Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-05-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2011:1

Zaaknummer

R. 3544/10.174

Inhoudsindicatie

De deken is ontvankelijk in de ambtshalve klacht ondanks dat er over hetzelfde voorval al een klacht is ingediend. Er is geen sprake van overschrijding van een redelijke termijn waarbinnen geklaagd kan worden.

Inhoudsindicatie

Verweerster heeft in strijd met de Boekhoudverordening gehandeld door niet, althans niet onverwijld, na als vereffenaar benoemd te zijn een bankrekening te openen.

Inhoudsindicatie

Verweerster heeft bovendien in strijd met deze verordening, althans de Verordening op de administratieve en financiële integriteit gehandeld door gelden toebehorende aan de nalatenschap over te maken op privé-rekeningen op haar eigen naam. Het beroep op overmacht wordt verworpen.

Inhoudsindicatie

Door haar declaraties en declaraties van door haar ingeschakelde derden zonder uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbenden(n) te verrekenen met gelden die verweerster onder zich had, heeft verweerster gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichting om nauwgezetheid en zorgvuldigheid te betrachten in financiële aangelegenheden. Dit geldt ook voor de door verweerster uitbetaalde voorschotten aan één van de erfgenamen.

Inhoudsindicatie

Verweerster heeft verder onduidelijkheid laten bestaan of zij als advocaat van één van de erfgenamen optrad of als vereffenaar ten behoeve van alle erfgenamen.

Inhoudsindicatie

De Raad legt als maatregel op schorsing in de uitoefening van de praktijk. De schorsing wordt voorwaardelijk opgelegd voor de duur van een jaar met als bijzondere voorwaarde dat verweerster met de mede-vereffenaar binnen zes weken een door de Raad geformuleerde vraag aan een bindend adviseur voorlegt.

Uitspraak

 

PROCEDUREVERLOOP

1.1 Bij brief van 15 oktober 2010 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerster.

Het dossier is op 16 oktober 2010 bij de Raad binnengekomen.

1.2 De Raad heeft kennisgenomen van de stukken die op grond van het bepaalde in art. 49 lid 2 van de Advocatenwet op het kantoor van de griffier ter inzage van partijen hebben gelegen.

1.3 De zaak is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 7 februari 2011 waarbij de Deken en mr. L. en verweerster zijn verschenen.

 

FEITEN

2.1 De heer V. is op 9 november 2003 overleden. In de nalatenschap vielen de aandelen van de vennootschap S. International N.V., gevestigd op A. ( en daarmee ook de dochtervennootschap S. Nederland B.V. en de dochtervennootschap daarvan, BVBA C. Belgium). 

2.2 Verweerster is samen met Mr. F., advocaat in België, door de rechtbank te Antwerpen bij beschikking van 8 februari 2007 benoemd als vereffenaar van BVBA C. Belgium.

2.3 Bij beschikking van 20 maart 2007 van de Rechtbank Haarlem zijn  beiden benoemd tot vereffenaars van het vermogen van S. Nederland B.V.

2.4 Verweerster en Mr. F.  zijn op verzoek van de gezamenlijke erfgenamen bij beschikking van 29 maart 2007 van de Rechtbank ’s-Gravenhage benoemd tot vereffenaars van de nalatenschap van V., waarin de aandelen van S. International N.V. vallen.

2.5 Bij e-mail van 4 augustus 2008 heeft de rechter-commissaris van de Rechtbank ’s-Gravenhage jegens verweerster er zijn zorg over uitgesproken dat gelden van de nalatenschap niet op een boedelrekening zijn geplaatst, maar op een rekening die vatbaar is voor verhaal door derden.

2.6 Bij beschikking van 16 oktober 2008 van de Rechtbank ’s-Gravenhage is verweerster op verzoek van één van de erfgenamen, mevrouw A., ontslagen als vereffenaar van de nalatenschap.

2.7 In deze beschikking is onder meer overwogen:

´3.4 Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is voldoende duidelijk geworden dat [verweerster] buiten medeweten van haar medevereffenaar werkzaamheden heeft verricht.

(…)

[Verweerster] kan worden verweten dat zij haar medevereffenaar over het algemeen pas informeerde nadat deze daar zelf om had gevraagd of pas nadat het tot een procedure was gekomen.

(…)

3.5 Door [verweerster] wordt niet betwist dat zij ook als advocaat optreedt voor mevrouw V., één van de erfgenamen. Hiermee bestaat het gevaar dat de belangen van de gezamenlijke erfgenamen uit het oog worden verloren.

