Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-05-2011

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2011:YA2668

Zaaknummer

6024

Zaaknummer

6025

Inhoudsindicatie

Beroep van verweerster tegen de beslissing van de raad tot schorsing voor onbepaalde tijd ( art 60 b). Bij de deken was twijfel gerezen over de geestelijke gezondheid van verweerster en over de wijze waarop zij de praktijk voerde. Een aangestelde rapporteur stelde ernstige gebreken in de wijze van praktijkuitoefening vast en raad en hof achtten schorsing voor onbepaalde tijd geraden en lieten zich niet uit over de geestelijke gesteldheid van verweerster.

Uitspraak

 30 mei 2011

Nrs. 6024 en 6025

Hof van Discipline

Beslissing

naar aanleiding van het hoger beroep van

verweerster

tegen:

De Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem,

de deken

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar:

- de beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het rechtsgebied van het Gerechtshof te Arnhem (verder: de voorzitter), van 4 oktober 2010, onder nummer 10-95, aan partijen toegezonden op 4 oktober 2010, waarbij een verzoek van de deken als bedoeld in art. 60c Advocatenwet is toegewezen en een onderzoek is gelast naar de toestand waarin de praktijk van verweerster zich bevindt, met benoeming van mr. X., advocaat te Den Bosch, tot rapporteur teneinde de toestand waarin de praktijk van verweerster zich bevindt te onderzoeken alsmede zich een oordeel te vormen over de vraag of verweerster in staat moet worden geacht haar praktijk behoorlijk uit te oefenen of althans onderzoek te doen naar feiten en omstandigheden die voor een oordeel daaromtrent van belang (kunnen) zijn, en met bepaling dat verweerster zekerheid moet stellen voor de kosten van dit onderzoek door overmaking van € 5.950 op een door mr. X. aan haar op te geven bankrekening;

- de eindbeslissing van de Raad van Discipline in het rechtsgebied van het Gerechtshof te Arnhem (verder: de raad) van 14 februari 2011, onder nummer 10-95, waarbij verweerster op de voet van art. 60b Advocatenwet met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk als advocaat is geschorst;

- de  beslissing van de raad van 14 februari 2011, onder nummer 10-95b, waarbij de op de voet van art. 60d lid 3 Advocatenwet voor rekening van verweerster komende aan mr. X. toekomende vergoeding voor zijn werkzaamheden als rapporteur bepaald is op € 13.036,99, plus € 3.121,97, in totaal € 16.158,96 inclusief BTW.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De memorie waarbij verweerster van deze drie beslissingen in hoger beroep is gekomen, is op 11 maart 2011 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van de stukken van de eerste aanleg.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 8 april 2011, waar verweerster en de deken zijn verschenen.

3. Het verzoek van de deken

3.1 Bij brief van 30 juni 2010 heeft de deken de raad verzocht om verweerster op de voet van artikel 60b voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk, dan wel die voorzieningen te treffen die de  raad geboden acht.

Voor zover de raad van mening mocht zijn dat nog niet aanstonds enige voorziening kan worden getroffen, heeft de deken de voorzitter van de raad verzocht op voet van artikel 60c Advocatenwet e.v. een onderzoek in te stellen naar de toestand van de praktijk.

3.2 De deken heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd:

Er bestaan sinds enige tijd gerede twijfels over de geestelijke gezondheid van verweerster. Er zijn thans aanwijzingen dat de geestelijke gezondheid van verweerster haar functioneren en ook de algemene praktijkvoering binnen haar kantoor in negatieve zin beïnvloedt. Daarbij is van belang:

- In een gesprek dat verweerster op 22 oktober 2007 met de toenmalige deken heeft gevoerd, heeft zij hem geïnformeerd over bedreigingen naar aanleiding waarvan door haar verschillende aangiftes zouden zijn gedaan. Verweerster heeft de deken toestemming gegeven daar onderzoek en navraag naar te doen bij onder meer de betreffende Officier van Justitie. Die toestemming heeft zij naderhand ingetrokken.

- In de van de zijde van het Openbaar Ministerie verkregen informatie worden de beweringen van verweerster op geen enkele wijze gestaafd. De deken heeft haar daarop, zoals eerder bij haar aangekondigd, laten weten dat hij ernstige bedenkingen koestert over de juistheid van de ontvangen informatie en over de geestelijke gezondheid van verweerster.

- Verweerster heeft de beweringen onverkort en bij herhaling staande gehouden en zelfs nog versterkt. Zo heeft zij tijdens de mondelinge behandeling van een klachtzaak bij de Raad van Discipline op 14 december 2009 onder meer meegedeeld:

i. dat zij vanaf de zomer van 2004 regelmatig contact heeft gehad met de recherche en de Officier van Justitie;

ii. dat zij heeft gesproken met een niet bij naam genoemde en naar haar zeggen inmiddels overgeplaatste Officier van Justitie, over tien personen die geliquideerd zijn en dat zij weet waar de lijken liggen, maar dat niemand is gaan kijken;

dat zij met betrekking tot die aangiftes door het Openbaar Ministerie wordt tegengewerkt en dat er sprake is van een gigantische criminele organisatie die gevestigd is in P.;

iv. dat de Orde vanwege hechte banden met anderen, niet optreedt tegen kwaadsprekerij over haar.

De voorzitter van de Raad van Discipline heeft naar aanleiding van deze uitlatingen van verweerster zijn ernstige zorgen over verweerster aan haar kenbaar gemaakt.

- Het is thans gebleken dat verweerster kantoorgenoten en in het bijzonder ook stagiaires van de door haar gestelde bedreigingen en complottheorieën deelgenoot maakt. Zo heeft zij tegenover een stagiaire als haar opvatting gegeven, dat het Gerechtshof en zo ook de deken, deel uitmaken van een grootschalig tegen haar gericht complot.

 Aldus raken deze beweringen en het feit dat deze beweringen op geen enkele wijze aannemelijk worden gemaakt maar niettemin en met steeds grotere stelligheid door verweerster worden herhaald, inmiddels ook rechtstreeks de praktijkuitoefening.

 Nog daargelaten of deze uitlatingen toegeschreven kunnen worden aan de geestelijke gesteldheid van verweerster, betaamt het een behoorlijk advocaat niet om, zonder dat daarvoor concreet bewijs bestaat, dergelijke beschuldigingen over anderen en in het bijzonder over de rechterlijke macht, Openbaar Ministerie en vertegenwoordigers van de Orde van Advocaten openlijk en bij herhaling te uiten.

- De twijfels over het functioneren van verweerster vloeien ook voort uit hetgeen de voormalige stagiaire van verweerster, mr. Y., heeft verklaard in het kader van het door de deken en de adjunct-secretaris met hem gevoerde eindgesprek. De stage van Y. op het kantoor van verweerster is voor de afloop daarvan met onenigheid geëindigd. Y. oefende vervolgens de praktijk uit onder toezicht van een patroon in het arrondissement Den Haag.

- In het gesprek met Y. is gebleken van een reeks van tekortkomingen in de wijze waarop de praktijkvoering bij verweerster plaatsvindt. Kort weergegeven kunnen worden genoemd:

a) op kantoor is geen behoorlijke bibliotheek aanwezig;

b) niet in acht nemen van Gedragsregel 7 lid 4 (tegenstrijdig belang)

c) vermoedelijke betrokkenheid bij het incasseren van valse, of althans niet  bestaande, facturen;

d) bovenmatig en onredelijk declaratiegedrag;

e)  instructies met betrekking tot het schrijven van onjuiste vaste tijdseenheden voor bepaalde voorgeschreven verrichtingen;

f) behandeling van zaken waarvoor de vakbekwaamheid binnen het kantoor  ontbreekt;

g) behandelen van kansloze zaken;

h) niet wijzen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp.

- Hetgeen door Y. in het eindgesprek naar voren is gebracht, bevestigt het beeld dat reeds eerder, ook in eerdere (klacht)procedures rondom het functioneren van verweerster was ontstaan, namelijk dat het in de praktijkvoering van verweerster voornamelijk draait om het genereren van omzet, zonder dat daarbij steeds het belang van de cliënten en de tegenover die cliënten te betrachten zorg en zorgvuldigheid centraal staan.

- Er is bij verweerster in het verleden sprake van een groot aantal klachten en tuchtrechtelijke veroordelingen, die veelal een financiële achtergrond hebben. De deken heeft de navolgende tuchtrechtelijke  beslissingen onder de aandacht van de raad gebracht:

RvD 16 december 2002 nr. 02-63: berisping (door het HvD op 4 juli 2003 bekrachtigd) ter zake zich grievend en lasterlijk uitlaten over klager;

RvD 7 april 2003 nr. 02-80: berisping ter zake het verlenen van bijstand door verweerster althans haar kantoor niet op basis van een toevoeging terwijl dat wel was aangewezen;

RvD 11 augustus 2003 nr. 03-18: berisping ter zake het ten onrechte in rechte betrekken van W. Nederland, onvoldoende wijzen op kostenrisico en nog een einddeclaratie laten uitgaan toen al vaststond dat een beroepsfout was gemaakt;

RvD 11 augustus 2003 nr. 03-28: voorwaardelijke schorsing van twee weken ter zake van handelen in strijd met Regel 11, onvoldoende bereidheid om de nadelige gevolgen van de fout weg te nemen, onvoldoende inzicht in verwijtbaarheid;

RvD 10 april 2006 nr. 05-105: schorsing van een week (door het HvD op 13 november 2006 omgezet in een voorwaardelijke schorsing van een maand met de bijzondere voorwaarde van terugbetaling van € 5.000 binnen vier weken) voor het niet aanvragen van een toevoeging en het ter zake niet correct informeren van klager, alsmede het ondanks herhaald verzoek nimmer specificeren van de declaratie en in verhouding tot het belang excessief declareren;

RvD 14 september 2009 nr. 09-18: berisping (door het HvD op 12 april 2010 bekrachtigd) voor het tekortschieten in financiële afwikkeling, en in strijd met de waarheid opgeven van bestede tijd;

RvD 14 september 2009 nr. 08-115: schorsing van drie weken (door het HvD op 12 april 2010 bekrachtigd) ter zake van het geven van instructie aan een medewerker om in dossiers tijd te schrijven en in rekening te brengen die in werkelijkheid niet aan de zaak is besteed;

RvD 14 september 2009 nr. 09-43: schorsing van vier weken (door het HvD op 12 april 2010 bekrachtigd) voor handelen in strijd met de Boekhoudverordening, geen informatie over 2007.

Nadien zijn er nog drie klachten bij de deken binnengekomen. Een daarvan is inmiddels ter kennis gebracht van de raad, de andere twee worden nog onderzocht.

4. De ontvankelijkheid van het beroep voor zover gericht tegen de beslissing van de voorzitter van 4 oktober 2010

 Tegen een voorzittersbeslissing als de onderhavige staat ingevolge art. 60c lid 4 Advocatenwet slechts verzet open bij de raad van discipline, met een termijn van veertien dagen. Verweerster kan derhalve niet worden ontvangen in haar beroep tegen de voorzittersbeslissing van 4 oktober 2010.

5. Beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de raad van 14 februari 2011 nummer 10-95

5.1 De raad heeft in zijn bestreden beslissing overwogen dat hij niet heeft kunnen vaststellen of de uitlatingen van verweersters over tegen haar gerichte complotten, die verweersters voor de raad aannemelijk heeft willen maken, ontsproten zijn uit mogelijk bestaande wanen dan wel anderszins duiden op een ziekte van de geest, en de vraag of daarvan sprake is in het midden gelaten. Zijn oordeel dat verweerster geen blijk geeft haar praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen heeft de raad doen steunen op bevindingen die de door de voorzitter benoemde rapporteur mr. X. in zijn rapport van 9 november 2010 heeft vermeld.

 

5.2 In haar beroepschrift, waarvan de alinea’s gemakshalve door het hof van een nummering 1-9 zijn voorzien, voert verweerster tegen de beslissing van de raad van 14 februari 2011 allereerst aan (alinea 3) dat de door haar vermelde grote criminele organisatie wel degelijk bestaat en klaagt zij dat de raad ten onrechte geweigerd heeft een drietal door haar genoemde getuigen, te weten de generaal der strijdkrachten van U., de kolonel van de landmacht G. en de Officier van Justitie van het Landelijk Parket, te horen. Voorts klaagt verweerster dat de raad aan de verklaring van de getuige drs. P. ten onrechte geen geloof heeft gehecht.

