Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-10-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2011:YA2042

Zaaknummer

11-060U

Inhoudsindicatie

 Klager verwijt verweerster zonder daartoe opdracht te hebben ontvangen een verweerschrift te hebben ingediend namens zijn jong meerderjarige zoon tegen het door hem (klager) tegen zijn ex-echtgenote ingediende verzoekschrift tot wijziging van de partner- en kinderalimentatie. De klacht is gegrond. Door de handelwijze van verweerster zijn klager en zijn zoon ongewild en onaangekondigd in de procedure tegenover elkaar komen te staan. Geen maatregel.

Uitspraak

 

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 11 oktober 2011

in de zaak 11-060U

 

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van de op 1 maart 2011 binnengekomen klacht van:

de heer

klager

tegen:

mevrouw mr.

v e r w e e r s t e r 

1.   Verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 28 februari 2011, door de raad ontvangen op 1 maart 2011, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Utrecht de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 10 augustus 2011 in aanwezigheid van partijen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 

1.3. De raad heeft kennisgenomen van de in paragraaf 1.1 bedoelde brief aan de raad en van de stukken genummerd 1 t/m 14 met bijlagen, zoals vermeld in de bij de brief van 28 februari 2011 genoemde inventarislijst. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brief met vier bijlagen van verweerster van 2 augustus 2011.

2.   De klacht

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster in strijd met artikel 46 Advocatenwet heeft gehandeld doordat zij:

a. zonder daartoe opdracht te hebben gekregen een verweerschrift heeft ingediend namens klager’s jong meerderjarige zoon [M] in het geschil tussen klager en zijn ex-echtgenote over de hoogte van de partner- en kinderalimentatie; en

b. tijdens een zitting ten overstaan van de rechter zou hebben gezegd dat klager zich bij de meditation met zijn ex-echtgenote zou hebben misdragen.

3.    Feiten

3.1 Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan.

3.2 Klager is gehuwd geweest met [X]. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, waaronder [M] die jongmeerderjarig is, dat wil zeggen: ouder dan 18 maar nog geen 21 jaar oud. Mr. [Y] heeft bij verzoekschrift van 25 augustus 2009 namens klager een verzoek gericht tegen zijn ex-echtgenote tot wijziging van de hoogte van de partner- en kinderalimentatie ingediend.

3.3 Verweerster staat de ex-echtgenote van klager bij in de procedure over verlaging van de kinder- en partneralimentatie.

3.4 Bij brief van 22 september 2009 heeft verweerster de rechtbank bericht zich (mede) namens [M] te stellen en uitstel verzocht voor het indienen van een verweerschrift tegen het door mr. [Y] namens klager ingediende verzoekschrift.

3.5 Verweerster heeft namens [M] op 19 oktober 2009 een verweerschrift tegen het verzoek van klager bij de rechtbank ingediend.

3.6 [M] heeft in een niet ondertekende verklaring van 25 oktober 2009 geschreven:

“Hierbij verklaar ik - [M] - wonende te [X] aan de [Z straat], dat ik op basis van een misverstand dat heeft plaatsgevonden vooraf aan de indiening van het ‘verweer tegen verzoek tot wijzigen alimentatie tevens houdende zelfstandig verzoek’ (rekestnummer:[00000]), dit verweer en de gehele inhoud daarvan niet als het mijne beschouw en om die reden wens ongedaan te maken, zijnde voornoemd ‘verweer’ en het ‘zelfstandig verzoek’.

Ik verzoek mijn vader en door deze mr. [Y] van advocatenkantoor [W] te Utrecht - domicilie hebbende aan de [de V-laan]- het verweer bij de Rechtbank te Utrecht in te trekken, dan wel ongedaan te maken.”

3.7 Bij brief van 16 december 2009 heeft [M] verweerster verzocht het namens hem ingediende verweerschrift in te trekken, zoals hij ook had verzocht in zijn verklaring van 25 oktober 2009. [M] heeft verweerster verzocht een en ander voor 19 december 2009 in overleg met mr. [X] in orde te maken. Ter zitting heeft verweerster gezegd deze brief niet eerder dan in de klachtprocedure bij de deken te hebben gezien.