(…)

De rechtbank geeft geen oordeel over de juistheid van deze betalingen, maar het had op de weg van [verweerster] als vereffenaar gelegen één en ander in goed overleg met alle erfgenamen en met haar medevereffenaar te regelen. Hieraan doet niet af dat zij hierover ter zitting (achteraf) verantwoording heeft afgelegd”

 en

“(…)maar zij dient wel zorg te dragen voor het inzichtelijk maken van hetgeen door haar is gedaan of moet worden gedaan. “

2.8 Verweerster is nadien door de Rechtbank Antwerpen ontslagen als vereffenaar van BVBA C. Belgium.

2.9 Bij beschikking van 8 april 2010 van de Rechtbank Haarlem is verweerster op eigen verzoek ontslagen als vereffenaar van S. Nederland B.V.

2.10 Op verzoek van verweerster heeft accountantskantoor B. een rapport uitgebracht d.d. 10 juni 2010 met betrekking tot de bevindingen inzake het ingestelde onderzoek naar de financiële en administratieve aspecten van het beheer van activa en tegoeden die betrekking hebben op de nalatenschap van de heer V. binnen het advocatenkantoor van verweerster.

2.11 In dit verslag is onder meer opgenomen:

“Deze rapportage is slechts bedoeld voor gebruik in uw verantwoording naar de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (…)

“Betalingen en ontvangsten van derdengelden geschieden in het algemeen op een aparte bankrekening ABN AMRO [rekeningnummer] ten name van [verweerster] Cliënt Trust. Deze rekening wordt uitsluitend voor derden gelden gebruikt. Deze bankrekening is opgenomen in het rekeningstelstel van het kantoor.

Tevens is gebruik gemaakt van een bankrekening [rekeningnummer]. ten name van [verweerster] Advocatuur B.V(…).

Op deze rekening is op 28 augustus 2007 een bedrag groot € 433.158 ontvangen. Het betrof een vordering van S. Nederland B.V. op F. Trading. Hiervan is op 20 november 2007 € 300.000 op deposito bij [bank] geplaatst tegen 4.5% rente.

Tevens is een groot aantal voorschotten aan erfgename mevrouw V. uitbetaald. Doorgaans werd € 4.000 per maand uitbetaald….

Deposito’s

Op 28 augustus 2007 is een bedrag groot € 433.158 ontvangen zoals hiervoor toegelicht. Dit was afkomstig van F. zijnde uitgeleende gelden door S. Nederland B.V. [verweerster] heeft dit geld op deposito’s gestald.

(…)

C.

Op 19 november 2007 heeft [verweerster] een deposito bij [bank] geopend voor een bedrag van € 400.000. Voor € 50.000 betrof dit gelden van [verweerster] privé, voor € 350.000 betrof dit gelden van S. Nederland B.V.

(…)

D.

Tussen juli 2008 en september 2008 zijn door [verweerster] gelden geplaatst op een privé rekening bij [bank]. Naar mededeling van [verweerster] ontbreken dagafschriften.

(…)

Op deze rekening stonden ook privégelden.

De deposito’s bij [3 banken] stonden op naam van [verweerster] persoonlijk.

Eindafrekening

Op 10-11-2009 wordt een bedrag groot € 25.000 overgemaakt van rekening [nummer] (t.n.v. S. Nederland B.V.) op [nummer] (t.n.v. [verweerster]).

Op 12-1-2010 worden twee bedragen respectievelijk € 42.000 en € 24.152 overgemaakt van rekening [nummer] (t.n.v. S. Nederland B.V.) overgemaakt naar rekening [nummer] (t.n.v. [verweerster]). Eind maart 2010 staat op rekening [bankrekeningnummer] ten name van [verweerster] een bedrag ad € 91.151. Naar mededeling van [verweerster] is dit bedrag later teruggeboekt. Dit na verrekening van een aantal kosten. Dit betreft in hoofdzaak declaraties van [verweerster] over 2010, maar ook van zakelijke dienstverleners als (…) en B. Accountants B.V.

(…)

Per saldo zou dan een bedrag groot € 73.470 op de rekening van de Stichting Derdengelden van [verweerster] staan. Naar mededeling van [verweerster] zou dit bedrag nog noodzakelijk zijn voor de kosten van de afwikkeling van de nalatenschap.

(…)

Facturatie [verweerster]

Wij hebben kennis genomen van de facturen van [verweerster]. Achter de facturen is doorgaans geen urenstaat opgenomen.

