierna aan te duiden als: mr. H.) en mr.  D (hierna aan te duiden als: mr. D.). Mr. D. is ter zitting bijgestaan door haar advocaat mr. K. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennis genomen van:

- de in nr. 1.1 bedoelde brieven van de deken aan de raad;

- de stukken genoemd in de bij die brieven gevoegde inventarislijsten;

- de ter zitting overgelegde:

    - brief van mr. H. aan mr. D. d.d. 22 december 2010;

    - brief van mr. H. aan de voorzieningenrechter van de sector

  kanton van de rechtbank Amsterdam ("kantonrechter") d.d. 31 januari 2011;

    - brief van mr. H. aan mr. D. d.d. 31 januari 2011;

    - brief van mr. H. aan mr. D. d.d. 2 februari 2011;

    - brief van mr. H. aan mr. D. d.d. 3 februari 2011;

    - brief van mr. D. aan mr. H. d.d. 8 februari 2011 met als

  bijlagen het faxbericht van mr. D. aan de kantonrechter met concept-dagvaarding d.d. 21 januari 2011 en het faxbericht van mr. D. aan de kantonrechter d.d. 2 februari 2011.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klachten wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan:

2.1 Mr. H. huurt in privé woonruimte van een woningbouwcorporatie. Tussen mr. H. en de woningbouwcorporatie is een geschil ontstaan met betrekking tot onder andere door de woningbouwcorporatie voorgenomen renovatieplannen en een dakterras dat mr. H. volgens de woningbouwcorporatie gebruikte. In dit conflict staat mr. D. de woningbouwcorporatie bij.

2.2 Op 2 december 2010 heeft mr. D. een brief bestemd voor mr. H. gestuurd naar de onbewoonde woning van het naast het woonadres van mr. H. gelegen pand. Mr. H. heeft de brief alsnog ontvangen via een buurman.

2.3 Op 22 december 2010 heeft mr. H. gereageerd op de brief van mr. D. In deze brief heeft zij mr. D. verzocht haar kantooradres als gekozen domicilie te gebruiken. De brief bevat voorts de volgende passage:

"Ik zal uw brief en uw aansprakelijkstelling terzijde leggen. Mocht u, omdat uw cliënte erop staat, menen deze aansprakelijkstelling in rechte te moeten voortzetten dan verzoek ik u de dagvaarding zonder nadere correspondentie te doen uitbrengen op mijn kantooradres als hieronder vermeld."

2.4 Op 21 januari 2011 heeft mr. D. de kantonrechter verzocht een datum te bepalen voor de mondelinge behandeling in kort geding. Mr. D. heeft voorafgaand aan het vragen van een datum voor de mondelinge behandeling niet gevraagd om de verhinderdata van mr. H.

2.5 Op 28 januari 2011 heeft mr. H. op haar huisadres een dagvaarding ontvangen voor een mondelinge behandeling op 7 februari 2011.

2.6 Mr. H. heeft op 31 januari 2011 een brief gestuurd naar mr. D., waarin zij erop wees dat de dagvaarding in weerwil van haar verzoek uit was gebracht aan haar huisadres in plaats van haar kantooradres. Ook wees zij erop dat haar verhinderdata niet gevraagd waren. Zij verzocht mr. D. met inachtneming van haar bij die brief gesloten verhinderdata een nieuwe datum te vragen. Een afschrift van deze brief heeft zij gestuurd aan de kantonrechter. Dezelfde dag heeft mr. H. de kantonrechter een brief gestuurd, met een afschrift aan mr. D., waarin zij de kantonrechter verzocht te bevestigen dat de zitting op 7 februari 2011 geen doorgang zou vinden.

