Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-08-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2011:YA1994

Zaaknummer

R. 3751/11.153

Inhoudsindicatie

Noch uit de stukken, noch anderszins is gebleken dat de advocaat kennelijk onjuist is opgetreden en heeft geadviseerd, als gevolg waarvan de belangen van klager zijn geschaad of hadden kunnen worden geschaad. Evenmin is gebleken dat de advocaat klager niet naar behoren heeft bijgestaan dan wel niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem als zorgvuldig handelend advocaat mocht worden verwacht. De advocaat heeft in de bevestiging van de opdracht duidelijk aan klager aangegeven dat bij een negatief cassatieadvies geen cassatie zal worden ingesteld door de advocaat. De advocaat heeft klager vervolgens op de mogelijkheid gewezen ter zake een second opinion te vragen. Op basis van de stellingen over en weer is niet gebleken dat de advocaat tekort is geschoten. Daarbij komt dat een cassatieprocedure niet op feitelijke gronden, maar uitsluitend in specifieke gevallen ter beoordeling van een cassatieadvocaat kan worden ingesteld.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Het stond de advocaat vrij bij de behandeling van deze zaak van de expertise van zijn kantoorgenoot gebruik te maken.

Uitspraak

 

Verloop van de procedure

1 Bij faxbrief van 16 maart 2011 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerder. Na het door de wet voorgeschreven onderzoek, verricht door de Deken van de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden, is het dossier op 5 augustus 2011 bij de Raad van Discipline binnengekomen.

 

Inhoud van de klacht

2 Klager verwijt verweerder dat:

a. hij in weerwil van een door klager aan verweerder verstrekte opdracht om cassatie in te stellen tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2010 zonder overleg met klager de zaak heeft overgedragen aan zijn kantoorgenoot mr. B., die geweigerd heeft voor klager cassatie in te stellen;

b. hij op onjuiste gronden heeft geweigerd cassatie voor klager in te stellen;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan een tegenstrijdig belang, omdat hij voor dezelfde verzekeringsmaatschappij is opgetreden als klagers wederpartij in de procedure waarin klager cassatie had willen instellen;

d. de kantoorgenote van verweerder in strijd met haar geheimhoudingsplicht bij brief van 4 april 2011 aan mr. K. (red.) heeft bericht dat zij al een negatief cassatieadvies aan klager heeft uitgebracht.

 

De feiten

3 Uit de stukken blijkt het volgende:

- Bij brief van 3 februari 2011 heeft verweerder klager, voor zover in deze relevant, als volgt bericht:

“U heeft aan mij verzocht om een cassatieadvies uit te brengen in opgemelde zaak. Ik heb hiertoe  het procesdossier in tweede aanleg van u ontvangen. Voor het uitbrengen van een cassatieadvies heb ik echter ook het volledig procesdossier in eerste aanleg nodig. Kunt u voor toezending hiervan zorgdragen?

Voor de goede orde leg ik op voorhand nog even uit wat cassatie is…

(..)

Met een zekere regelmaat heb ik discussies met cliënten die na een negatief cassatieadvies desalniettemin cassatieberoep willen instellen. …

Op voorhand bericht ik u dat ik indien ik een zaak kansloos vind, geen beroep zal instellen. Mocht dit voor u een probleem zijn, dan verneem ik dat gaarne per omgaande. Uiteraard kan ik dan verwijzen naar andere cassatieadvocaten.”

- Bij brief van 17 februari 2011 heeft de kantoorgenote van verweerder een gemotiveerd negatief cassatie advies aan klager uitgebracht.

- Klager heeft bij brief van 21 februari 2011 op dit advies gereageerd.

- Verweerder heeft bij brief van 23 februari 2011 het standpunt van zijn kantoorgenote bevestigd en klager geadviseerd een second opinion te vragen.

- Verweerder heeft klager bij brief van 3 maart 2011 laten weten tot sluiting van het dossier over te gaan.

- Klager heeft hiertegen bij brief van 7 maart 2011 bezwaar gemaakt.

- Verweerder heeft klager bij brief van 7 maart 2011 laten weten onverkort bij zijn adviezen te blijven en aangegeven geen cassatieberoep in te zullen stellen. Verweerder heeft klager nogmaals gewezen op de mogelijkheid een second opinion te vragen.

- Klager heeft verweerder bij brief van 9 maart 2011 laten weten dat zijns inziens de cassatie wel kans van slagen heeft.

- Klager heeft verweerder bij brief van 10 maart 2011 aansprakelijk gehouden voor door klager te lijden schade indien verweerder geen cassatie instelt.

- Bij brief van 11 maart 2011 heeft de kantoorgenote van verweerder klager bericht niet langer in te zullen gaan op de brieven van klager en de gestelde aansprakelijkheid niet te aanvaarden nu een afspraak tot het instellen van cassatieberoep niet is gemaakt.

 

Beoordeling van de klacht

Algemeen

4.1 Vooropgesteld wordt dat een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding heeft en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid dient te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. Daarbij komt de advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. In het algemeen kan een tuchtrechtelijke maatregel eerst geïndiceerd zijn indien en voor zover de advocaat bij de behandeling van de zaak kennelijk onjuist optreedt en adviseert en de belangen van de cliënt daardoor worden geschaad of kunnen worden geschaad. Het uitgangspunt is dat de advocaat de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van de zaak. Indien tussen de advocaat en de cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de zaak moet worden behandeld en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken.

4.2 In het kader van een tuchtprocedure vindt geen inhoudelijke beoordeling plaats van de door de advocaat verrichte werkzaamheden, tenzij uit het dossier aanstonds blijkt dat de advocaat tekort is geschoten.

4.3 Het staat een advocaat vrij bij de behandeling van een zaak van de expertise van een kantoorgenoot gebruik te maken, ook indien de cliënt daarvan niet tevoren op de hoogte is gebracht.

Ten aanzien van de klachtonderdelen a en b

4.4 In het onderhavige geval is noch uit de stukken, noch anderszins gebleken dat verweerder kennelijk onjuist is opgetreden en heeft geadviseerd, als gevolg waarvan de belangen van klager zijn geschaad of hadden kunnen worden geschaad. Evenmin is gebleken dat verweerder klager niet naar behoren heeft bijgestaan dan wel niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem als zorgvuldig handelend advocaat mocht worden verwacht. Verweerder heeft in de bevestiging van de opdracht duidelijk aan klager aangegeven dat bij een negatief cassatieadvies geen cassatie zal worden ingesteld door verweerder. Verweerder heeft klager vervolgens op de mogelijkheid gewezen ter zake een second opinion te vragen. Op basis van de stellingen over en weer is niet gebleken dat verweerder tekort is geschoten. Daarbij komt dat een cassatieprocedure niet op feitelijke gronden, maar uitsluitend in specifieke gevallen ter beoordeling van een cassatieadvocaat kan worden ingesteld.

4.5 Uit het verstrekte cassatieadvies volgt dat de kantoorgenote van verweerder het cassatieadvies heeft uitgebracht. Het stond verweerder vrij bij de behandeling van deze zaak van de expertise van zijn kantoorgenoot gebruik te maken.

4.6 Indien klager van mening is dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende inspanningsverplichting en klager dientengevolge schade heeft geleden, dient hij zich ter zake tot de civiele rechter te wenden. 

Ten aanzien van klachtonderdeel c

4.7 Partijen nemen, gelet op de stukken, aan elkaar tegenstrijdige standpunten in, zonder dat kan worden vastgesteld dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan het behartigen van tegenstrijdige belangen door klager te adviseren in een procedure waarin een (oud) cliënt van het kantoor klagers wederpartij is of dat er sprake is van een belangenconflict, nu schriftelijke stukken waaruit de juistheid van klagers standpunt blijkt ontbreken. Klager heeft dit klachtonderdeel ook onvoldoende toegelicht.

Ten aanzien van klachtonderdeel d

4.8 Dit klachtonderdeel is gericht tegen de kantoorgenote van verweerder, zodat klager kennelijk niet-ontvankelijk is ten aanzien van dit klachtonderdeel, nu de klacht gericht is tegen verweerder.

4.9 Gelet op het voorgaande dienen de klachtonderdelen a tot en met c als kennelijk ongegrond en klachtonderdeel d als kennelijk niet-ontvankelijk te worden afgewezen.

 

Beslissende

Wijst de klachtonderdelen a tot en met c als kennelijk ongegrond en klachtonderdeel d als kennelijk niet-ontvankelijk af.

Aldus gedaan door mr. G.J.W. van Oven, plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage op 19 augustus 2011.

 

Plv. voorzitter   

 

Van deze beslissing kan binnen 14 dagen na verzending van het afschrift verzet worden ingesteld.

De eerste dag van deze termijn van 14 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van het afschrift. Uiterlijk op de veertiende dag dient Uw verzetschrift in het bezit te zijn van de griffier van de Raad van Discipline. Het gaat mitsdien niet om tijdige verzending van het verzetschrift maar om tijdige ontvangst door de griffie van de Raad. U dient er rekening mee te houden dat verlenging van deze termijn niet tot de mogelijkheden behoort.