Sedert 2008 treffen wij achter de dagafschriften geen facturen meer aan, maar urenstaten waaronder een te factureren bedrag is opgenomen.

(…)

Van de bankrekening van S. Nederland B.V. zijn bedragen aan X. Legal betaald. Volgens de specificatie van de facturen zou een deel van de in rekening gebrachte bedragen betrekking hebben op de verdediging van [verweerster] waaronder overleg met de deken. Deze kosten zijn wel gerelateerd aan de activiteiten als vereffenaar voor de nalatenschap van de heer V..”

 

2.12 B.  komt tot de conclusie:

“Grote geldbedragen zijn uitgezet geweest op privé bankrekeningen van [verweerster], (…).

Hierbij heeft incidenteel vermenging van privégelden van [verweerster] met gelden van de nalatenschap plaatsgevonden. De gelden hebben gestald gestaan op rekeningen van advocatenkantoor [verweerster].

Bij het beheer van de nalatenschap heeft [verweerster] veel bankrekeningen gebruikt, waaronder privé-bankrekeningen.

(…)

Bij ons onderzoek hebben wij geen aanwijzingen gevonden dat [verweerster] bedragen heeft onttrokken aan de nalatenschap. Echter, een deel van de toevertrouwde gelden is nog aanwezig op de bankrekening van de Stichting Derdengelden van [verweerster]. In de afgelopen maanden zijn daarop nog kosten verrekend.

(…)”

2.13 Verweerster is na haar ontslag als vereffenaar van zowel de nalatenschap alsook van S. Nederland B.V. werkzaamheden  voor rekening van S. Nederland B.V. blijven verrichten.

 

KLACHT

3. De Deken verwijt verweerster:

a. dat zij in strijd met de voor advocaten geldende verplichtingen niet dan wel niet onmiddellijk als vereffenaar van de nalatenschap en van het vermogen van S. Nederland B.V. boedelrekeningen heeft geopend;

b. dat zij in strijd gehandeld heeft met het bepaalde in artikel 4 Boekhoudverordening 1998 c.q. artikel 6 lid 8 van de Verordening op de administratie en de financiële integriteit door in haar hoedanigheid van vereffenaar geïncasseerde bedragen over te maken op haar eigen privérekeningen;

c. inbreuk gemaakt te hebben op gedragsregel 23, namelijk dat zij als advocaat gehouden is tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden, door ten laste van het vermogen van S. Nederland B.V. uitbetalingen te doen aan zichzelf en door haar ingeschakelde deskundigen, zonder dat kon worden vastgesteld uit welken hoofde verweerster die betalingen verrichtte;

d. dat zij onduidelijkheid heeft laten bestaan over de hoedanigheid waarin zij optreedt, onder meer doordat zij na ontslagen te zijn als vereffenaar nog werkzaamheden is blijven verrichten.

 

VERWEER

4. Verweerster heeft verweer gevoerd, op welk verweer de Raad hierna waar nodig in zal gaan.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ontvankelijkheid

5.1 Vaste rechtspraak van het Hof van Discipline is dat de Deken als klager ontvankelijk verklaard wordt in een ambtshalve dekenklacht ook indien er over het zelfde voorval een afzonderlijke klacht is ingediend. Het verweer dat de Deken niet ontvankelijk is omdat over hetzelfde voorval al een klacht is ingediend wordt derhalve verworpen.

5.2 De Raad volgt verweerster evenmin in haar stelling dat de Deken de klacht niet zou hebben onderzocht en dat de zaak teruggestuurd dient te worden. De door de Deken ingediende ambtshalve klacht is als zelfstandige klacht geformuleerd en voldoende concreet gemaakt.

5.3 Ten slotte voert verweerster aan dat  er sprake is van overschrijding van een redelijke termijn waarbinnen geklaagd kan worden. Ook dit verweer leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. De Deken heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij eerst na - het later dan verwacht-  afkomen van het rapport van bevindingen van het door verweerster zelf ingeschakelde accountantskantoor B. in juni 2010, de klachten kon onderzoeken en zijn visie kon geven, alsmede dat de Deken eerst nadien de ambtshalve klacht kon formuleren.

5.4 De mededeling van de Deken aan een van de andere klagers dat hij geen klacht in behandeling kan nemen tegen de mede-vereffenaar en deze klager verwijst naar de rechter-commissaris, maakt niet dat de Deken niet ontvangen kan worden in de klacht. De Deken heeft immers terecht gesteld dat hij geen klacht over de mede-vereffenaar kan onderzoeken, omdat deze niet ingeschreven is in het Arrondissement Rotterdam.

