Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-06-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2011:YA1750

Zaaknummer

10-338A

Zaaknummer

10-339A

Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Klacht tegen advocaten wederpartij. Klacht wegens het in procedures verschaffen van volgens klager onjuiste informatie. Verzet gegrond omdat overweging voorzitter ten aanzien van uitleg van een brief geen stand houdt. Klacht niet ontvankelijk tegen niet rechtstreeks betrokken verweerder. Klacht tegen de andere verweerder ongegrond.

Uitspraak

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 21 juni 2011

in de zaken 10-338A en 10-339A

 

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad op de klacht van:

de heer

 

klager

tegen:

1) de heer mr.

en

2) mevrouw mr.

 

verweerder sub 1 respectievelijk verweerster sub 2, gezamenlijk te noemen: verweerders

1. Verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 14 september 2010, door de raad ontvangen op 16 september 2010, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2. Bij beslissing van 27 september 2010 heeft de voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op 27 september 2010 aan partijen is verzonden.

1.3. Bij brief van 4 oktober 2010, door de raad op 5 oktober 2010, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4. Het verzet is behandeld ter zitting van 18 april 2011 in aanwezigheid van partijen alsmede van de advocaat van verweerders, mr. H.F. Doeleman. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5. De raad heeft kennisgenomen van:

­ de beslissing van de voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop die beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven (inclusief de aanvankelijk in het dossier ontbrekende productie 12 bij de fax van klager aan de deken van 20 mei 2010);

­ het verzetschrift van klager;

­ de brief met bijlagen van klager van 10 januari 2011 (op de inventarislijst genummerd als 14); en

­ de pleitnotities van klager, welke aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 april 2011 zijn gehecht.

2.   Klacht; verzet

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders in strijd hebben gehandeld met artikel 46 Advocatenwet doordat zij, als advocaten van de wederpartij van klager, in verschillende procedures feitelijke informatie hebben verschaft waarvan zij wisten, althans behoorden te weten, dat die onjuist was. Dit hebben zij gedaan door:

a) te ontkennen dat namens klager een verzoek tot binnentreden is gedaan aan de cliënten van verweerders, terwijl klagers advocaat dat verzoek bij brief van 21 januari 2009 aan verweerster sub 2 had gedaan;

b) verzoeken tot indeplaatsstelling van het gehuurde op te voeren waarvan aantoonbaar is dat die niet bestaan;

c) opzettelijk onjuiste informatie over de concernrelaties van hun cliënten te verschaffen.

2.2 Het verzet houdt, zakelijk weergegeven, in dat de voorzitter de klacht ten onrechte als

kennelijk ongegrond heeft afgewezen, aangezien hij ten onrechte:

(i) heeft geoordeeld dat de uitleg van verweerders dat de brief van 21 januari 2009 niet als een rechtstreeks verzoek van verhuurder tot huurder kon worden beschouwd, niet onredelijk voorkomt;

(ii) heeft geoordeeld dat verweerders overtuigend uiteengezet hebben dat van (bewuste) valse voorlichting geen sprake was; en

(iii) heeft gesteld dat verweerders bij de presentatie van de concernstructuur van hun cliënten geen (bewust) onjuiste informatie hebben verschaft.

3.    Feiten

3.1 Voor de beoordeling van het verzet en de daaraan ten grondslag liggende klacht kan, gelet op de stukken, van het volgende worden uitgegaan.

3.2 Klager is eigenaar van een pand, waarvan een gedeelte is verhuurd aan de cliënten van verweerders. Tussen die partijen zijn verscheidene procedures gevoerd met betrekking tot geschillen over de tussen hen bestaande huurovereenkomst. Klagers advocaat heeft de cliënten van verweerders op 16 maart 2009 gedagvaard in kort geding. Een concept van deze dagvaarding is op 21 januari 2009 aan verweerster sub 2 verzonden. In de begeleidende brief is onder meer opgenomen:

"Ook verzoek ik u om uw cliente te bewegen om client tot het gehuurde toe te laten vergezeld door een deskundige zodat de ruimte geïnspecteerd kan worden en nagegaan kan worden of er schade is opgetreden."

3.3 De in de kortgedingprocedure ingestelde vordering strekte onder meer tot het toelaten van klager en een deskundige tot het gehuurde. Op 2 april 2009 vond de kortgedingzitting bij de kantonrechter plaats. Verweerder sub 1 heeft ter zitting verklaard dat klager nooit aan zijn cliënten een verzoek tot binnentreden had gedaan. Bij vonnis van 9 april 2009 heeft de kantonrechter de vordering tot toelating afgewezen wegens gebrek aan belang, en daartoe overwogen dat klager niet bestreden had dat hij nooit aan de cliënten van verweerders had verzocht om het gehuurde binnen te mogen treden en ter zitting was gebleken dat daartegen geen bezwaar bestond.

