Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-11-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2012:YA3944

Zaaknummer

R. 4063/12.197

Inhoudsindicatie

Verweerder was niet gehouden klager een urenspecificatie te verstrekken. Uit de stukken volgt dat verzekeraar X de rekeningen van verweerder heeft betaald en daarbij geen voorbehoud heeft gemaakt. Indien klager van mening is dat verweerder teveel heeft gedeclareerd, dient klager zich tot verzekeraar X. te wenden. De vordering van klager dat verweerder een bedrag aan verzekeraar X terug te betalen is exclusief voorbehouden aan verzekeraar X en niet aan klager.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

In de klachtprocedure behartigt verweerder zijn eigen belangen. Die positie brengt met zich dat verweerder bij het formuleren van zijn verweer ten aanzien van klagers klachtonderdelen niet de belangen van klager voorop hoeft te stellen, maar die van zichzelf. Verweerder heeft niet in strijd met enige wet of gedragsregel gehandeld door in zijn stukken namen te noemen en informatie over klager te verstrekken. Bij een tuchtrechtelijk onderzoek of een verzoek om informatie van de deken is de advocaat immers op grond van de gedragsregels verplicht alle gevraagde inlichtingen te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Klacht deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

De plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennis genomen van de brief van de deken voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 29 oktober 2012, door de raad ontvangen op 30 oktober 2012, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken, van het volgende worden uitgegaan.

1.1    Verweerder heeft klager in de periode van september 2010 tot en met mei 2012 bijgestaan in een letselschadezaak.

1.2    Bij brief van 28 juni 2012 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.

2.2    Meer in het bijzonder verwijt klager verweerder dat hij:

a.    klager onvoldoende kundig heeft bijgestaan, door tijdens een zitting bij het Regionaal Tuchtcollege (RTC) niet goed op de hoogte te zijn van alle feiten, een absurd lang pleidooi heeft gehouden, heeft geweigerd een lid van de Rechtbank en van het RTC op klagers verzoek te wraken en een belangrijk bewijsstuk – een video – ter zitting te tonen. Voorts heeft verweerder een belangrijke getuige, een KNO-arts alsmede de voorzitter van een patiëntenvereniging niet als getuige opgeroepen. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende juridische maatregelen genomen tegen klagers vorige advocaat, waarover klager niet tevreden was;

b.    klager bij zijn ziektekostenverzekeraar in een kwaad daglicht heeft gesteld;

c.    teveel heeft gedeclareerd bij verzekeraar X, waar klager een rechtsbijstandsverzekering heeft. Dit klemt temeer nu klager zelf verschillende juridische stukken heeft geconcipieerd, die door verweerder ongewijzigd in de procedure zijn gebruikt. Voorts zou verweerder zich door verzekeraar X laten betalen voor zaken die door andere advocaten zijn behandeld. Verweerder heeft op klagers verzoek tot toezending van de urenspecificatie en terugstorting van het honorarium aan verzekeraar X niet (positief) gereageerd. Voorts heeft verweerder volgens de Stichting A. onoirbaar gehandeld;

d.    in de klachtprocedure verschillende medische feiten van klager prijs heeft gegeven en namen van artsen heeft genoemd, waardoor  verweerder in strijd heeft gehandeld met de Wet Bescherming Persoonsgegevens;

e.    een uitnodiging van het Centraal medisch Tuchtcollege (CTC) aan de deken heeft gezonden in plaats van direct aan klager. Klager heeft deze uitnodiging op 24 juli 2012 ontvangen terwijl deze al op 24 juni 2012 door het CTC is verzonden.

 

3    BEOORDELING

Ten aanzien van klachtonderdeel a

3.1    Voorop dient te staan dat een advocaat voor het – in overleg met zijn cliënt – te voeren beleid een ruime vrijheid toekomt en dat in het algemeen een tuchtrechtelijke maatregel eerst geïndiceerd kan zijn indien de advocaat bij de behandeling van de zaak kennelijk onjuist optreedt en adviseert en de belangen van de cliënt daardoor worden geschaad of kunnen worden geschaad. Het handelen van verweerder zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.

3.2    Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat verweerder onvoldoende van de feiten van klagers zaak op de hoogte was. Evenmin is gebleken dat verweerder is tekortgeschoten in de behartiging van klagers belangen ter zake het geschil met de vorige advocaat van klager. Het staat een advocaat immers vrij te bepalen in welke zaken hij optreedt en welke niet. In deze zaak heeft verweerder klager verwezen naar verzekeraar X. Deze handelwijze is niet onjuist.