5.5 De Deken is derhalve ontvankelijk in zijn klacht.

Inhoudelijke beoordeling

Algemeen

5.6 Verweerster heeft erkend dat zij niet aanstonds een boedelrekening geopend heeft ten behoeve van de nalatenschap. Zij heeft deze rekening in augustus 2008 geopend nadat de rechter-commissaris haar daarop had aangesproken.

5.7 Verweerster heeft erkend dat zij gelden uit het vermogen van S. Nederland B.V., deels tezamen met privé-gelden, op deposito’s heeft gezet die op naam van verweerster persoonlijk waren gesteld. Ter zitting heeft verweerster gesteld dat zij zich ervan bewust was dat zij daarmee de toen van kracht zijnde Boekhoudverordening 1998 overtrad.

5.8 Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij betalingen  aan één van de erfgenamen, mevrouw V., alsmede van haar declaraties en die van de door haar ingeschakelde hulppersonen zonder voorafgaand akkoord van rechter-commissaris of haar mede-vereffenaar heeft voldaan, en dat zij daarvoor ook geen toestemming had verkregen van alle erfgenamen..

5.9 In de beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 16 oktober 2008 is overwogen:

“…het had op de weg van [verweerster] als vereffenaar gelegen één en ander in goed overleg met alle erfgenamen en met haar medevereffenaar te regelen…”

alsmede:

“… maar zij dient wel zorg te dragen voor het inzichtelijk maken van hetgeen door haar is gedaan of moet worden gedaan. “

5.10 Verweerster heeft in dit verband aangevoerd dat zij haar mede vereffenaar mr. F. steeds op de hoogte heeft gehouden en dat zij aanneemt dat deze ook de erfgenaam mevrouw A. op de hoogte heeft gebracht. Dat maakt echter niet dat de Raad tot een ander oordeel  komt dan de rechtbank met betrekking tot het gebrek aan overleg van de zijde van verweerster met de erfgenamen en de medevereffenaar.

5.11 Verweerster heeft erkend dat zij ten behoeve van S. Nederland B.V. en de nalatenschap ook na haar ontslag als vereffenaar nog werkzaamheden heeft verricht, gedeclareerd én betaald ten laste van de boedel respectievelijk S. Nederland B.V. Volgens verweerster gebeurde dit op verzoek van de Nederlandse erfgenamen. Dat maakte haar echter nog niet bevoegd.

5.12 Verweerster heeft voorts verklaard dat zij haar declaraties, zowel ten tijde van haar optreden als vereffenaar alsook van na haar ontslag heeft voldaan van de gelden aanwezig op de rekening ten name van [verweerster] Cliënt Trust, door verweerster derdengeldrekening genoemd. Blijkens onder meer het rapport van B. betrof het gelden die vanuit S. Nederland B.V. naar de rekening [verweerster] Cliënt Trust waren overgemaakt. Het bedrag dat verweerster volgens het rapport van B.  in april 2010 op deze rekening had staan, bedroeg ruim € 73.000,=. Volgens eigen mededeling van verweerster is dit bedrag inmiddels volledig opgegaan aan het betalen van haar declaraties, alsmede aan die van de door haar ingeschakelde derden.

Ten aanzien van klachtonderdeel a

5.13 Op grond van artikel 4 van de tot 1 juli 2009 geldende Boekhoudverordening 1998 diende een advocaat, die derdengelden onder zich kreeg, voortvloeiende uit een hoedanigheid die het gevolg is van een rechterlijke benoeming, daartoe onverwijld een bankrekening te openen. Met de invoering van de Verordening op de administratie en financiële integriteit op 1 juli 2009 is niet beoogd op dit punt een minder vergaande verplichting op de advocaat te leggen. Nu vaststaat dat verweerster aan deze verplichting niet, althans niet onverwijld, heeft voldaan, maar pas na tussenkomst van de rechter-commissaris in augustus 2008, heeft zij in strijd met genoemde verordening gehandeld.