3.4 Voorts is door klager en de cliënten van verweerders geprocedeerd over een door laatstgenoemden gewenste indeplaatsstelling van het gehuurde door een derde. Ter mondelinge behandeling bij het gerechtshof Amsterdam op 11 december 2009 heeft verweerder sub 1 medegedeeld dat op 19 februari 2009 een verzoek tot indeplaatsstelling aan klager is gedaan.

4.    Beoordeling van het verzet

Verzetgrond (i)

4.1 De voorzitter heeft in zijn beslissing van 27 september 2010 geoordeeld dat de uitleg van verweerders van de brief van 21 januari 2009, die erop neerkomt dat die brief niet als een rechtstreeks verzoek van verhuurder tot huurder kon worden beschouwd, niet onredelijk voorkomt. De raad is van oordeel dat deze overweging van de voorzitter geen stand houdt. De raad is van oordeel dat die brief wel als een rechtstreeks verzoek van verhuurder tot huurder moet worden beschouwd. De raad acht het verzet derhalve gegrond.

4.2 Aangezien de raad het verzet op basis van verzetgrond (i) gegrond acht, zal de raad hierna achtereenvolgens de klachtonderdelen a), b) en c) behandelen. Aangezien verzetgronden (ii) en (iii) en klachtonderdelen b) en c) die daaraan ten grondslag liggen zich daarvoor lenen, zullen deze gezamenlijk worden behandeld. Alvorens dit te doen, zal de raad ingaan op de ontvankelijkheid van klager.

Ontvankelijkheid klager

4.3 Op de mondelinge behandeling heeft klager desverzocht bevestigd dat de onderhavige klachten tegen zowel verweerder sub 1 als verweerster sub 2 gericht zijn.

4.4 Alle drie klachtonderdelen betreffen de periode dat verweerder sub 1 de behandelend advocaat was. Vast is komen te staan dat slechts verweerder sub 1 de zaak tussen klager en verweerders' cliënten in feitelijke zin heeft behandeld, althans voor zover naar buiten toe is gebleken. Het is niet gebleken en evenmin door klager gesteld dat één of meer van de gewraakte uitlatingen door verweerster sub 2 zijn gedaan. De raad overweegt dat slechts die advocaat tuchtrechtelijk kan worden aangesproken die verantwoordelijk is voor de gewraakte handelingen of nalatigheden. In het onderhavige geval betreft dit verweerder sub 1 en niet tevens verweerster sub 2. Ook al zou verweerster sub 2 in één of meer procedures formeel als advocaat zijn gesteld, dan is zij daarmee nog niet verantwoordelijk voor de gewraakte uitlatingen van verweerder sub 1, aangezien het haar enerzijds vrijstaat om de zaak feitelijk door een kantoorgenoot te laten behandelen en zij anderzijds geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de door verweerder sub 1 in haar afwezigheid gedane uitlatingen.

4.5 Gelet op het voorgaande, is de raad van oordeel dat klager in de klacht, voor zover deze is gericht tegen verweerster sub 2, niet ontvankelijk is. Zodoende zal de raad hierna de klacht slechts nog behandelen ten aanzien van verweerder sub 1.

Klachtonderdeel a)

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel a) overweegt de raad het volgende. Van belang is dat de klacht gericht is tegen de advocaat van de wederpartij van klager. In dergelijke gevallen is de door het Hof van Discipline – de hoogste instantie in het advocatentuchtrecht – gehanteerde maatstaf van toepassing, inhoudende dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt; deze kan onder meer ingeperkt worden indien de advocaat (i) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (ii) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (i) genoemde beperking moet voorts in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.

4.7 Indien het handelen van verweerder sub 1 aan de hiervoor beschreven maatstaf wordt getoetst, komt de raad tot het oordeel dat verweerder sub 1 tuchtrechtelijk geen verwijt treft. Verweerder sub 1 heeft verklaard dat hij is afgegaan op de mededeling van zijn cliënten dat klager geen verzoek tot binnentreden had gedaan. Niet valt in te zien dat klager niet op de juistheid van deze mededeling mocht vertrouwen. De brief van 21 januari 2009, waarin klager een verzoek tot binnentreden heeft gedaan, is immers niet aan verweerder sub 1 gericht, maar aan zijn collega, verweerster sub 2, terwijl verweerder sub 1 eerst kort voor de zitting bij de zaak betrokken is geraakt. Van verweerder sub 1 kon niet worden verwacht dat hij het dossier zou doorspitten om de juistheid van de mededeling van zijn cliënten over het ontbreken van een verzoek tot binnentreden te verifiëren. Voorts is, anders dan klager stelt, niet gebleken dat de brief door verweerder sub 1 is doorgestuurd aan zijn cliënten. Verweerder sub 1 was naar eigen zeggen ten tijde van de gewraakte uitspraken niet bekend met de voornoemde brief. In het licht van een en ander is aldus is niet komen vast te staan dat hij bekend was met de inhoud van de brief en evenmin dat hij daarmee bekend had moeten zijn.

