Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-03-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2011:YA1698

Zaaknummer

M 127-2010

Inhoudsindicatie

Een advocaat dient te hebben voldaan aan de in artikel 33 lid1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand gestelde voorwaarden, alvorens over te gaan tot het indien van een verzoek tot tussentijdse beëindiging wegens het niet betalen van de eigen bijdrage. Een advocaat dient zijn cliënt vooraf mede te delen dat hij voornemens is om over te gaan tot het indienen van een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toevoeging onder opgaaf van de werkelijke reden daarvan.

Inhoudsindicatie

Het verweer dat er geen verstrekkende consequenties zijn verbonden aan een tussentijdse beëindiging van een toevoeging berust op een onjuiste rechtsopvatting. In geval van tussentijdse beëindiging van een toevoeging wegens het niet betalen van de eigen bijdrage wordt in dezelfde zaak geen rechtsbijstandverlener meer toegevoegd.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

klacht gegrond; enkele waarschuwing

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

M 127 – 2010

 

Raad van Discipline

in het ressort ’s Hertogenbosch

 

 

Beslissing

 

inzake

 

de klacht van

 

A

verder te noemen: klaagster

 

tegen

 

B

verder te noemen: verweerder

 

 

1. Verloop van de procedure

 

1.1       Bij brief van 1 juli 2010 heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Maastricht de door klaagster op 28 december 2009 ingediende klacht toegezonden aan de raad, samen met de in de inventarislijst genoemde stukken.

 

1.2       De raad heeft voorts kennis genomen van de brief van klaagster dd. 27 december 2010, door de raad ontvangen op 31 december 2010, met bijlagen.

 

1.3       De klacht is behandeld ter openbare zitting van de raad van 17 januari 2011.

Ter zitting is verweerder verschenen:

Klaagster heeft de raad bij brief dd. 27 december 2010 wegens medische redenen niet in staat te zijn de mondelinge behandeling bij te wonen.

 

2. De feiten

 

2.1              Klaagster heeft zich in 2007 gewend tot het kantoor van verweerder. Klaagster werd

bijgestaan door mrs. X en Y, kantoorgenoten van verweerder. Mrs. X en Y hebben respectievelijk op 1 juni 2009 en in september 2009 het kantoor van verweerder verlaten, waarna de zaken van klaagster werden overgenomen door mw. mr. Z,  kantoorgenote van verweerder.

 

2.2.      Verweerder heeft klaagster bij brief dd. 15 oktober 2009 verzocht over te gaan tot betaling van de openstaande facturen betreffende eigen bijdragen en verschotten. Hierover heeft een bespreking en correspondentie tussen partijen plaatsgevonden, waarna verweerder bij brief van 28 oktober 2009 aan klaagster heeft bericht wegens een vertrouwensbreuk niet langer voor klaagster te zullen optreden.

 

2.3.      Vanuit het kantoor van verweerder is in november 2009 aan de Raad voor

Rechtsbijstand verzocht een eerder aan klaagster verleende toevoeging in te trekken omdat klaagster onvoldoende meewerkte aan een goede behartiging van haar zaak.

 

2.3.      De Raad voor Rechtsbijstand heeft bij beslissing dd. 19 februari 2010 de toevoeging ingetrokken. Daarbij heeft de Raad aan klaagster bericht dat, hoewel klaagster schriftelijk had aangegeven het niet eens te zijn met de intrekking van de toevoeging, het verzoek van de advocaat na telefonische toelichting op 19 januari 2010 zwaarwegend genoeg werd geacht om tot beëindiging van de toevoeging over te gaan.

 

3. De klacht

 

3.1       De klacht luidt als volgt:

Verweerder heeft buiten klaagster om aan de Raad voor Rechtsbijstand verzocht om de aan klaagster verleende toevoeging tussentijds te beëindigen, omdat klaagster onvoldoende zou meewerken aan een goede behartiging van haar belangen.

 

4. Het verweer

 

4.1       Door het kantoor van verweerder zijn in diverse dossiers toevoegingen aangevraagd. De door klaagster verschuldigde eigen bijdragen en verschotten werden aldus verweerder, ondanks herhaald verzoek tot betaling over te gaan, nimmer voldaan. Ook op een verzoek tot een betalingsvoorstel werd niet gereageerd.

