Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-02-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2011:YA1512

Zaaknummer

R. 3445/10.75

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Verweerster heeft in een arbitraal kort geding bij haar pleitnota confraternele correspondentie als producties overgelegd, alsmede producties die klaagster onbekend waren. De producties waren niet op voorhand aan de advocaat van klaagster toegestuurd. Deze had geen toestemming voor het overleggen van confraternele correspondentie verleend.

Inhoudsindicatie

Klacht wegens handelen in strijd met gedragsregels 12 en 14. Klacht gegrond, ook al staat het arbitragereglement overlegging van stukken ter zitting toe. Enkele waarschuwing.

Uitspraak

 

PROCEDUREVERLOOP

1.1 Bij brief van 17 december 2009 heeft klaagster een klacht ingediend tegen verweerster. Het door de Advocatenwet voorgeschreven onderzoek is verricht door de Deken van de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden.

De deken heeft het dossier aan de Raad toegezonden op 29 april 2010.

1.2 De Raad heeft kennisgenomen van de stukken die op grond van het bepaalde in art. 49 lid 2 van de Advocatenwet ter inzage hebben gelegen.

1.3 De zaak is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 10 januari 2011, alwaar C. Hogenwoning en B. Ploeg namens klaagster zijn verschenen. Verweerster is verschenen, vergezeld van haar kantoorgenoot mr. L.

 

FEITEN

2.1 Klaagster is verwikkeld in een geschil met de familie Z., waarin verweerster optreedt als advocaat van de familie Z.

2.2 Bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw is een kort geding procedure tegen de familie Z. aangespannen.

2.3 In de procedure zijn de gemachtigde van klaagster en verweerster bij brief van 1 december 2009 door de Raad van Arbitrage voor de Bouw opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 17 december 2009.

2.4 Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerster pleitaantekeningen voorgedragen en daarbij 17 producties overgelegd.

2.5 Als producties 10, 11 en 12 heeft verweerster brieven overgelegd die tussen de gemachtigden van partijen waren gewisseld, te weten een brief van 28 oktober 2009 van de gemachtigde van klaagster aan verweerster, een brief van 29 oktober 2009 van verweerster aan de gemachtigde van klaagster en een brief van 10 november 2009 van verweerster aan de gemachtigde van klaagster.

2.6 Verweerster heeft de door haar bij haar pleitnotities over te leggen producties niet op voorhand aan (de gemachtigde van) verweerster gezonden.

 

 

KLACHT

3.1 De klacht behelst de volgende verwijten:

a. verweerster heeft als producties 10 t/m 12 confraternele correspondentie overgelegd zonder overleg met de advocaat van klaagster en zonder dat daarover het advies van de Deken was ingewonnen; daarmee heeft ver-weerster gehandeld in strijd met gedragsregel 12;

b. verweerster heeft eerst ter zitting 17 producties overgelegd en deze niet op voorhand aan de raadsman van klaagster toegezonden, waardoor zij welbewust klaagster de mogelijkheid heeft ontnomen om daarop adequaat te reageren. Verweerster heeft daarmee gedragsregel 14 overtreden.

 

VERWEER

4. Verweerster heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de Raad hierna waar nodig zal ingaan.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klachtonderdeel a.

5.1 Op grond van gedragsregel 12 geldt dat op brieven en andere mededelingen van de ene advocaat aan de andere in rechte geen beroep mag worden gedaan, tenzij het belang van cliënt dit bepaaldelijk vordert, maar dan niet zonder voorafgaand overleg met de advocaat van de wederpartij.

Op grond van gedragsregel 13 geldt bovendien dat op de inhoud van tussen partijen gevoerde schikkingsonderhandelingen zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij niets mag worden meegedeeld aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen.

5.2 Vaststaat dat verweerster tijdens de mondelinge behandeling van het arbitrale kort geding als producties 10 t/m 12 brieven heeft overgelegd die waren verstuurd tussen haar en de advocaat van klaagster.

Verweerster heeft deze stukken in het geding gebracht, zonder dat zij daarover voorafgaand overleg had gepleegd met de advocaat van klaagster.

Ter zitting heeft verweerster gewezen op het karakter van de brief van 28 oktober 2009 van de advocaat van klaagster (productie 10), die volgens verweerster het karakter heeft van een aanzegging met rechtsgevolg, waarbij in het slot van de brief is vermeld dat een afschrift daarvan rechtstreeks aan klaagster werd gezonden.

Deze omstandigheid, indien al juist, doet naar het oordeel van de Raad niet af aan het feit dat het om een brief van de ene advocaat aan de andere gaat, die daarom als confraterneel geldt. De producties 10 t/m 12 zijn derhalve aan te merken als confraternele correspondentie.

5.3 Door het overleggen van de brieven in het arbitrale kort geding heeft verweerster niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

Verweerster heeft aangevoerd dat de brieven geen onderhandelingen betreffen en dat daarin louter de respectieve juridische standpunten van partijen worden uiteengezet. Ook indien dit juist zou zijn doet dit aan het voorgaande niet af. De Raad merkt echter op dat de brieven elementen van onderhandeling bevatten.

Met haar verweren miskent verweerster dat de kern van de betrokken gedrags-regels is dat de correspondentie van advocaat tot advocaat in beginsel vertrouwelijk behoort te zijn en te blijven. Het is van belang voor de procederende partijen dat over de zaak tussen advocaten overleg kan worden gepleegd zonder dat de rechter aan wie het geschil is voorgelegd daarmee bekend raakt. Daarbij moet het voor advocaten mogelijk zijn een schikking te beproeven zonder dat zij bevreesd hoeven te zijn dat hetgeen daarbij is gedaan, gezegd of geschreven en hun later in de procedure wordt tegengeworpen.

5.4 Het voorgaande brengt mee dat klachtonderdeel a gegrond is.

 

Klachtonderdeel b.

5.5 Op grond van gedragsregel 14 geldt dat de advocaat bij het bepalen van het tijdstip van overleggen van stukken aan de rechter er rekening mee dient te houden dat de wederpartij een reactie daarop zorgvuldig moet kunnen voorbereiden.

5.6 Vaststaat dat verweerster bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het arbitrale kort geding als bijlage bij haar pleitnota stukken aan de rechter heeft overgelegd, die klaagster of haar advocaat niet bekend waren.

Ter zitting heeft verweerster desgevraagd verklaard dat zij de stukken circa vijf dagen vóór de zitting in bezit had.

Door de stukken waarop verweerster zich tijdens de mondelinge behandeling heeft beroepen eerst tijdens die mondelinge behandeling aan klaagster te verstrekken, heeft verweerster gehandeld in strijd met de vermelde regel.

Verweerster heeft het klaagster onmogelijk gemaakt een reactie op die stukken voor te bereiden.

5.7 Verweerster heeft aangevoerd dat het reglement van de Raad van Arbitrage het toelaat dat stukken eerst ter zitting worden overgelegd. Dit doet echter aan de werking van de voormelde regel niet af. Verweerster is immers gebonden aan de norm van artikel 46 Advocatenwet.

Verweerster heeft voorts aangevoerd dat de stukken niet van doorslaggevend belang zijn geweest voor de beslissing van de rechter. Ook deze omstandigheid doet, indien deze als juist moet worden aangenomen, aan de werking van de regel niet af.

5.8 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerster niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

Klachtonderdeel b is gegrond.

 

MAATREGEL

6.1 De Raad acht, gelet op de aard en de ernst van de begane overtreding en de omstandigheid dat verweerster niet eerder door de tuchtrechter bestraft is, de hierna vermelde maatregel passend en geboden.

 

BESLISSING

7.1 De Raad van Discipline in het ressort 's-Gravenhage:

- verklaart de klachtonderdelen a en b gegrond;

- legt als maatregel op een enkele waarschuwing.

 

Aldus gewezen door mr. P.H. Veling, voorzitter, mr. J.P.M. Borsboom, mr. J.P. Heinrich, mr. P.S. Kamminga, mr. J.H.M. Nijhuis, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 februari 2011.

griffier          voorzitter

 

 

 

Van deze beslissing kan met inachtneming van art. 56 Advocatenwet binnen dertig dagen na verzending van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Discipline.

De eerste dag van deze termijn van dertig dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van het afschrift. Uiter¬lijk op de dertigste dag dient Uw appèlmemorie in het bezit te zijn van de griffier van het Hof van Discipline. Het gaat mitsdien niet om tijdige verzending van de appèlmemorie maar om tijdige ontvangst door de griffie van het Hof van Discipli¬ne.

U dient er rekening mee te houden dat verlenging van deze termijn niet tot de mogelijkheden behoort.

Beroep dient te worden ingesteld door middel van een memorie, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien.

De memorie dient in zevenvoud te worden ingediend en vergezeld te zijn van zes kopieën van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld.

De appèlmemorie kan op de volgende wijze worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek. Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tot 15.00 uur.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076-5484608.

Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toege-zonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

Voor het inwinnen van informatie: het telefoonnummer van het Hof van Discipline is: 076-5484607.