Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-12-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRARN:2011:YA2307

Zaaknummer

11-45

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaren dat verweerder zonder eerst de raad van toezicht daarin te kennen heeft getracht de arbeidsovereenkomst met zijn toenmalige stagiaire te wijzigen, en heeft toegelaten dat op kantoor een tot cartoon bewerkte foto van de inmiddels ex-stagiaire werd opgehangen en een diffamerend sprookje over haar aan het andere personeel ten gehore werd gebracht. Gegrond. Geen maatregel in verband met samenloop met beslissing inzake klacht van de ex-stagiaire zelf waarop verweerder is berispt.

Uitspraak

11-45

BESLISSING VAN DE RAAD VAN DISCIPLINE IN HET RECHTSGEBIED VAN HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Bij brief d.d. 7 april 2011 heeft mr. A, deken van de orde van advocaten in het arron-dissement B, ter kennis van de raad gebracht zijn ambtshalve bezwaren tegen:

   verweerder.

1. De klacht is behandeld ter openbare zitting van de raad van 21 november 2011, waar zowel klager als verweerder, deze laatste bijgestaan door mr. C, advocaat te D, is verschenen. De raad heeft bij de behandeling van de klacht zitting gehouden in de volgende samenstelling: mr. R.A. Steenbergen, voorzitter, en mrs. G.R.M. van den Assum, A.T. Bolt, C.J. Lunenberg-Demenint en H.J.P. Robers, leden van de raad, en is bijgestaan door mr. M.Y.A. Verhoeven als griffier.

2. De dekenbezwaren vinden hun grondslag in de klachten welke eerder zijn inge-diend door twee voormalige stagiaires van verweerder, een man en een vrouw.

Toen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de dekenbezwaren naar voren kwam dat de klacht van de mannelijke stagiaire naar verwachting zou wor-den afgewezen bij gebrek aan feitelijke grondslag, heeft de deken zijn bezwaar met betrekking tot de desbetreffende gedraging – het ophangen van een spotprent over deze stagiaire – ingetrokken. De bezwaren die overblijven betreffen verweerders handelen c.q. nalaten jegens mr. [X], hierna te noemen ‘klaagster’.

3. Klaagster is op 1 juni 2009 als advocaat-stagiaire in dienst getreden van de ven-nootschap onder de vlag waarvan verweerder de advocatuur bedrijft. Klaagster en verweerder waren daar toen de enige twee werkzame advocaten. Als chef de bu-reau was binnen het kantoor de levenspartner van verweerder werkzaam.

Het dienstverband van klaagster is na ernstige problemen met wederzijds goedvin-den per 1 maart 2010 geëindigd. Klaagster is omstreeks die laatste datum in dienst getreden bij een advocatenkantoor in E.

4. Klaagster heeft de vennootschap op 19 april 2010 in kort geding gedagvaard. Na-dat op 20 mei 2010 een mondelinge behandeling had plaatsgevonden heeft de kan-tonrechter te [….] op 9 juni 2010 de vennootschap onder meer veroordeeld tot be-taling van achterstallig salaris, vakantiegeld, 50% wettelijke verhoging over de looncomponenten, reiskosten, onkostenvergoedingen, buitengerechtelijke incas-sokosten, alsmede een gebod opgelegd om zich te onthouden van gedragingen die klaagster in diskrediet kunnen brengen en/of schade kunnen berokkenen, op straffe van een dwangsom.

5. De bezwaren luiden, samengevat, als volgt.

I. Verweerder heeft toegestaan althans toegelaten dat zijn partner/chef de bureau en/of anderen binnen kantoor op een kantoorcomputer een foto van klaagster van internet heeft gehaald, heeft bewerkt en op kantoor heeft opgehangen en als ach-tergrond op een van de kantoorcomputers heeft laten plaatsen, alsmede dat op zijn kantoor een voor klaagster diffamerend ‘sprookje’ over haar werd opgenomen en aan derden ten gehore werd gebracht. Als advocaat / patroon had het op de weg van verweerder gelegen om binnen de organisatie van zijn kantoor die maatregelen te treffen die nodig en gewenst waren om dit soort gedrag en acties te voorkomen. Voor zover verweerder zelf aan dergelijk gedrag en acties heeft bijgedragen is eveneens sprake van klachtwaardig handelen.