Ten aanzien van klachtonderdeel b

5.14 Vaststaat dat verweerster gelden toebehorende aan de nalatenschap heeft overgemaakt op privérekeningen op eigen naam bij [3 banken], en daarbij tevens privé-geld heeft vermengd met gelden van de nalatenschap althans S. Nederland B.V. Verweerster heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 6 (lid 8) van de Verordening op de administratie en financiële integriteit, dan wel artikel 4 van de Boekhoudverordening 1998. Verweerster heeft enerzijds verklaard dat zij er zich van bewust was dat zij de Boekhoudverordening 1998 overtrad. Anderzijds heeft zij aangevoerd dat haar niet duidelijk is waarom zij in strijd met “de financiële verordeningen” heeft gehandeld en heeft in dat verband een beroep gedaan op het “opticienarrest” (HR 15-10-1923, NJ 1923,1329), waarmee zij, zo begrijpt de Raad, wil zeggen dat zij door overmacht niet anders kon dan de betrokken gelden op de bewuste rekeningen deponeren omdat daar nu eenmaal de hoogste rente werd gegeven. Klaagster miskent daarmee dat het verkrijgen van een zo hoog mogelijke rente geen verplichting van een vereffenaar is die overtreding van een regel als de onderhavige rechtvaardigt.

Ten aanzien van klachtonderdeel c

5.15 Verweerster heeft haar declaraties en declaraties van door haar ingeschakelde derden verrekend met gelden die zij onder zich had. Dat gebeurde zonder uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbende(n). Voor het verrekenen van de eigen declaratie met derdengelden is deze uitdrukkelijke toestemming volgens de Verordening noodzakelijk. Ook indien het gaat om bedragen die verweerster anders onder zich had dan op een boedelrekening zoals bedoeld in de Verordening, had verweerster haar declaraties eerst voor dienen te leggen aan de rechter-commissaris, haar medevereffenaar of de erfgenamen. Dat heft zij ten onrechte nagelaten. Verweerster heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij gerechtigd declaraties van haar advocaat mr. K. en van B. bij S. Nederland B.V. in rekening te brengen. Op grond van dit een en ander heeft verweerster, door de bewuste bedragen zonder enige controle op haar eigen rekening over te maken, althans te verrekenen met (haar) declaraties gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichting om nauwgezetheid en zorgvuldigheid te betrachten in financiële aangelegenheden.

Dit laatste geldt ook voor het uitbetalen van voorschotten aan één van de erfgenamen. Verweerster heeft dusdoende niet de noodzakelijke transparantie en zorgvuldigheid betracht. De Deken heeft immers onbetwist gesteld dat verweerster die betalingen zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris of van de mede-vereffenaar heeft verricht. De Raad wijst in dit verband op de bevindingen van de rechtbank ’s-Gravenhage zoals opgenomen in de beschikking van 16 oktober 2008 waarin is geoordeeld dat verweerster eigenmachtig heeft gehandeld zonder haar mede-vereffenaar bij gewichtige aangelegenheden te betrekken. Verweerster heeft te dien aanzien eveneens niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

Ten aanzien van klachtonderdeel d

5.16 In de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 oktober 2008 heeft de rechtbank overwogen dat verweerster niet weersproken dat zij voordat zij tot vereffenaar benoemd werd als advocaat voor één van de erfgenamen optrad. Verweerster heeft weliswaar betwist dat zij in die hoedanigheid is opgetreden, doch ter zitting heeft zij verklaard dat zij deze erfgenaam heeft bijgestaan in een adviesprocedure, waarbij zij de erfgenaam heeft vergezeld naar een bespreking bij een notaris. Verweerster heeft bovendien verklaard dat zij correspondentie met deze erfgenaam op haar kantoorbriefpapier voerde, alsmede dat zij niet zozeer optrad voor de erfgenaam maar voor de nalatenschap.

5.17 De Raad oordeelt dat verweerster in ieder geval onduidelijkheid heeft bestaan over de hoedanigheid waarin zij deze erfgenaam bijstond voor haar benoeming tot vereffenaar. Dat geldt ook voor de periode van haar benoeming, alsmede de periode na haar ontslag. Ook in die periodes bestond onduidelijkheid of verweerster optrad als advocaat van één van de erfgenomen of als vereffenaar ten behoeve van alle erfgenamen.

5.18 Het vorenstaande in aanmerking nemende en gezien de bevindingen in de rapportage van B., is de Raad van oordeel dat er sprake is van een zodanig optreden van verweerster in haar hoedanigheid van vereffenaar dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd. Verweerster heeft gehandeld en heeft nagelaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.

5.19 De klacht is in al haar onderdelen gegrond.

 

MAATREGEL

6.1 Ten aanzien van de maatregel sluit de Raad aan bij de beslissing gegeven in de ambtshalve klacht jegens verweerster bekend onder nummer R. 3085/08.177. De Raad constateert dat verweerster ook de tussenbeslissing in voornoemde klachtzaak van 16 oktober 2008 niet ten aanzien van financiële aangelegenheden de nodige zorg in acht heeft genomen en voorts eigenmachtig gehandeld heeft met gelden van derden, met de nodige risico’s van dien.