2.7 Op 2 februari 2011 heeft mr. H. een brief geschreven aan mr. D., waarin zij haar heeft gevraagd om per omgaande te laten weten dat zij instemt met uitstel van de mondelinge behandeling, bij gebreke waarvan mr. H. zich zou wenden tot de deken. Dezelfde dag heeft mr. D. de kantonrechter verzocht een nieuwe datum te bepalen voor de mondelinge behandeling, onder opgave van de verhinderdata van mr. H. Het faxbericht bevat de mededeling dat mr. D. een afschrift per gelijke post stuurt naar de wederpartij.

2.8 Mr. H. heeft op 3 februari 2011 een brief gestuurd naar mr. D., waarin zij schrijft:

"Nogmaals bereikt mij een envelop van uw hand, ditmaal zelfs niet eens aan mijn huisadres verstuurd maar aan mijn buren, huisnummer 32. Deze gang van zaken is naar mijn mening thans klachtwaardig.

In deze envelop kondigt u aan mij een kopie van een brief te zenden die u aan de Rechtbank verzonden heeft. Ik tref alleen producties aan, die u al bij de dagvaarding had gevoegd.

Graag ontvang ik per omgaande afschrift van al uw correspondentie met de rechtbank."

2.9 Mr. D. heeft gehoor gegeven aan dit verzoek, door mr. H. op 8 februari 2011 de in nr. 1.3 beschreven brief te sturen. Middels deze brief stuurde mr. D. een afschrift van alle correspondentie die zij aan de rechtbank had gericht naar mr. H.

2.10 In de voornoemde brieven van 22 december 2010, 31 januari 2011, 2 en 3 februari 2011 heeft mr. H. steeds de volgende aanhef gehanteerd:

"Geachte mevrouw [D.],"

2.11 De mondelinge behandeling vond plaats op 11 februari 2011. Bij deze mondelinge behandeling is mr. H. bijgestaan door een advocaat. Mr. D. en de advocaat hebben pleitnota's overgelegd aan de kantonrechter. De pleitnota van mr. D. bevatte meer dan door haar is gepleit.

2.12 Op 18 februari 2011 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan, waarin de vorderingen van de woningbouwcorporatie zijn afgewezen en de woningbouwcorporatie is veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van EUR 400,-. Rov. 11 en 12 van het vonnis luiden als volgt:

"11. Tussen partijen is in confesso dat het complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt is verouderd en dat er aan het complex de laatste tientallen jaren geen onderhoud meer is gepleegd. [H.] is er ook al geruime tijd mee bekend dat [de woningbouwcorporatie] het voornemen heeft om groot onderhoud te plegen dan wel renovatiewerkzaamheden uit te voeren. Gelet op de gang van zaken die [H.] heeft geschetst en niet door [de woningbouwcorporatie] is weersproken, begrijpt de kantonrechter wel dat er aan de zijde van [H.] enige reserves bestaan ten aanzien van deze inspectie. Nu tijdens de terechtzitting namens [de woningbouwcorporatie] echter is toegezegd dat er geen sprake is van een destructieve inspectie en dat er niets in het gehuurde zal worden weggebroken, zal [H.] deze inspectie moeten gedogen. [H.] kan aan de inspectie ook geen nadere voorwaarden stellen.

12. Aan een veroordeling van [H.] tot medewerking aan de inspectie staat echter in de weg, dat haar die medewerking nooit eerder is gevraagd. Zij acht zich terecht op dit punt rauwelijks gedagvaard. Ook deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

13. Gelet op het vorenstaande wordt [de woningbouwcorporatie] in het ongelijk gesteld en zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [H.]. Voor een toewijzing van een hogere vergoeding dan het liquidatietarief, zoals door [H.] is verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding."

3 KLACHT

De klachten houden, zakelijk weergegeven, in:

De zaak 11-306A:

Dat mr. D. tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) zij onzorgvuldig heeft gehandeld.

b) zij onjuistheden in de stukken heeft opgenomen evenals in haar verweer tegen de klacht.

c) zij mr. H. rauwelijks heeft gedagvaard.

d) zij geen verhinderdata voor het kort geding heeft gevraagd.

e) zij mededelingen aan de kantonrechter heeft gedaan uit op de gang gevoerde schikkingsonderhandelingen.

f) zij meer heeft gepleit dan in haar pleitnota was opgenomen.

g) zij zich tot de rechter heeft gewend zonder tegelijkertijd mr. H. een kopie van de brief te sturen.

h) zij onnodig kosten heeft veroorzaakt, nu het in gang gezette kort geding onhaalbaar was.