 

4.2.      Op 15 oktober 2009 is wederom een betalingsherinnering aan klaagster verzonden. Mrs. X en Y hadden op dat moment het kantoor verlaten. Op 19 oktober 2009 heeft een bespreking tussen klaagster, de moeder van klaagster, verweerder en een kantoorgenoot van verweerder plaatsgevonden.

 

4.3.      Verweerder ontving op 26 oktober 2009 een brief van klaagster en haar moeder dat klaagster geen vertouwen had in verweerder en dat zij wenste dat de voormalig kantoorgenoot van verweerder haar belangen zou behartigen. Verweerder heeft klaagster bij brief dd. 28 oktober 2009 geantwoord, dat hij zich, nu er sprake was van een vertrouwensbreuk, genoodzaakt zag de verdediging van de belangen van klaagster neer te leggen. Uit de brief van de moeder van klaagster dd. 3 november 2009 blijkt dat er sprake is van miscommunicatie en misinterpretatie. Verweerder heeft klaagster bij brief dd. 4 november 2009 hierop gewezen en haar dringend geadviseerd een andere advocaat in de arm te nemen. Hierna heeft verweerder niet meer van klaagster vernomen.

 

4.4.      Het kantoor van verweerder heeft vervolgens op grond van artikel 33 van de Wet op de Rechtsbijstand verzocht de toevoeging tussentijds in te trekken. Hieraan zijn geen vergaande consequenties verbonden, omdat dit de mogelijkheid onverlet laat dat een andere advocaat op basis van een toevoeging alsnog verder procedeert.

 

5. Beoordeling van de klacht

 

5.1       De klacht heeft betrekking op de intrekking van een eerder aan klaagster verleende toevoeging, buiten medeweten van klaagster en tegen haar wens. Het verweer van verweerder ter zitting dat niet hij doch zijn kantoorgenote, mr. Z., het verzoek tot intrekking van de toevoeging heeft gedaan treft geen doel. Niet alleen heeft verweerder in zijn brief dd. 12 januari 2010 aan de deken te kennen gegeven dat hij de Raad voor de Rechtsbijstand heeft verzocht om op grond van artikel 33 Wet op de Rechtsbijstand de toevoeging tussentijds in te trekken, hij heeft ook de zaak in oktober 2009 nadrukkelijk naar zich toe getrokken en de vertrouwenskwestie in zijn brieven dd. 28 oktober en 4 november 2009 zelf aan de orde  gesteld.

 

5.2.      Uit de brief van de Raad voor Rechtsbijstand dd. 23 december 2009 blijkt dat het verzoek tot tussentijdse intrekking in eerste instantie is gedaan omdat klaagster onvoldoende meewerkte aan een goede behartiging van de zaak.

Bij beslissing dd. 19 februari 2010 is de toevoeging tussentijds evenwel beëindigd omdat de opgelegde eigen bijdragen en overige kosten niet aan de advocaat waren voldaan. De beslissing is derhalve gebaseerd op andere gronden dan in de aanvraag tot intrekking waren aangegeven.

Uit de beslissing van de Raad voor de Rechtsbijstand blijkt dat op 19 januari 2010 een telefonische toelichting op het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toevoeging moet hebben plaatsgevonden. De raad acht het aannemelijk dat tijdens dit telefoongesprek het ontbreken van de betaling van de eigen bijdragen en andere kosten aan de orde is gesteld, op grond waarvan de Raad voor de Rechtsbijstand de toevoeging uiteindelijk bij beslissing dd. 19 februari 2010 heeft beëindigd.

 

5.3.            Ingevolge artikel 33 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand kan de raad de

toevoeging anders dan op verlangen van de aanvrager wijzigen, beëindigen of intrekken, indien de aanvrager in gebreke blijft de door hem verschuldigde eigen bijdrage en overige kosten die voor zijn rekening komen te voldoen. Blijkens aantekening 3 bij artikel 33 Wrb (zie Handboek toevoegen Raad voor Rechtsbijstand, p 133-134) zijn aan de toepassing van deze bepaling onder meer de volgende voorwaarden verbonden:

-         de rechtsbijstandverlener heeft tijdige en adequate maatregelen genomen om zich te verzekeren van de betaling van de eigen bijdrage, onder meer door een voorschot te verlangen van een deel van de eigen bijdrage (artikel 38 lid 3 Wrb);

-         de rechtsbijstandverlener heeft adequate incassomaatregelen genomen indien zulks, gelet op de hoogte van de eigen bijdrage, redelijkerwijs verlangd mag worden(artikel 38 lid 4 Wrb);

-         de rechtsbijstandverlener heeft de rechtzoekende tijdig gewezen op de mogelijke gevolgen ten aanzien van de toevoeging.