II. Verweerder heeft getracht de arbeidsovereenkomst van 27 april 2009 te wijzi-gen in die zin dat opleidingskosten die oorspronkelijk onvoorwaardelijk voor reke-ning van de vennootschap zouden komen, voortaan in geval van klaagsters vertrek van kantoor geheel of ten dele voor rekening van klaagster zouden (kunnen) gaan komen. Verweerder heeft de voorgestelde wijziging niet aan de raad van toezicht voorgelegd alvorens deze aan klaagster voor te leggen.

6. De raad beoordeelt de bezwaren als volgt.

Voorop staat dat het hier niet gaat om handelen van verweerder in de hoedanigheid van advocaat maar om handelen in de hoedanigheid van (vertegenwoordiger van de) werkgever. Ook op dat handelen is het advocatentuchtrecht van toepassing.

Klachtonderdeel I

Klaagster werd per mail van 4 mei 2010 over de cartoon geïnformeerd door een van de secretaresses. De foto waar het om gaat toont een opgeblazen gezicht met zeer bolle wangen en borsten, een bril met dikke glazen, met daarbij de teksten ‘Het schiet in mijn Lichaam’ en ‘Ik vind het niet leuk’.

Verweerder heeft erkend dat hij er van op de hoogte was dat zijn partner een foto van klaagster op de computer had bewerkt en op het secretariaat had opgehangen. Volgens verweerder was klaagster daarop niet herkenbaar. De cartoon heeft er en-kele maanden gehangen en was zichtbaar voor kantoormedewerkers en ook, wan-neer de deur van het secretariaat open stond, voor de bezoekers vanaf de gang.

Verweerder heeft erkend dat de foto ook op een van de computers op het bureau-blad stond, maar die was volgens hem snel weer weg. Verweerder heeft ook er-kend dat hij even aanwezig was bij het voor enkele medewerkers ten gehore bren-gen van het door zijn partner opgenomen ‘sprookje’ over klaagster, waarna hij zich heeft teruggetrokken. Van dat zogenaamde sprookje bevindt zich een transcriptie in het klachtdossier.

Verweerder heeft tot zijn verweer naar voren gebracht dat een en ander beschouwd moet worden in het licht van de vele frustraties waar zijn kantoor toentertijd mee te maken had; met zo’n cartoon en bandopname van een fictief verhaaltje over klaagster konden zijn medewerkers lucht geven aan die frustraties.

Voor de raad is niet duidelijk geworden of en in hoeverre verweerder zelf actief heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de fotobewerking en het sprookje. Los daarvan is de raad van oordeel dat het verweerder volstrekt niet betaamde om toe te staan dat dergelijke beledigende uitingen als deze cartoonachtig bewerkte foto en het grove, smakeloze en vernederende ‘sprookje’ op kantoor werden getoond respectievelijk ten gehore gebracht. Verweerder had meteen behoren in te grijpen toen hij merkte dat zijn medewerkers zich op deze wijze ‘afreageerden’, zijn partner / chef de bureau incluis. In plaats daarvan liep hij weg toen het ‘sprookje’ werd afgeluisterd, liet hij de foto lange tijd op het secretariaat hangen, en stond zo toe dat de smadelijke uitingen rond de persoon van klaagster bleven voortbestaan. Verweerder zegt dat in de foto klaagster niet herkenbaar was, maar daarmee bagatelliseert hij wat er gebeurd is, reeds omdat – naar de raad aannemelijk oordeelt – voor elke medewerker op kantoor duidelijk was dat met de foto op klaagster werd gedoeld. Hij geeft nog steeds geen blijk van besef van zijn verantwoordelijkheid in deze. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

Klachtonderdeel II.

In de arbeidsovereenkomst van klaagster met de vennootschap van verweerder was in artikel 7 het volgende geregeld:

‘[….].