De zaak 11-305A:

Indien en voorzover op enigerlei wijze er vanuit zou moeten worden gegaan dat mr. H. in het verleden of thans naast de in nr. 2.11 genoemde advocaat zelf optreedt als advocaat, mr. H. tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) zij verwarring heeft doen ontstaan over de hoedanigheid waarin zij optrad.

b) zij er onvoldoende op bedacht is geweest dat zij ten opzichte van haar cliënte, zichzelf, niet meer de vrijheid en onafhankelijkheid bezat die nodig was om deugdelijk te adviseren.

c) zij er geen blijk van heeft gegeven te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.

4 BEOORDELING

De zaak 11-306A:

Ad klachtonderdelen a, b, d en h

4.1 Bij zijn beoordeling van deze klachtonderdelen neemt de raad in lijn met vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline, tot uitgangspunt dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet onbeperkt; deze kan onder meer ingeperkt worden indien de advocaat (1) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij; (2) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (3) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

4.2 Voor wat betreft klachtonderdeel a overweegt de raad dat vaststaat dat mr. D. op 2 december 2010 en 2 februari 2011 brieven heeft gestuurd naar een verkeerd adres, en dat zij de dagvaarding heeft doen uitbrengen aan het huisadres van mr. H. ondanks het uitdrukkelijke verzoek van mr. H. om de dagvaarding aan haar kantooradres te doen betekenen. Hiertegenover staat dat mr. D. heeft erkend dat zij in deze onjuist heeft gehandeld en dat zij haar excuses hiervoor heeft aangeboden. Hoewel deze gang van zaken beter had gekund heeft mr. D. getoetst aan de in nr. 4.1 beschreven maatstaven naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, mede nu niet gebleken is dat de belangen van mr. H. hierdoor zijn geschaad.

4.3 Bij zijn beoordeling van klachtonderdeel b neemt de raad voorts, in lijn met vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline tot uitgangspunt dat de advocaat bij het in rechte betrekken van feitelijke stellingen, af mag gaan op plausibele informatie van zijn cliënt, ook wanneer de juistheid van die stellingen in en buiten rechte door niet alleen de wederpartij maar ook door een betrokken derde wordt betwist. Mr. H. voert aan dat de dagvaarding een aantal onjuistheden bevatte waarop zij mr. D. in haar brief van 22 december 2010 had geattendeerd. Mr. D. stelt hiertegenover dat zij bij het opstellen van de dagvaarding is afgegaan op informatie van haar cliënte, die de door mr. H. geschetste feiten weersprak. Op de mondelinge behandeling heeft mr. H. – zoals mr. D. onweersproken heeft gesteld – aanvullende stukken in het geding gebracht. Indien zij eerder deze informatie tot haar beschikking zou hebben gehad, dan zou de zaak waarschijnlijk anders zijn verlopen, aldus mr. D. Gelet op deze omstandigheden heeft mr. D., getoetst aan de hiervoor beschreven maatstaven, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.4 Voor wat betreft klachtonderdeel d overweegt de raad dat mr. D. mede gelet op het landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie, art. 2.2 en 3.2, had moeten informeren naar de verhinderdata van mr. H. alvorens de kantonrechter te vragen om een datum voor de mondelinge behandeling. Het verweer van mr. D. dat zij mr. H. nooit als advocaat heeft beschouwd is ongegrond, nu een advocaat zowel de verhinderdata van de wederpartij als van de behandelend advocaat van die wederpartij dient te vragen. Hiertegenover staat dat mr. H. in haar brief van 22 december 2010 mr. D. heeft verzocht om een eventuele dagvaarding "zonder nadere correspondentie" te doen uitbrengen, en het feit dat mr. D. gehoor heeft gegeven aan het verzoek van mr. H. om de kantonrechter te vragen om een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling te bepalen en daarbij alsnog haar verhinderdata op te geven. In deze omstandigheden is de raad, alles overwegend, van oordeel dat mr. D. niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.5 Voor wat betreft klachtonderdeel h geldt dat vast staat dat mr. H. een juridisch conflict had met de woningbouwcorporatie. Vast staat ook dat mr. H. en de woningbouwcorporatie over en weer in hun standpunten hebben volhard. In die omstandigheden is het niet verwonderlijk dat één van beide partijen een procedure zou starten. Naar het oordeel van de raad heeft mr. D., mede gelet op de haar toekomende grote mate van vrijheid om de belangen van haar cliënte te behartigen op een wijze die haar goeddunkt, dan ook niet onnodig kosten gemaakt door het kort geding aan te spannen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ad klachtonderdeel c

