Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

06-07-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2011:YA1765

Zaaknummer

H 216 - 2010

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Het dagvaarden van een verkeerde partij op zich niet tuchtrechtelijk verwijtbaar nu de rechtbank toch inhoudelijk is ingegaan op de stellingen van klaagster en heeft geoordeeld dat, ook indien de juiste partij zou zijn gedagvaard, de vordering van klaagster niet kon worden toegewezen.

Inhoudsindicatie

Indien echter de wederpartij bij conclusie van antwoord het verweer voert dat de eiseres niet ontvankelijk is in haar vordering omdat de verkeerde partij is gedagvaard, ligt het op de weg van de advocaat om naar aanleiding van dat verweer actie te ondernemen en alsnog de juiste partij te dagvaarden en om voeging van beide zaken te vragen. Het nalaten hiervan is tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Inhoudsindicatie

Niet gebleken dat onvoldoende is ondernomen om de rechtbank te overtuigen.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Klacht (gedeeltelijk)gegrond; enkele waarschuwing

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

 

H216-2010 Klacht

 

Raad van Discipline

In het ressort ’s-Hertogenbosch

 

Beslissing

 

 

inzake

 

de klacht van:

 

X,

klaagster,

 

tegen

 

Y,

verweerder,

 

 

−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−

1.         Verloop van de klachtprocedure.

Bij schrijven van 21 oktober 2010 heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement ‚s-Hertogenbosch de stukken in bovenvermelde klachtzaak aan de raad doen toekomen welke stukken vermeld zijn in de bij voormelde brief gevoegde inventarislijst.

 

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2011, waarvoor partijen werden opgeroepen bij brieven van de griffier van 25 februari 2011, waarbij aan hen werd medegedeeld dat de stukken ter inzage zouden liggen ten kantore van de griffier tot 25 april 2011.

 

Bij de mondelinge behandeling zijn klaagster en verweerder verschenen.

 

2.         De feiten

 

2.1       Het volgende is komen vast te staan:

Verweerder heeft namens klaagster een procedure aanhangig gemaakt jegens Advocatenkantoor X B.V. wegens een beroepsfout die door een advocaat van dat kantoor in een zaak van klaagster zou zijn gemaakt. Uit het vonnis van de rechtbank d.d. 18 november 2009 blijkt dat in de periode dat deze advocaat de belangen van klaagster behartigde niet Advocatenkantoor X B.V. de contractspartij van klaagster was, maar de maatschap Advocatenkantoor X. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat de verkeerde partij was gedagvaard. De rechtbank heeft de zaak vervolgens echter toch inhoudelijk beoordeeld en heeft geoordeeld dat de vordering van klaagster – ook indien de juiste partij was gedagvaard – niet voor toewijzing in aanmerking had kunnen komen.

 

 

3.         De klacht

 

3          De klacht houdt het volgende in:      

 

             1.        Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door in een geding voor de rechtbank een verkeerde wederpartij te dagvaarden.

             2.        Verweerder heeft in dat geding ook te weinig gedaan om de rechtbank te overtuigen.

 

 

4.         Het verweer

 

4          Het standpunt van verweerder houdt in:       

            Ad 1.

            Het is juist dat de verkeerde partij is gedagvaard, doch klaagster heeft daarvan geen nadeel ondervonden, omdat de rechtbank toch inhoudelijk is ingegaan op de stellingen van klaagster en heeft geoordeeld dat, ook indien de juiste partij zou zijn gedagvaard, de vordering van klaagster niet toegewezen zou zijn.

             Ad 2.

Verweerder betwist dat hij te weinig heeft gedaan om de rechtbank te overtuigen. Verweerder heeft veel tijd en energie in de zaak gestoken en alle middelen aangewend die hem ter beschikking stonden. Het betreft een ingewikkelde kwestie.

 

 

5.         Beoordeling van de klacht

           

5.1       De klacht heeft betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. De raad overweegt dat de advocaat voor de wijze waarop hij de belangen van zijn cliënt heeft behartigd ten volle verantwoordelijk is. De tuchtrechter dient in dit opzicht te beoordelen of sprake is van enig handelen of nalaten van de advocaat in strijd met de zorg die de advocaat behoort te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen hij of zij behartigt of behoort te behartigen.

