Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-04-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2012:YA2854

Zaaknummer

R. 3943/12.77

Inhoudsindicatie

Niet kan worden vastgesteld dat verweerster verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door klagers gestelde gedrag van haar broer.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Uit de door klagers overgelegde brieven van de Centrale Raad van Toezicht van de NVM van 23 november 2011 en 13 januari 2012 volgt dat de Raad van Toezicht en de Centrale Raad van Toezicht NVM beslissingen hebben genomen, die zo niet genomen hadden mogen worden, vanwege het feit dat de broer van verweerster ten tijde van deze beslissingen geen lid van de NVM was. Dit oordeel van de Centrale Raad van Toezicht van de NVM regardeert geenszins het handelen van verweerster. De klacht van klagers mist dan ook feitelijke grondslag.

Inhoudsindicatie

Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

De (plaatsvervangend) voorzitter van de Raad van Discipline (hierna "de voorzitter") heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam d.d. 15 maart 2012 met kenmerk R 11/12/56, door de Raad ontvangen op 16 maart 2012, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken, van het volgende worden uitgegaan.

1.1 Verweerster heeft de belangen behartigd van de wederpartij van klagers in diverse procedures met betrekking tot de verkoop van een woning te Berkel en Rodenrijs.

1.2 De broer van verweerster trad in de onderhavige zaak op als verkopend makelaar met betrekking tot voornoemde woning.

1.3 Klagers hebben op 9 maart 2004 een klacht ingediend tegen de broer van verweerster bij de Raad van Toezicht Rotterdam van de Nederlandse Vereniging van Makelaars o.g. en vastgoeddeskundigen, hierna “NVM”.

1.4 Bij beslissing van 10 mei 2004 heeft de Raad van Toezicht Rotterdam de klacht ongegrond verklaard. Voor zover in deze relevant heeft de Raad in deze beslissing overwogen:

“Het stond verkopers vrij kantoor De J. (red.) Advocaten te benaderen voor de behartiging van hun belangen. Dat op dat kantoor de zus van beklaagde (red.) werkzaam was en zij bij de behandeling van de zaak betrokken was, is naar het oordeel van de Raad niet van belang. Een advocaat heeft eigen verantwoordelijkheden. Evenmin acht de Raad het van belang of dat kantoor op advies van beklaagde (red.) is ingeschakeld.”

1.5 Klagers hebben bij brief van 14 juni 2004 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing. Bij Centrale Raad van Toezicht heeft de beslissing van de Raad van Toezicht van 10 mei 2004 bij beslissing van 9 mei 2005 bekrachtigd.

1.6 Bij brief van 29 oktober 2011 hebben klagers de Centrale Raad van Toezicht verzocht de op 9 mei 2005 genomen beslissing nietig te verklaren, vanwege het feit dat de beklaagde makelaar destijds geen lid van de NVM was.

1.7 Bij brief van 23 november 2011 heeft de Centrale Raad van Toezicht klagers laten weten dat de beslissing van 9 mei 2005 zo niet genomen had mogen worden, aangezien de beklaagde makelaar destijds geen lid van de NVM was.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.

2.2 Meer in het bijzonder verwijten klagers verweerster dat haar broer zich met haar medeweten ten onrechte zou hebben opgeworpen als bevoegd NVM-makelaar. In die hoedanigheid zou hij onbevoegd contractsonderhandelingen hebben gevoerd ter zake de verkoop/aankoop van de woning te Berkel en Rodenrijs. Verweerster heeft samengespannen met haar broer en daarmee medewerking verleend aan “doelbewust bedrog, oplichting en misleiding. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met hetgeen een goed advocaat betaamt.

 

3 BEOORDELING

3.1 Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat verweerster verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gestelde gedrag van haar broer. Uit de door klagers overgelegde brieven van de Centrale Raad van Toezicht van de NVM van 23 november 2011 en 13 januari 2012 volgt dat de Raad van Toezicht en de Centrale Raad van Toezicht NVM beslissingen hebben genomen, die zo niet genomen hadden mogen worden, vanwege het feit dat de broer van verweerster ten tijde van deze beslissingen geen lid van de NVM was. Dit oordeel van de Centrale Raad van Toezicht van de NVM regardeert geenszins het handelen van verweerster. De klacht van klagers mist dan ook feitelijke grondslag.

3.2 Gelet op het voorgaande dient de klacht kennelijk ongegrond te worden verklaard.

 

4 BESLISSING

Wijst de klacht als kennelijk ongegrond af.

 

Aldus gewezen door mr. P.H. Veling, voorzitter, met bijstand van mr. M. Boender-Radder als griffier op 3 april 2012.

griffier                                                                         voorzitter

 

 

Deze beslissing is in afschrift op 3 april 2012 per aangetekende post verzonden aan:

- klagers

- verweerster

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam.

Ingevolge artikel 46h van de Advocatenwet kunnen klager en de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van deze beslissing schriftelijk verzet doen bij de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Gravenhage, Postbus 85850, 2508 CN ’s-Gravenhage (faxnummer: 070-350 10 24). Het verzet wordt ingesteld door middel van indiening van een verzetschrift (in tweevoud), waarin de gronden van het verzet voorzien van een motivering worden omschreven. De termijn van 14 dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de veertiende dag van die termijn moet het verzetschrift derhalve ontvangen zijn op de griffie van de Raad van Discipline. Verlenging van de termijn van 14 dagen is niet moge¬lijk.