De cursuskosten van de Beroepsopleiding Advocatuur zullen naar rato van de nog te doorlopen stageperiode, voor zover niet eerder aan de stagiaire vergoed door [haar] vorige werkgever, naar evenredigheid 28:37, voor 50% door de werkgever worden vergoed en 50% komen voor rekening van de stagiaire. Het kostengedeelte van werknemer zal door de werkgever worden terugbetaald voor 25% aan het eind van het derde jaar van het dienstverband en 25% aan het eind van het vierde jaar dienstverband, onder de voorwaarde dat het dienstverband van werknemer op dat moment nog voortduurt. De kosten van de overige opleidingsmaatregelen, waar-onder VSO-cursussen, komen ten laste van de werkgever (cursivering raad). De kosten van herexamens en het inhalen van cursusonderdelen beroepsopleiding blijven geheel voor rekening van de werknemer met uitzondering van de cursus Mediation d.d. 15 juni 2009 welke inhaalcursus, voor zover nodig, door werkgever zal wor-den vergoed.’

In november 2009 heeft verweerder als directeur van de vennootschap een studie-overeenkomst ter ondertekening aan klaagster voorgelegd welke betrekking had op de kosten voor een drietal door haar in de periode oktober 2009/januari 2010 ge-volgde c.q. te volgen modules Vreemdelingenrecht. In die studieovereenkomst werd onder meer bepaald dat klaagster de cursuskosten volledig diende terug te betalen als de studie niet met succes werd afgerond, klaagster voortijdig met haar studie zou stoppen, tijdens de studie uit dienst zou treden of het diploma niet bin-nen redelijke tijd zou behalen, alsook dat klaagster, wanneer zij binnen drie jaar na het behalen van het diploma ontslag zou nemen, de vergoede studiekosten naar ra-to van de verstreken tijd diende terug te betalen. Klaagster heeft deze studieover-eenkomst niet willen ondertekenen.

Het toepasselijke Stagereglement hield in dat de arbeidsrechtelijke verhouding tus-sen (het kantoor van de) patroon en stagiaire tenminste in overeenstemming diende te zijn met de Richtlijn Arbeidsvoorwaarden Stagiaires. Bij het verlenen van goed-keuring voor het patronaat ex artikel 4 van de Stageverordening heeft de raad van toezicht dan ook naar moet worden aangenomen aan dat Reglement en die Richt-lijn getoetst. In artikel 11 van de Richtlijn is in de laatste zin bepaald dat de kosten van de overige (andere dan de Beroepsopleiding) opleidingsmaatregelen, waaron-der VSO-cursussen, ten laste komen van de werkgever. Dienovereenkomstig zijn klaagster en verweerder ook overeengekomen. (zie de hiervoor cursief weergege-ven zinsnede).

De raad is van oordeel dat, wanneer verweerder wilde terugkomen op iets dat hij eerder - zoals voorgeschreven ná goedkeuring van de raad van toezicht – met klaagster was overeengekomen, de in een dergelijke verhouding vereiste zorgvul-digheid met zich brengt hij zulks eerst aan de raad van toezicht had moeten voor-leggen. Door dat achterwege te laten en zich rechtstreeks met klaagster te verstaan heeft verweerder in strijd gehandeld met hetgeen van hem als behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Verweerder heeft wel tot zijn verweer naar voren gebracht dat hij na het overleg met klaagster om goedkeuring van de raad van toe-zicht zou hebben verzocht als klaagster met de wijziging had ingestemd, maar dat is verre van voldoende in deze situatie, waarin verweerder (in substantiële mate) wilde afwijken van hetgeen juist met zoveel waarborgen omringd – de stageveror-dening en de richtlijn – tot stand was gekomen. Dit onderdeel van de klacht wordt dan ook gegrond geoordeeld.

7. Uit voorgaande overwegingen komt naar voren dat verweerder onvoldoende besef heeft van zijn verantwoordelijkheden als patroon jegens zijn stagiaire, alsmede on-voldoende bereidheid toont om kritisch na te denken over de eigen rol in het ont-staan van het conflict. Omdat de klacht van klaagster tegen verweerder bij beslis-sing van heden eveneens gegrond is verklaard en hem daarbij de maatregel van be-risping is opgelegd volstaat de raad in deze met gegrondverklaring van de bezwa-ren.

De beslissing van de raad luidt als volgt:

De bezwaren van de deken tegen verweerder zijn gegrond.

Aldus beslist door de raad in de hiervoor vermelde samenstelling en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2011.

griffier     voorzitter