Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-11-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2012:YA3519

Zaaknummer

12-072A

Inhoudsindicatie

"Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van curator met betrekking tot publieke uitlatingen over een geschil met klager en over de persoon van klager. Klacht is ongegrond."

Uitspraak

Beslissing van 27 november 2012

in de zaak 12-072A

naar aanleiding van de klacht van:

de heer

klager

tegen:

mr.

advocaat te Amsterdam

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 6 maart 2012 met kenmerk 1011-377, door de raad ontvangen op 8 maart 2012, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 24 september 2012 in aanwezigheid van klager en verweerder, bijgestaan door een mede-curator. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennis genomen van:

- de in § 1.1 bedoelde brief van de deken aan de raad, alsmede de stukken 1 tot en met 33 met bijlagen zoals vermeld in de bij de brief genoemde inventarislijst;

- de e-mail van klager aan de raad d.d. 16 augustus 2012 met bijlage, en

- de e-mail van klager aan verweerder en de raad d.d. 24 augustus 2012.

2. FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2 De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerder als curator van het bedrijf X en als advocaat van curatoren van X.

2.3 X is op 10 september 2009 door de Rechtbank Amsterdam failliet verklaard met benoeming van verweerder en twee anderen tot curatoren. X hield zich bezig met holding activiteiten, te weten het deelnemen in en het beheren, besturen en financieren van andere ondernemingen en vennootschappen. Y is een mediabedrijf, met belangen in verschillende andere bedrijven, waaronder Z. Klager is één van de bestuurders van Y.

2.4 De curatoren van X hebben de bestuurders van Y persoonlijk aansprakelijk gesteld voor een vordering die de failliete boedel stelt te hebben op Y wegens het, kort gezegd, uithollen van zekerheden die door Y in het kader van een lening aan X waren verstrekt.

2.5 Klager heeft met zijn mede-bestuurder en Y (‘klager c.s.’) tegen de curatoren van X, waaronder verweerder, een vordering in reconventie ingesteld. Deze vordering strekt onder meer tot vergoeding van de schade die verband zou houden met de uitlatingen en gedragingen van curatoren, die eveneens aan onderhavige klacht ten grondslag liggen.

2.6 Bij brief met bijlagen van 10 januari 2011 heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerder. Op 6 mei 2011 heeft de deken een bespreking met partijen en de rechter-commissaris in het faillissement van X gehad. Bij brief van 11 mei 2011 heeft hij partijen het gespreksverslag toegezonden, waarna hij de klachtbehandeling schriftelijk heeft vervolgd.

2.7 Op 15 augustus 2012 is uitspraak gewezen in het genoemde geschil. De rechtbank heeft geoordeeld dat Y niet gehouden is de lening aan curatoren terug te betalen. De vordering van klager c.s. tot schadevergoeding in verband met uitlatingen van curatoren is eveneens afgewezen.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) hij de uitlatingen van A, een commissaris van X, tijdens een bespreking tussen partijen, “dat verweerder de media bewust zal gebruiken om klager en Y onder druk te zetten en kapot te maken indien er niet betaald zou worden” niet weersproken heeft. Verweerder heeft uitvoering gegeven aan dit dreigement door tegen de pers en andere derden bewust negatieve, suggestieve en onjuiste informatie te hebben verstrekt over klager en de vennootschappen waarvan hij bestuurder was, met als tweeledig doel: klager – ondanks het feit dat hij geen aandeelhouder is van Y – en Y onder druk te zetten tot het doen van een (in rechte betwiste) betaling aan de boedel; en ten tweede de publieke opinie, de onderzoekers van de Ondernemingskamer en de rechtbank te beïnvloeden;

b) hij in een telefonisch onderhoud met mevrouw B, eveneens curator, heeft gezegd dat klager “onbetrouwbaar” is, waardoor klager ernstig is belemmerd in zijn functioneren als fundmanager van een fonds bij de onderhandelingen over een dispuut met mevrouw B in een andere zaak;

c) hij in een gesprek met de heer C over klager heeft gesproken, klager daarbij heeft aangeduid als “onbetrouwbaar” en heeft meegedeeld dat “hij nog zeven miljoen van hem kreeg”.

d) hij in juni 2010, nog voordat klager kennis kon nemen van de inhoud van deze stukken, de dagvaarding en de verzoeken tot beslaglegging bij de redactie van het Financieel Dagblad (FD) ter inzage heeft gegeven, waarop een publicatie daarover volgde op 14 juni 2010. De negatieve berichtgeving die daarop volgde heeft er toe geleid dat enkele maanden nadien het faillissement van Z is uitgesproken.

e) hij heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een artikel in het FD van 14 oktober 2010, waarin wordt gesteld dat verweerder ondanks de dreigende ondergang van Z doorgaat met zijn claim van € 7,2 miljoen op Y en klager. In dit artikel duidt verweerder klager aan als “mens van vlees en bloed” en wordt namens hen gesteld “dat hij die miljoenen niet zomaar laat zitten”.

4 VERWEER

4.1 Verweerder betwist dat in zijn bijzijn door A zou zijn gezegd dat de media bewust zouden worden gebruikt om Y en klager onder druk te zetten en kapot te maken. Hij benadrukt dat hij nooit de intentie heeft gehad of heeft om “de zaak via de pers te spelen”. 

4.2 Verweerder bestrijdt suggestieve en onjuiste informatie over klager dan wel Y te hebben verstrekt. De informatie die hij heeft verstrekt volgt uit het verslag van bevindingen van de door de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam aanwezen enquêteurs, dat voor een ieder ter inzage ligt.

4.3 Voorts heeft verweerder gewezen op verplichtingen van curatoren in een faillissement zoals: (i) het najagen van als serieus te beschouwen actief, en (ii) het daarvan verantwoording afleggen in openbare verslagen.

4.4 Verweerder erkent de uitlatingen richting mevrouw B en de heer C, zoals door klager verwoord in klachtonderdelen b en c en betreurt het zich aldus te hebben uitgelaten.

4.5 Ook erkent verweerder dat hij het FD heeft geïnformeerd zoals klager in klachtonderdeel d stelt. Bij nader inzien meent hij dat het toezenden van de dagvaarding niet zonder meer past binnen het beleid van een curator. Met “vlees en bloed” heeft verweerder slechts bedoeld dat klager een natuurlijk persoon is op wie verhaal mogelijk blijft en geen rechtspersoon die mogelijk in staat van faillissement kan komen te verkeren.

4.6 Verweerder betwist dat door zijn toedoen, in het bijzonder door negatieve publiciteit, schade aan Z zou zijn toegebracht.

5 BEOORDELING

5.1 De raad stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat verweerder als curator in faillissementen volgens vaste rechtspraak van het Hof van Disciplineis onderworpen aan het tuchtrecht van advocaten, met dien verstande dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt als hij zich bij de vervulling van het curatorschap zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad.

Ad klachtonderdeel a)

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de raad dat niet is vast komen te staan dat A de door klager bedoelde uitlatingen heeft gedaan noch dat verweerder de media bewust heeft gebruikt om klager en Y onder druk te zetten en kapot te maken. Ook is niet gebleken dat verweerder heeft getracht de publieke opinie, de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam en de rechtbank te beïnvloeden. Klachtonderdeel a is om die reden ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de raad als volgt. Verweerder heeft erkend dat hij klager ten overstaan van mevrouw B onbetrouwbaar heeft genoemd. Deze uitlatingen zijn echter niet in het openbaar en in een informele sfeer gedaan, tussen advocaten/curatoren onderling. In dat licht is de raad van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel b is derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de raad als volgt. Verweerder heeft erkend dat hij zich ten overstaan van de heer C in een gesprek onder vier ogen heeft uitgelaten als door klager gesteld. De raad is van oordeel dat het doen van dergelijke uitlatingen, wat daar verder ook van zij, niet verstandig is geweest. Ter zitting is gebleken dat verweerder dit inzicht thans deelt. De raad acht de uitlatingen weliswaar onverstandig, maar niet zodanig ernstig dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Klachtonderdeel c wordt ongegrond geoordeeld.

Ad klachtonderdelen d) en e)

5.5 Klachtonderdelen d en e lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Vast staat dat verweerder de dagvaarding naar het FD heeft verzonden, terwijl klager als een van de gedaagden daarvan nog geen kennis had genomen. Ook staat vast dat verweerder het FD verschillende keren heeft geïnformeerd.

5.6 Verweerder heeft getoond te begrijpen dat het beter was geweest om de dagvaarding niet, althans niet op voorhand, naar het FD te sturen. Ook heeft hij te kennen gegeven dat het achteraf beschouwd niet zonder meer past binnen het beleid van een curator om een krant te informeren.

5.7 De raad is van oordeel dat verweerder er niet verstandig aan heeft gedaan om de dagvaarding integraal naar het FD te sturen. Dit geldt in het bijzonder voor de timing hiervan, nu klager en zijn advocaat op dat moment nog niet bekend waren met de inhoud van de dagvaarding. De verzending van de dagvaarding en het informeren van het FD heeft verweerder gedaan in zijn hoedanigheid van curator. Zoals hiervoor overwogen, dient de raad het handelen van een advocaat als curator terughoudend te beoordelen. Uitgaande van die maatstaf is de raad van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdelen d en e zijn eveneens ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

Verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mrs. G. Kaaij, J.H.P. Smeets, A.M. Vogelzang en M. Westhoff, leden, bijgestaan door mr. A.C. Beijering-Beck als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2012.

griffier voorzitter

 

Deze beslissing is in afschrift op 27 november 2012 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement  Amsterdam     

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- klager

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.  Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.  Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Indien u bij de griffie van het Hof van Discipline een stuk wenst af te geven en daarvoor een ontvangstbewijs wenst te ontvangen, dient u tijdig contact op te nemen teneinde er zeker van te zijn dat het stuk onder verkrijging van de ontvangstbevestiging kan worden afgegeven.

c.  Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl