Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-11-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2011:YA2195

Zaaknummer

11-074A

Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Klacht tegen advocaat van de wederpartij. Klaagster meent dat verweerder stellingen heeft ingenomen waarvan hij wist dat die niet juist waren en voorts dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten. Verzet is ongegrond.

Uitspraak

 

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 28 november 2011

in de zaak 11-074A

 

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad op de op 4 maart 2011 binnengekomen klacht van:

mevrouw

 

klaagster

tegen:

de heer mr.

v e r w e er d e r 

1.   Verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 3 maart 2011, door de raad ontvangen op 4 maart 2011, heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2. Bij beslissing van 4 april 2011 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op 5 april 2011 aan klaagster is verzonden. 

1.3. Bij brief van 17 april 2011, door de raad ontvangen op 20 april 2011, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter.

1.4. Het verzet is behandeld ter zitting van 21 september 2011 in aanwezigheid van klaagster en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5. De raad heeft kennisgenomen van:

­ de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop die beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven;

­ het hiervoor genoemde verzetschrift van klaagster.

2.   Klacht; verzet

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder in strijd met artikel 46 Advocatenwet heeft gehandeld door klaagster te intimideren door haar aan te schrijven over de kansen van een hoger beroep en haar aansprakelijk te stellen voor onrechtmatig handelen en voor schade en kosten. Daarbij heeft verweerder ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klaagster geuit.

2.2 Het verzet houdt, zakelijk weergegeven, in dat de plaatsvervangend voorzitter de klacht ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard aangezien de brieven van verweerder van 23 november 2010 en 6 december 2010 een beschuldiging aan het adres van klaagster bevatten ten aanzien van het op kosten jagen van de cliënt van verweerder. Klaagster is van mening dat verweerder weet dat hij hiermee stellingen poneert waarvan hij weet dat die onjuist zijn. Klaagster stelt voorts dat verweerder ongefundeerde aantijgingen aan haar adres heeft gedaan, zowel tijdens de zitting bij de kantonrechter als ook door het toevoegen van krantenartikelen aan het dossier.

3.    Feiten

3.1 Voor de beoordeling van het verzet en de daaraan ten grondslag liggende klacht kan, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan.

3.2 Verweerder heeft namens de voormalig werkgeefster van klaagster opgetreden in een procedure tot herroeping van een beslissing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter. Deze procedure was aanhangig gemaakt door klaagster. De herroeping is afgewezen.

3.3 Tegen de beslissing van de kantonrechter heeft klaagster beroep aan laten tekenen bij het gerechtshof Amsterdam. Verweerder heeft daarop de advocaat van klaagster bij fax van 23 november 2010 erop gewezen dat de beslissing inzake herroeping niet vatbaar is voor hoger beroep. Verweerder heeft zich daarbij namens zijn cliënte op het standpunt gesteld dat het evident is dat het beroepsschrift geen kans van slagen heeft en dat het doorzetten van het beroep misbruik van procesrecht, en een onrechtmatige daad, met zich meebrengt. In voormelde fax heeft verweerder namens zijn cliënte klaagster aansprakelijk gesteld voor de kosten van deze procedure.

3.4 Naar aanleiding van de fax van 23 november 2010 heeft verweerder telefonisch overleg gepleegd met de advocaat van klaagster. De inhoud van dit gesprek is door verweerder weergegeven in zijn fax van 6 december 2010.

4.    Beoordeling van het verzet

4.1 De klacht is gericht is tegen de advocaat van klagers wederpartij, zodat de door het hof van discipline – de hoogste instantie in het advocatentuchtrecht – gehanteerde maatstaf dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt, van toepassing is. Die vrijheid is niet onbeperkt; deze kan onder meer ingeperkt worden indien de advocaat (1) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, (2) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (3) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (2) genoemde beperking moet voorts in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De raad is van oordeel dat de plaatsvervangend voorzitter bij de beoordeling van het handelen van verweerder, namelijk als advocaat van de wederpartij van klaagster, deze maatstaf juist heeft toegepast.

4.2 De raad is met de plaatsvervangend voorzitter van oordeel dat verweerder met de faxen van 23 november 2010 en 6 december 2010, gericht aan de advocaat van klaagster, zijn vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen niet heeft overschreden. Evenmin is de inhoud van deze faxen onnodig grievend of heeft verweerder hiermee stellingen ingenomen waarvan hij moet weten dat deze strijdig zijn met de waarheid. De opvatting van klaagster dat verweerder stellingen heeft ingenomen waarvan hij weet dat deze in strijd met de waarheid zijn, deelt de raad niet. Voorzover dit ziet op de juridische stelling van verweerder omtrent de (on)mogelijkheid van het instellen van hoger beroep oordeelt de raad dat dit een juridisch debat is, in welk juridisch debat de raad niet treedt nu niet zonder meer duidelijk is of deze stelling juist is of niet. Het is een standpunt dat verweerder namens zijn cliënt mag innemen. De opmerking van verweerder in zijn fax van 23 november 2010 aan de advocaat van klaagster dat klaagster de cliënte van verweerder onnodig op kosten jaagt, acht de raad een opmerking waarvan niet vaststaat dat deze in strijd met de waarheid en/of nodeloos grievend is.

4.3 Ten aanzien van de ongefundeerde aantijgingen zoals door klaagster omschreven in haar verzetschrift is de raad van oordeel dat dit niet onnodig grievend is. Het stond verweerder vrij de krantenartikelen toe te voegen aan de processtukken. Voor wat betreft de uitlatingen die door verweerder ter zitting zouden zijn gedaan, overweegt de raad dat niet is komen vast te staan dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder niet klachtwaardig heeft gehandeld.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mr. S.M. Gaasbeek-Wielinga, mr. G. Kaaij, mr. G.J.W. Pulles, mr. J.H.P. Smeets, leden, bijgestaan door mr. H.J. Delhaas als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 november 2011.

 

voorzitter           griffier

 

Deze beslissing is in afschrift op 28 november 2011 per aangetekende brief verzonden aan:

- klaagster

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.