3.8 Bij brief van 4 januari 2010 heeft verweerster de rechtbank bericht het namens [M] ingediende verweerschrift in te trekken.

4.   Ontvankelijkheid

4.1. De raad oordeelt dat een eisende of verzoekende partij die geconfronteerd wordt met een door een advocaat namens zijn handelingsbekwame wederpartij (of een van zijn wederpartijen) ingediend verweer, zonder dat de advocaat hiertoe opdracht had gekregen van zijn wederpartij, ontvankelijk is in zijn klacht tegen die advocaat. De belangen van de eisende of verzoekende partij zijn immers rechtstreeks geraakt door het zonder opdracht daartoe ingediende verweer.

  

5.    Beoordeling van de klacht

5.1    De klachtonderdelen zullen hierna afzonderlijk worden besproken.

Klachtonderdeel a

5.2 Ofschoon juist is dat [M] door het indienen van een verzoek tot wijziging van de alimentatie zelf [M] als partij in de procedure heeft betrokken, heeft verweerster in deze situatie, waarin het ging om een verzoek van de vader dat was gericht tot zijn ex-echtgenote, jegens klager verwijtbaar gehandeld door zonder daartoe een uitdrukkelijke opdracht van zijn zoon [M] te hebben ontvangen en evenmin een machtiging van [M] via haar cliente, zijn moeder en klager’s ex-echtgenote, te hebben ontvangen, een verweerschrift namens [M] tegen het verzoek van klager in te dienen. Door deze handelwijze van verweerster zijn klager en zijn zoon onaangekondigd en ongewild in een procedure tegenover elkaar komen te staan. Gelet op de aard van de relatie tussen klager en [M] en de te verwachten spanningen dat een verweer namens [M] in de relatie met zijn vader zou opleveren, had het op de weg gelegen van verweerster eerst expliciet de opdracht van [M] tot het indienen van een verweerschrift af te wachten alvorens zij de rechtbank berichtte zich namens [M] te stellen en verweer te zullen voeren en op 19 oktober 2009 ook daadwerkelijk het verweerschrift in te dienen.

4.1 Dit klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel b

4.2 De juistheid van de stellingen waarop het tweede klachtonderdeel berusten, heeft de raad niet kunnen vaststellen.

4.3 Dit klachtonderdeel is dan ook niet gegrond.

5. Maatregel

5.1. Nu verweerster ter zitting te kennen heeft gegeven de onjuistheid van haar handelen in te zien en in het geval zij nog een keer in een vergelijkbare situatie terechtkomt de machtiging van de jong meerderjarige eerst te zullen af wachten, zal de raad aan de gegrondbevinding van het eerste klachtonderdeel geen maatregel verbinden.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het eerste onderdeel van de klacht gegrond;

- verklaart het tweede onderdeel van de klacht ongegrond;

- legt aan verweerster geen maatregel op.

Aldus gewezen door mr. Th.S.  Röell, voorzitter, mr. H.C.M.J. Karskens, mr. J.J. Trap, mr. M.J. Westhoff en mr. S. Wieberdink, leden, bijgestaan door mr. L.C. Dufour als griffier

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 oktober 2011.

voorzitter                                                                                                 griffier                                                                                                                                                              

Deze beslissing is in afschrift 11 oktober 2011 per aangetekende brief verzonden aan:

-                 klager

-                 verweerster

-                 de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

-                 de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Van deze beslissing kan voor wat betreft het gegrond verklaarde klachtonderdeel hoger beroep worden ingesteld bij het hof van discipline door:

-                 verweerster

-                 de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Voor wat betreft het ongegrond verklaarde klachtonderdelen kan beroep bij het hof van discipline worden ingesteld door:

 

-                 klager

-                 verweerster

-                 de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

-                 de deken van de Nederlandse orde van advocaten.

Het beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep

zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van

de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076 – 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

d. Telefonische informatie

076 - 548 4607