 

5.2       Uitgangspunt daarbij is dat een advocaat voor het –in overleg met zijn cliënt- te voeren beleid een ruime mate van vrijheid toekomt en dat in het algemeen een tuchtrechtelijke maatregel eerst geïndiceerd kan zijn indien de advocaat bij de behandeling van de zaak kennelijk onjuist optreedt of adviseert en de belangen van de cliënt daardoor worden geschaad of kunnen worden geschaad.

 

5.3       De tuchtrechter toetst in volle omvang, maar hij zal bij zijn beoordeling rekening houden met de vrijheid die de advocaat dient te hebben met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt, alsmede met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van een zaak kan komen te staan. Dat kan, bij voorbeeld, met zich meebrengen dat niet iedere misslag of verzuim aanstonds leidt tot een tuchtrechtelijk verwijt. De raad zal dit onderdeel van de klacht met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen.

 

            Klachtonderdeel 1

5.4       Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt dat verweerder de verkeerde partij heeft gedagvaard. Bij de behandeling van de zaak heeft verweerder derhalve een fout gemaakt. Mede gelet op het feit dat de rechtbank toch inhoudelijk is ingegaan op de stellingen van klaagster en heeft geoordeeld dat, ook indien de juiste partij zou zijn gedagvaard, de vordering van klaagster niet toegewezen zou zijn, is de raad evenwel van oordeel dat deze fout niet een tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigt.

 

5.5       Uit de aan de raad overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt echter ook dat de wederpartij bij conclusie van antwoord het verweer heeft gevoerd dat klaagster niet ontvankelijk was in haar vordering, omdat de verkeerde partij was gedagvaard. De raad is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om naar aanleiding van dat verweer actie te ondernemen en de fout te herstellen, door bijvoorbeeld zekerheidshalve alsnog de juiste partij te dagvaarden en om voeging te vragen. Door dit na te laten heeft verweerder niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.

 

            Klachtonderdeel 2

5.6       Verweerder heeft de stelling van klaagster dat hij in de procedure te weinig gedaan om de rechtbank te overtuigen betwist. De raad is van oordeel dat klaagster deze stelling met onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Het verweten handelen is dus niet komen vast te staan; op dit onderdeel moet de klacht  worden afgewezen.

 

5.7       De raad komt tot de slotsom dat klachtonderdeel 2 ongegrond en klachtonderdeel 1 gegrond moet worden verklaard. De raad acht een waarschuwing een passende maatregel.

 

 

6.         Beslissing

 

De raad verklaart klachtonderdeel 1 gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond. Ter zake klachtonderdeel 1 legt de raad aan verweerder op een enkele waarschuwing.  

 

 

Aldus gegeven door mr. P.M. Knaapen, voorzitter en mrs. R.F.L.M. van Dooren, E.J.P.J.M. Kneepkens, J.J.M. Goumans, J.F.E. Kikken, leden, in tegenwoordigheid van mr. Th.H.G. van de Langenberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van de raad d.d. 20 juni 2011.

 

 

 

mr. Th.H.G. van de Langenberg,                                             mr.  P.M. Knaapen,

griffier.                                                                                                voorzitter.

 

 

Verzonden op: 21 juni 2011

 

 

 

Van deze beslissing kan binnen 30 dagen na verzending van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Discipline.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van het afschrift. Uiterlijk op de dertigste dag dient Uw appelmemorie in het bezit te zijn van de griffier van het Hof van Discipline. Het gaat mitsdien niet om tijdige verzending van de appelmemorie, maar om tijdige ontvangst door de griffier van het Hof van Discipline. U dient er rekening mee te houden dat verlenging van deze termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Beroep dient te worden ingesteld door middel van een memorie, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien.

De memorie dient in zevenvoud te worden ingediend en vergezeld te zijn van zes kopieën van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld.

 

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.   Per Post.

     Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b.   Bezorging.

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC te Prinsenbeek. Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

c.   Per fax.

Het faxnummer van het Hof van Discipline is : 076 – 5484608.

Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

 

Voor het inwinnen van informatie : het telefoonnummer van het Hof van Discipline is : 076 - 5484607.