5.3 De raad heeft in het midden gelaten of de door verweerster bedoelde grote criminele organisatie werkelijk bestaat. Nu de raad oordeelde dat uit het onderzoek van mr. X. niet blijkt van enig effect van de door verweerster gestelde complotten op de behandeling van zaken door verweerster en haar praktijkvoering in bredere zin,  achtte de raad het al-of-niet bestaan van die complotten en de door verweerster gestelde grote criminele organisatie klaarblijkelijk niet van doorslaggevende betekenis voor de beantwoording van de vraag of verweerster blijk geeft haar praktijk niet behoorlijk te kunnen uitoefenen. Het hof volgt dit oordeel van de raad. Beoordeeld moet worden de praktijkvoering door verweerster. In hoeverre de door haar gestelde criminele organisatie en complotten werkelijk bestaan kan ook in hoger beroep in het midden blijven. Het hof verwerpt daarom de in alinea 3 door verweerster aangevoerde klachten. Dit brengt mee dat het hof het verzoek in alinea 9 van het beroepschrift om de getuigen V. U., G., V. en P. te horen, afwijst.

5.4 In alinea 7 van het beroepschrift voert verweerster allereerst aan dat het rapport van mr. X. schandalig negatieve uitingen vermeldt over elk dossier dat door mr. X. is meegenomen, terwijl mr. X. al dat negatieve heeft genoteerd zonder dat hij enig verzoek om uitleg over de inhoud van dossiers aan de behandelaar daarvan heeft gedaan.

5.5 Verweerster heeft, noch in haar beroepschrift, noch ter zitting, enige concrete uitleg gegeven waarom de negatieve uitingen van mr. X. in zijn rapport volgens haar onterecht zijn. Haar stelling dat mr. X. zich over elk door hem bestudeerd dossier negatief heeft uitgelaten is onjuist. In bijlage 9 bij het rapport van mr. X., waarin de rapporteur verslag heeft gedaan van 25 door hem onderzochte dossiers zijn verschillende dossiers vermeld (nrs. 7, 8, 9, 10, 15, 16, 17 en 21) waarbij de rapporteur geen kritische noten plaatst.

5.6 Het verwijt dat mr. X. aan de behandelaars van de dossiers geen uitleg heeft gevraagd gaat, wat daarvan zij, niet op voor de zes dossiers waarin de raad ernstige tekortkomingen heeft geconstateerd, nu dat dossiers waren van zaken die verweerster zelf heeft behandeld of waarbij (dossier 22) aangenomen moet worden dat verweerster actieve betrokkenheid moet hebben gehad. De generieke klacht van verweerster (eveneens in alinea 7) dat de raad ten onrechte alle uitleg van verweerster zelf over de zaken die zij wel zelf heeft behandeld zonder uitzondering negatief heeft beoordeeld, is onvoldoende specifiek om te worden onderzocht.

5.7 Voorts voert verweerster in alinea 7 aan dat uit het rapport van mr. X. zou blijken dat alle stellingen waarop de deken zich beriep, niet door mr. X. zijn geconstateerd.

5.8 Het hof stelt vast dat inderdaad niet al hetgeen de deken in zijn brief van 30 juni 2010 aan de raad ten nadele van verweerster heeft aangevoerd, is bevestigd door de bevindingen van mr. X.. Dat geldt met name voor de door de deken gestelde twijfel aan de geestelijke gezondheid van verweerster, echter mr. X. was ook niet gelast daarnaar onderzoek te doen. De omstandigheid dat de deken het door hem vermoede onvermogen van verweerster om de praktijk behoorlijk uit te oefenen beschouwde als een mogelijk gevolg van een abnormale geestelijke gesteldheid van verweerster, brengt niet mee dat dat onvermogen slechts kan worden aangenomen indien vaststaat dat de geestelijke gesteldheid van verweerster inderdaad abnormaal is.