3.3    Het is de taak van de advocaat in een zaak beslissingen te nemen over de te horen getuigen, wat tijdens zittingen naar voren gebracht moet worden en welk materiaal getoond en overgelegd moet worden. De advocaat maakt die keuze vanuit zijn juridische kennis en achtergrond. De omstandigheid dat klager van mening is dat andere getuigen wellicht ook een (betere) verklaring hadden kunnen afleggen of dat bepaald materiaal getoond had moeten worden leidt niet zonder meer tot de gerechtvaardigde conclusie dat verweerder daarom klagers belangen onvoldoende adequaat heeft behartigd. Hetzelfde geldt voor een pleidooi dat ter terechtzitting, gelet op de omstandigheden, ingekort diende te worden.  Voorts stond het verweerder vrij het standpunt jegens klager in te nemen dat hij geen nodeloze wrakingsverzoeken wenste in te dienen.

3.4    Gelet op het vorenstaande zijn de gedragingen van verweerder, gemeten naar genoemde maatstaf, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De omstandigheid dat klager alle zaken uiteindelijk heeft verloren maakt dit niet anders. Op verweerder rust een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. Voor zover klager van mening is dat hij schade heeft geleden door het optreden van verweerder, dient klager zich tot de civiele rechter te wenden. De tuchtrechter is ter zake niet bevoegd.

Ten aanzien van klachtonderdeel b

3.5    Op basis van de stukken kan dit klachtonderdeel niet worden vastgesteld. Klager heeft dit klachtonderdeel ook niet nader onderbouwd en verweerder heeft de stelling dat hij klager in een kwaad daglicht bij zijn verzekeraar zou hebben gesteld gemotiveerd betwist.

Ten aanzien van klachtonderdeel c

3.6    Verweerder was niet gehouden klager een urenspecificatie te verstrekken. Uit de stukken volgt dat verzekeraar X de rekeningen van verweerder heeft betaald en daarbij geen voorbehoud heeft gemaakt. Indien klager van mening is dat verweerder teveel heeft gedeclareerd, dient klager zich tot verzekeraar X te wenden. De vordering van klager dat verweerder een bedrag aan verzekeraar X terug te betalen is exclusief voorbehouden aan verzekeraar X en niet aan klager. De stelling van klager dat verweerder zich volgens de Stichting A. onoirbaar heeft gedragen leidt evenmin tot ontvankelijkheid van de klacht. Het ligt op de weg van Stichting A. om ter zake een klacht tegen verweerder in te dienen. Klager heeft geen rechtsreeks belang bij dit klachtonderdeel.

Ten aanzien van klachtonderdeel d

3.7    In de klachtprocedure behartigt verweerder zijn eigen belangen. Die positie brengt met zich dat verweerder bij het formuleren van zijn verweer ten aanzien van klagers klachtonderdelen niet de belangen van klager voorop hoeft te stellen, maar die van zichzelf. Verweerder heeft niet in strijd met enige wet of gedragsregel gehandeld door in zijn stukken namen te noemen en informatie over klager te verstrekken. Bij een tuchtrechtelijk onderzoek of een verzoek om informatie van de deken is de advocaat immers op grond van de gedragsregels verplicht alle gevraagde inlichtingen te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen.

Ten aanzien van klachtonderdeel e

3.8    De omstandigheid dat verweerder klager een uitnodiging van CTC eerst een maand na ontvangst heeft toegezonden is niet zorgvuldig. Verweerder heeft echter gemotiveerd gesteld dat hij de brief enige tijd onder zich heeft gehouden nu onduidelijk was of hij zou voortgaan met zijn bestand aan klager. Gelet hierop is de vastgestelde onzorgvuldigheid niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

3.10    Gelet op het voorgaande dienen de klachtonderdelen a,b,d en e kennelijk ongegrond en klachtonderdeel c kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.

 

4    BESLISSING

Wijst de klachtonderdelen a,b,d en e als kennelijk ongegrond en klachtonderdeel c als kennelijk niet-ontvankelijk af.

Aldus gewezen door mr. M.F. Baaij, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M. Boender-Radder als griffier op 29 november 2012.

griffier                                                                         voorzitter