4.6 De kantonrechter heeft in zijn vonnis overwogen dat mr. H. rauwelijks is gedagvaard. Echter, niet is gebleken dat de kantonrechter kennis heeft genomen van de aan de dagvaarding voorafgaande briefwisseling tussen mr. H. en mr. D., waaruit blijkt – in het bijzonder uit de brief van mr. H. van 22 december 2010 – dat van rauwelijkse dagvaarding geen sprake was.

4.7 Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ad klachtonderdeel e

4.8 Volgens mr. H. heeft de kantonrechter, nadat partijen tijdens de mondelinge behandeling de gang op waren gestuurd om een schikking te beproeven, slechts gevraagd of partijen eruit waren gekomen. Mr. D. zou hierop uit zichzelf mededelingen hebben gedaan over de inhoud van de schikkingsonderhandelingen. Mr. H. schrijft in haar klachtbrief van 1 maart 2011 dat mr. D. "ruimhartig en gedetailleerd [vertelde] […] welke de inhoud van onze onderhandelingen was geweest en om welke reden wij niet tot een schikking waren gekomen." Op de zitting in deze tuchtzaak op 4 april 2012 heeft mr. H. dit standpunt gespecificeerd in die zin dat mr. D. uit zichzelf zou hebben gezegd dat partijen er niet uit waren gekomen op het punt van de proceskosten. De advocaat van mr. H. zou geen toestemming hebben gegeven voor deze mededeling, hetgeen zou blijken uit zijn verklaring van 4 maart 2011, waarin hij schrijft: "In de brief die mr. van [D.] toezond aan de Deken is op pagina 2 opgenomen dat ik geen bezwaar gemaakt zou hebben tegen het te kennen geven van een zeer summier deel van de op de gang gevoerde onderhandelingen. Ik heb daar wel bezwaar tegen gemaakt en heb dat ook direct op de zitting kenbaar gemaakt aan mevrouw van [D.]. De mededeling van mevrouw van [D.] is dus onjuist."

4.9 Mr. D. stelt hiertegenover dat zij, na een goedkeurende blik van de advocaat van mr. H., een korte toelichting heeft gegeven op hetgeen tussen partijen was besproken. De advocaat van mr. H. zou hier geen bezwaar tegen hebben gemaakt en zijn verklaring is derhalve onjuist.

4.10 De raad neemt bij zijn beoordeling van dit klachtonderdeel tot uitgangspunt dat een advocaat zonder toestemming van de wederpartij niets mag mededelen aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen (vergelijk Gedragsregel 13). Voor wat betreft de vraag of de advocaat van mr. H. toestemming heeft gegeven staan de standpunten van partijen tegenover elkaar, alhoewel steun gevonden kan worden voor het standpunt van mr. H. in de verklaring van haar advocaat. Gelet op de tegenstrijdige standpunten van partijen en gezien het feit dat de beweerdelijke mededeling van mr. D. kennelijk beperkt was tot de mededeling dat partijen er op het punt van de proceskosten niet uit waren gekomen, is de raad, alles overwegend, van oordeel dat mr. D. in de specifieke omstandigheden van dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.11 Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ad klachtonderdeel f

4.12 Tussen partijen is niet in geschil dat pleitnota's zijn overgelegd tijdens de mondelinge behandeling en dat de pleitnota van mr. D. meer bevatte dan zij heeft gepleit.