 

5.4.      Verweerder heeft niet voldaan aan de hierboven vermelde voorwaarden. De kantoorgenoten van verweerder zijn zelfs rechtsbijstand blijven verlenen ondanks de niet betaalde eigen bijdragen. Verweerder heeft klaagster er bovendien niet op gewezen dat hij een verzoek tot intrekking van de toevoeging zou indienen, indien de eigen bijdragen door haar niet alsnog zouden worden betaald. Verweerder heeft in zijn brief dd. 28 oktober 2009 gereageerd op de brief dd. 26 oktober 2009 van klaagster en vervolgens de vertrouwensbreuk aan de orde gesteld. Hij heeft klaagster evenmin medegedeeld dat, zoals hij ter zitting stelde, naar zijn mening met klaagster niet te werken viel. Verweerder had klaagster in zijn brief dd. 28 oktober 2009 behoren te wijzen op de werkelijke reden van zijn terugtrekking als haar advocaat en op zijn voornemen een verzoek tot beëindiging van de toevoeging in te dienen, onder opgaaf van redenen.

 

5.5.      Het verweer dat er geen verstrekkende consequenties zijn verbonden aan een tussentijdse beëindiging van een toevoeging berust op een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens aantekening 3 bij artikel 33 Wrb (zie Handboek toevoegen Raad voor Rechtsbijstand, p.134) wordt in dezelfde zaak geen rechtsbijstandverlener meer toegevoegd wanneer tot beëindiging c.q. intrekking in verband met het niet betalen van de eigen bijdrage is besloten.

 

5.6.      Verweerder heeft klaagster voorts niet op de hoogte gesteld van de inhoud van zijn telefoongesprek van 19 januari 2010 met de Raad voor Rechtsbijstand, waarin, gelet op de inhoud van de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand dd. 19 februari 2010,  de gronden van het verzoek tot intrekking van de verleende toevoeging klaarblijkelijk zijn gewijzigd in  het achterwege blijven van betaling van de eigen bijdragen.

 

5.7.      Gelet op het sub 5.4 tot en met 5.6 overwogene is de raad van oordeel dat verweerder zich niet heeft gedragen zoals van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht.

De raad acht de klacht gegrond en zal aan verweerder ter zake de maatregel van enkele waarschuwing opleggen.

 

6. Beslissing

 

De raad verklaart de klacht gegrond en legt verweerder ter zake op de maatregel van enkele waarschuwing.

 

Aldus gegeven door   mr. W.E.A. Gimbrère-Straetmans, voorzitter en mrs. M.B.Ph. Geeraedts, H.C.M. Schaeken, L.J.G. de Haas en A. Groenewoud leden, in tegenwoordigheid van

mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal , griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2011.

 

 

Griffier                                                                          Voorzitter

 

Verzonden op: 22 maart 2011.

 

 

Van deze beslissing kan binnen 30 dagen na verzending van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Discipline.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van het afschrift. Uiterlijk op de dertigste dag dient Uw appelmemorie in het bezit te zijn van de griffier van het Hof van Discipline. Het gaat mitsdien niet om tijdige verzending van de appelmemorie, maar om tijdige ontvangst door de griffier van het Hof van Discipline. U dient er rekening mee te houden dat verlenging van deze termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Beroep dient te worden ingesteld door middel van een memorie, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien.

De memorie dient in zevenvoud te worden ingediend en vergezeld te zijn van zes kopieën van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld.

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

Per post.

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

Bezorging.

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC te Prinsenbeek. Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

Per fax.

Het faxnummer van het Hof van Discipline is : 076 – 5484608.

Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

Voor het inwinnen van informatie : het telefoonnummer van het Hof van Discipline is : 076 - 5484607.