5.9 Ook de klachten van alinea 7 worden derhalve verworpen.

5.10 In alinea 8 van haar beroepschrift vermeldt verweerster als haar mening dat de raad bevooroordeeld en partijdig ten gunste van de deken deze zaak heeft behandeld en beslist, terwijl zij recht had op een onpartijdige en onafhankelijke behandeling en beoordeling.

5.11 Het hof acht ook deze klacht ongegrond. Verweerster heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zij van mening is dat de raad bevooroordeeld en partijdig was. Uit de enkele omstandigheid dat de raad op de in zijn beslissing vermelde gronden het verzoek van de deken om verweerster in de uitoefening van de praktijk te schorsen heeft toegewezen, valt niet af te leiden dat de raad niet onpartijdig en onafhankelijk heeft geoordeeld.

5.12 In alinea 9 verzoekt verweerster naast de hiervoor in 5.3 genoemden ook haar voormalige stagiaire mr. Y. als getuige te horen. Nu verweerster in hoger beroep geen concrete stellingen heeft aangevoerd die zij door middel van een getuigenverklaring van Y. zou willen bewijzen, wijst het hof het verzoek ook wat betreft de getuige Y. af.

5.13 Het hof verenigt zich met het oordeel van de raad, gebaseerd op de in hoger beroep juist bevonden constateringen in nr. 8 van de beslissing van de raad, dat op het kantoor van verweerster sprake is van een bovenmatig en onredelijk declaratiegedrag en dat verweerster bij het (doen) declareren onbehoorlijk heeft gehandeld en niet heeft geleerd van de haar eerder in de zaken 03-18, 05-105, 08-115 en 09-18 opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen. Het hof is voorts met de raad van oordeel dat blijkt van een ernstig tekortschieten in de aanpak van zaken en de informatieverstrekking aan de cliënt omtrent dat tekortschieten (waartoe de advocaat ingevolge regel 11 van de Gedragsregels 1992 is gehouden) in ten minste zes van de vijftien steeksproefgewijs onderzochte zaken die verweerster heeft behandeld of bij de behandeling waarvan verweerster actief betrokken moet zijn geweest. Evenals de raad oordeelt het hof dat deze verhouding aannemelijk maakt dat ook de op 14 februari 2011 nog bij verweerster in behandeling zijnde zaken te lijden hadden onder een gebrekkige bijstand, en dat, mede gelet op het tuchtrechtelijke verleden van verweerster dit alles de conclusie rechtvaardigt dat verweerster geen blijk geeft haar praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen, zodat de door de raad uitgesproken schorsing op haar plaats is.   

6. Beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de raad van 14 februari 2011 nummer 10-95b

6.1 In haar beroepschrift heeft verweerster niet in het bijzonder uiteengezet welke bezwaren zij heeft tegen de door de raad vastgestelde aan mr. X. voor zijn werkzaamheden toekomende vergoeding. Het hof houdt het erop dat de bezwaren van verweerster tegen de onderhavige beslissing in het verlengde liggen van haar bezwaren tegen de schorsing, aldus dat waar volgens verweerster geen grond is voor het opleggen van een schorsing, de kosten van het onderzoek niet door haar behoren te worden gedragen. Het hof merkt daarom het bezwaar van verweerster tegen de onderhavige beslissing aan als een beroep op lid 6 van art. 60d Advocatenwet.

6.2 Nu het hof evenals de raad oordeelt dat er wel degelijk grond is voor het opleggen van een schorsing, zal het bezwaar worden verworpen. 

7. De beslissing

Het hof:

in het beroep tegen de  beslissing van de voorzitter van 4 oktober 2010:

verklaart verweerster niet-ontvankelijk in haar beroep;

in het beroep tegen de beslissingen van de raad van 14 februari 2011, nummers 10-95 en 10-95b:

bekrachtigt de beslissingen van de Raad van Discipline in het rechtsgebied van het Gerechtshof te Arnhem van 14 februari 2011, onder de nummers 10-95 en 10-95b.

Aldus gewezen door mr. J.H.C. Schouten, voorzitter, mrs. W.M. Poelmann, J.P. Balkema, J.C. van Oven en H.D. Cotterell, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2011.