6.2 De Raad ziet - mede gezien de mededeling van de Deken ter zitting, dat hij schrapping van verweerster van het tableau thans niet meer nodig acht, aanleiding te volstaan met een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaar. Voorts acht de Raad een bijzondere voorwaarde van belang, mede in aanmerking nemende hetgeen op dit punt ter zitting van 7 februari 2011 in twee andere klachtzaken met de medevereffenaar van verweerster en een erfgenaam is besproken, namelijk dat verweerster bereid is om haar medewerking te verlenen aan een bindend advies met betrekking tot de juistheid van haar declaraties en of deze en die van door haar ingeschakelde derden met recht ten laste van S. Nederland B.V. zijn gebracht.

6.3 Als bijzondere voorwaarde zal de Raad opnemen dat verweerster met mr F., binnen zes weken na het in kracht van gewijsde gaan van onderhavige beslissing de volgende vraag aan een bindend adviseur voorlegt:

- of en in hoeverre de door verweerster in rekening gebrachte kosten met betrekking tot haar werkzaamheden en die van de door haar ingeschakelde derden redelijk zijn en rechtmatig ten laste van S. Nederland B.V. zijn gebracht.

- tevens zal de bindend adviseur beslissen omtrent de kosten van het bindend advies, terwijl een eventueel door de bindend adviseur te bepalen voorschot zal worden gestort door verweerster.

6.4 Mochten partijen binnen de hierboven gestelde termijn geen overeenstemming bereiken over de persoon van de bindend adviseur zal de meest gerede partij zich tot de kantonrechter te Rotterdam mogen wenden met het verzoek een bindend adviseur te benoemen.

 

BESLISSING

7. De Raad van Discipline in het ressort 's-Gravenhage:

-   verklaart de klacht gegrond;

-   legt aan verweerster de maatregel op van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van één jaar;

-   bepaalt dat de maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster binnen de hierna te vermelden proeftijd zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging en onder  de bijzondere voorwaarde dat verweerster met mr. F., binnen zes weken na het in kracht van gewijsde gaan van onderhavige beslissing de volgende vraag aan een bindend adviseur voorlegt:

-   of en in hoeverre de door verweerster in rekening gebrachte kosten met betrekking tot haar werkzaamheden en die van de door haar ingeschakelde derden redelijk zijn en rechtmatig ten laste van S. Nederland B.V. zijn gebracht;

- bepaalt voorts dat de bindend adviseur ook zal beslissen omtrent de kosten van het bindend advies en dat een eventueel door de bindend adviseur te bepalen voorschot zal worden gestort door verweerster;

- bepaalt ten slotte dat, mochten partijen binnen de hierboven gestelde termijn geen overeenstemming bereiken over de persoon van de bindend adviseur, de meest gerede partij zich tot de kantonrechter te Rotterdam zal mogen wenden met het verzoek een bindend adviseur te benoemen.

- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing in kracht van gewijsde gaat.

 

Aldus gewezen door mr. P.H. Veling, voorzitter, mr. J.P.M. Borsboom, mr. J.C. van den Dries, mr. J. Maat, mr. H.E. Meerman, leden, in aanwezigheid van mr. A.H. van Haga, plv. griffier, en uitgesproken  ter openbare zitting van 2 mei 2011.

 

 

griffier        voorzitter

Van deze beslissing kan met inachtneming van art. 56 Advocatenwet binnen dertig dagen na verzending van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Discipline.

De eerste dag van deze termijn van dertig dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van het afschrift. Uiter¬lijk op de dertigste dag dient Uw appelmemorie in het bezit te zijn van de griffier van het Hof van Discipline. Het gaat mitsdien niet om tijdige verzending van de appelmemorie maar om tijdige ontvangst door de griffie van het Hof van Discipli¬ne.

U dient er rekening mee te houden dat verlenging van deze termijn niet tot de mogelijkheden behoort.

Beroep dient te worden ingesteld door middel van een memorie, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien.

De memorie dient in zevenvoud te worden ingediend en vergezeld te zijn van zes kopieën van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld.

De appelmemorie kan op de volgende wijze worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek. Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren tot 15.00 uur.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076-5484608.

Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

Voor het inwinnen van informatie: het telefoonnummer van het Hof van Discipline is: 076-5484607.