4.13 Mr. D. stelt dat de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling als volgt was. Zij heeft haar pleitnota vooraf overgelegd aan de kantonrechter. De kantonrechter is actief opgetreden tijdens de zitting. Mr. H. heeft nieuwe stukken ingebracht tijdens de zitting, waartegen mr. D. geen bezwaar heeft gemaakt. Aldus liep de zitting niet volgens plan. Vervolgens zijn partijen de gang opgestuurd. Zowel de pleitnota van mr. D. als de pleitnota van de advocaat van mr. H. bevatten meer dan door hen is gepleit.

4.14 Mr. H. heeft de door mr. D. geschetste gang van zaken niet betwist, zij het dat zij op de zitting in deze tuchtzaak van 4 april 2012 gesteld heeft dat zij zich meent te herinneren dat de pleitnota's niet vooraf zijn overgelegd. Nu dit in tegenspraak is met haar klachtbrief van 1 maart 2012, waarin zij schrijft dat mr. D. bij aanvang van haar pleidooi een pleitnota heeft overgelegd, zal de raad aan deze betwisting voorbijgaan. Mr. H. heeft voorts aangevoerd dat zij schade heeft geleden door het overleggen van de volledige pleitnota van mr. D., omdat in rov. 11 van het vonnis staat dat er langdurig geen onderhoud is gepleegd en dat mr. H. de inspectie door de woningbouwcorporatie zal moeten gedogen.

4.15 Een advocaat mag slechts zijn pleitnota overleggen, wanneer zij niet meer bevat dan hetgeen door de advocaat is gepleit (vergelijk Gedragsregel 14 lid 2). Of tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld is, indien een advocaat desondanks een pleitnota overlegt, zal echter afhangen van de omstandigheden van het geval. Gelet op de gang van zaken ter zitting zoals hierboven beschreven is in de specifieke omstandigheden van dit geval naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat mr. H. schade heeft geleden als gevolg van het overleggen van de pleitnota van mr. D. is niet gebleken nu de overweging van de kantonrechter dat mr. H. de inspectie zal moeten gedogen niet op de door mr. H. aangehaalde passage is gebaseerd en de vordering ter zake ook door de kantonrechter is afgewezen. Voorts is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, en nu de raad evenmin kennis heeft kunnen nemen van de pleitnota van mr. D., niet gebleken dat het vonnis overigens overwegingen bevat die terug te voeren zijn op niet-gepleite onderdelen van de pleitnota van mr. D., en dat dit tot schade bij mr. H. heeft geleid.

4.16 Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ad klachtonderdeel g

4.17 Bij zijn beoordeling van dit klachtonderdeel neemt de raad tot uitgangspunt dat het een advocaat niet geoorloofd is zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift der mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid  heeft om op die mededeling te reageren (vergelijk Gedragsregel 15)

4.18 Mr. H. voert aan dat mr. D. tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij zich tot de kantonrechter heeft gewend zonder mr. H. daarvan een afschrift te sturen. Naar de raad begrijpt doelt mr. H. daarmee op het faxbericht van mr. D. van 21 januari 2011 aan de kantonrechter waarin zij een datum verzoekt voor een mondelinge behandeling en het faxbericht van 2 februari 2011 waarin zij de kantonrechter verzoekt om een nieuwe datum.