4.8 Ten aanzien van de fax van 12 mei 2009, waarin verweerder sub 1 herhaalt dat klager nooit om toegang tot het gehuurde had verzocht, overweegt de raad dat deze aan klagers advocaat is gericht, zodat de belangen van klager niet door die uitlating kunnen zijn geschaad, wat betekent dat de uitlating ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar kan zijn.

4.9 Voorts is niet komen vast te staan dat verweerder sub 1 de gewraakte uitlating ten overstaan van het gerechtshof Amsterdam op 19 maart 2010 heeft herhaald.

4.10 De conclusie moet zijn dat verweerder sub 1 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld voor zover (is komen vast te staan dat) hij heeft gesteld dat klager geen verzoek tot binnentreden heeft gedaan. Klachtonderdeel (a) is dus ongegrond.

Verzetgrond (ii)/klachtonderdeel b)

4.11 Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel geldt als uitgangspunt de onder 4.4 genoemde maatstaf dat bij klachten tegen de advocaat van de wederpartij aan een advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem het best voorkomt. Indien het handelen van verweerder sub 1 aan die maatstaf wordt getoetst, komt de raad tot het oordeel dat verweerder sub 1 tuchtrechtelijk geen verwijt treft.

4.12 De raad stelt vast dat in de brief van 19 februari 2009 van Z B.V. een verzoek tot indeplaatsstelling kan worden gelezen. Voor zover een civiele rechter dit anders zou kwalificeren, doet dat nog niet af aan de vrijheid van verweerder sub 1 om die uitleg van de brief te verdedigen. Voorts heeft verweerder sub 1 van zijn cliënten voor kennisgeving aangenomen dat de brief aan klager is verzonden. Hij mocht afgaan op de juistheid van deze mededeling. De juistheid van de stelling van klager dat deze brief door hem niet, althans niet voor 29 april 2009 is ontvangen, kan daarom in het midden blijven. Klager heeft in het klaagschrift, het verzetschrift noch anderszins feiten aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat verweerder sub 1 de hem toekomende beleidsvrijheid zou hebben misbruikt.

Verzetgrond (iii)/klachtonderdeel c)

4.13 Dat verweerder sub 1 bij de presentatie van de concernstructuur van zijn cliënten (bewust) onjuiste informatie heeft verschaft, is niet komen vast te staan, nu verweerder sub 1 zulks heeft betwist. Voor zover verweerder sub 1 in dit kader informatie zou hebben verschaft die onjuist is, te weten dat X B.V. een dochtervennootschap is van Y B.V. terwijl dit in werkelijkheid een zustervennootschap is, oordeelt de raad dat dit in dat geval een vergissing zou betreffen op een irrelevant punt, welke vergissing niet klachtwaardig is.

Conclusie

4.14 Op basis van het voorgaande is de raad van oordeel dat het verzet gegrond is gelet op verzetgrond (i), maar dat klager in zijn klacht, voor zover deze is gericht tegen verweerster sub 2, niet ontvankelijk is en dat de klacht, voor zover deze is gericht tegen verweerder sub 1, in alle onderdelen ongegrond is.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart:

- het verzet gegrond;

- klager niet ontvankelijk in zijn klacht jegens verweerster sub 2; en

- de klacht jegens verweerder sub 1 in al haar onderdelen ongegrond.

 

Aldus gewezen door mr. A.P. Schoonbrood-Wessels, voorzitter, mr. A. de Groot, mr. L.D.H. Hamer, mr. R.P.F. van der Mark, mr. B.J. Sol, leden, bijgestaan door mr. D.K. Baas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juni 2011.

 

voorzitter griffier

 

Deze beslissing is in afschrift op 21 juni 2011 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager;

- verweerders;

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam; en

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- klager;

- verweerders;

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam; en

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Het beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep

zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van

de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076 – 548 46 08. Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

d. Telefonische informatie

076 - 548 46 07.