Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-01-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2012:YA2455

Zaaknummer

R. 3878/12.12

Inhoudsindicatie

De tuchtrechter heeft niet de bevoegdheid declaratiegeschillen te beslechten.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

De advocaat heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, nu uit de feiten geen belangenverstrengeling blijkt.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

 

De (plaatsvervangend) voorzitter van de Raad van Discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam d.d. 6 januari 2012 met kenmerk R 11/12/33, door de Raad ontvangen op 9 januari 2012, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken, van het volgende worden uitgegaan:

1.1 Klaagster was eigenaar van een pand te Rotterdam. Het pand was verhuurd aan de heer S.

1.2 Verweerder heeft de belangen van klaagster behartigd in het kader van een door haar gewenste ontruimingsprocedure tegen een huurder.

1.3 Op enig moment heeft de heer S. aangegeven dat hij het pand wilde kopen. Klaagster had de woning in de tussentijd al verkocht aan een andere koper.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.

2.2 Klaagster verwijt verweerder meer in het bijzonder dat hij de opdracht tot ontruiming niet is nagekomen doch heeft samengespeeld onder één hoedje met de huurder, voor welke werkzaamheden verweerder op enig moment een aanzienlijke declaratie aan klaagster heeft gezonden.

 

3 BEOORDELING

3.1 Voorzover de klacht ziet op de hoogte van de declaratie merkt de voorzitter op dat de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om declaratiegeschillen te beslechten. Hiervoor dienen andere wegen te worden bewandeld, zoals de civiele, de geschillen- of de begrotingsprocedures. Wel beoordeelt de tuchtrechter of er sprake is van excessief declareren. Daarvan blijkt uit het klachtdossier niet.

3.2 Dat verweerder onder een hoedje speelde met de heer S. kan niet worden vastgesteld. Uit het klachtdossier volgt dat klaagster zelf juist heel graag het pand aan de heer S. wilde verkopen en dat klaagster onder de eerste verkooptransactie uit wilde komen. Verweerder heeft toen geprobeerd de eerste koop ongedaan te maken. Daarbij gold dat wanneer de heer S. het pand zou kopen er ook niet ontruimd hoefde te worden en dus geen extra kosten hoefden te worden gemaakt. Uit hetgeen over en weer is gesteld kan verder niet worden vastgesteld dat sprake zou zijn van belangenverstrengeling noch dat verweerder – achter de rug van klaagster om – de belangen van de heer S. zou hebben behartigd. Evenmin kan worden vastgesteld dat door de handelwijze van verweerder de verkoopprijs van het pand met € 3.000,-- was gezakt.

3.3 Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld dan wel zich anderszins niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Gezien het vorenstaande dient de klacht als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

 

4 BESLISSING

Wijst de klacht als kennelijk ongegrond af.

 

Aldus gewezen door mr. M.F. Baaij, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M. Boender-Radder als griffier op 27 januari 2012.

 

griffier                                                                         voorzitter

 

 

Deze beslissing is in afschrift op 30 januari 2012 per aangetekende post verzonden aan:

- klaagster

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten bij in het arrondissement Rotterdam.

Ingevolge artikel 46h van de Advocatenwet kunnen klager en de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort S-Gravenhage, Postbus 85850, 2508 CN ’s-Gravenhage (faxnummer: 070-350 10 24). Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift (in tweevoud), waarin de gronden van het verzet voorzien van een motivering worden omschreven. De termijn van 14 dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de veertiende dag van die termijn moet het verzetschrift derhalve ontvangen zijn op de griffie van de raad van discipline. Verlenging van de termijn van 14 dagen is niet mogelijk.