4.19 Voor wat betreft het faxbericht van 21 januari 2011 geldt dat de zaak toen nog niet aanhangig was, zodat mr. D. niet gehouden was om een afschrift van dit faxbericht aan mr. H. te sturen. Voor wat betreft het faxbericht van 2 februari 2011 geldt dat mr. H. in haar brief van 3 februari 2011 aan mr. D. schrijft dat zij een envelop van mr. D. heeft ontvangen, waarbij mr. D. aankondigt dat daarbij een afschrift van haar brief aan de rechtbank zou zijn gesloten, maar dat dit niet het geval is (zie nr. 2.8). Aangenomen moet worden dat mr. D. doelde op haar faxbericht van 2 februari 2011, zodat het er voor moet worden gehouden dat mr. D. de bedoeling had om een afschrift van het faxbericht aan mr. H. te sturen. Steun hiervoor vindt de raad in het feit dat mr. D. in haar faxbericht van 2 februari 2011 aan de kantonrechter schrijft dat zij een afschrift per gelijke post naar mr. H. stuurt (zie nr. 2.7). In deze omstandigheden heeft mr. D. naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarbij betrekt de raad ook in zijn oordeel dat mr. D. op 8 februari 2011 op verzoek van mr. H. een afschrift van al haar correspondentie met de kantonrechter aan mr. D. heeft gestuurd.

4.20 Het klachtonderdeel is ongegrond.

De zaak 11-305A:

4.21 Mr. D. heeft gesteld dat mr. H. steeds als privépersoon is opgetreden. Op de zitting in deze tuchtzaak op 4 april 2012 heeft mr. D. bevestigd dat zij haar klacht slechts heeft ingediend op voorwaarde dat de raad zou komen te oordelen dat mr. H. als advocaat is opgetreden in de zaak tegen de woningbouwcorporatie.

4.22 Mr. H. heeft ter zitting verklaard dat zij, met uitzondering van de mondelinge behandeling op 11 februari 2011, steeds als haar eigen advocaat is opgetreden. Zij heeft echter ook verklaard dat er in haar zaak tegen de woningbouwcorporatie geen wezenlijk onderscheid was tussen haar optreden als advocaat en als privépersoon. Voorts heeft mr. H. aan de deken bevestigd dat zij haar klacht in de zaak 11-306A heeft ingediend als privépersoon. In deze omstandigheden is mr. H. naar het oordeel van de raad niet als advocaat opgetreden in de onderhavige zaak. Hiervoor vindt de raad mede steun in het feit dat mr. H. mr. D. in de overgelegde correspondentie heeft aangeschreven als 'mevrouw [D.]' in plaats van als 'collega', en de door mr. H. onweersproken stelling van mr. D. dat mr. H. correspondentie direct naar de woningbouwcorporatie heeft gestuurd, hetgeen men als advocaat niet vrijstaat te doen. Aldus is de voorwaarde waaronder de klacht van mr. D. is ingediend niet vervuld.

4.23 Nu de voorwaarde waaronder klacht is ingediend niet is vervuld geldt de klacht als niet ingesteld zodat hierop niet behoeft te worden beslist.

 BESLISSING

De raad van discipline:

De zaak 11-306A:

- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

De zaak 11-305A:

- nu de voorwaarde waaronder de klacht is ingediend niet is vervuld geldt de klacht als niet ingesteld zodat hierop niet behoeft te worden beslist.

Aldus gewezen door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mrs. L.D.H. Hamer, J.M. van de Laar, P. van Lingen, A.M. Vogelzang, leden, bijgestaan door mr. R.L.M.M. Tan als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 4 juni 2012.

griffier voorzitter                     

 

Deze beslissing is in afschrift op 4 juni 2012 per aangetekende brief verzonden aan:

- mr. H

- mr. D

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- mr. H

- mr. D

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.  Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.  Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Indien u bij de griffie van het Hof van Discipline een stuk wenst af te geven en daarvoor een ontvangstbewijs wenst te ontvangen, dient u tijdig contact op te nemen teneinde er zeker van te zijn dat het stuk onder verkrijging van de ontvangstbevestiging kan worden afgegeven.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl