Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-08-2011

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2011:YA1920

Zaaknummer

5940

Inhoudsindicatie

Verweerder stuurde ondanks vele verzoeken te lang geen eindafrekening en rekende zeer laat af met zijn cliënt. Gegrond. Maatregel schorsing van 2 weken. 

Uitspraak

 

         

5 augustus 2011

No. 5940

Hof van Discipline

Beslissing

naar aanleiding van het hoger beroep van

verweerder

tegen:

klager.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch (verder: de raad) van 15 november 2010, onder nummer M147 2010, aan partijen toegezonden op 19 november 2010. De raad heeft klager ontvankelijk verklaard in beide onderdelen van de klacht en voorts klachtonderdeel 1 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 gegrond. Aan verweerder is de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken opgelegd.

 

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 9 december 2010 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- schrijven van verweerder aan het hof van 24 mei 2011;

- schrijven van verweerder aan het hof van 25 mei 2011.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 10 juni 2011, waar mr. X.  namens verweerder is verschenen. Mr. X. heeft de door verweerder opgestelde pleitaantekeningen voorgedragen.

3. De klacht

 De klacht luidt – voor zover in hoger beroep van belang - als volgt:

1. (….)

2. Verweerder heeft nagelaten klager tijdig een einddeclaratie toe te sturen.

4. De feiten

4.1 Het volgende is komen vast te staan:

- Verweerder heeft klager en zijn familie bijgestaan in een klachtprocedure tegen een longarts werkzaam bij het Havenziekenhuis te Rotterdam, die de vader van klager nadat bij hem kanker werd vastgesteld, heeft behandeld. De vader is aan deze ziekte overleden.

- De hoorzitting voor de klachtencommissie van genoemd ziekenhuis vond plaats op 22 mei 2007. Niet verweerder maar zijn kantoorgenoot X. heeft klager en zijn familie tijdens de hoorzitting bijgestaan. De klacht bestond uit zeven klachtonderdelen. Op 5 juni 2007 heeft de klachtencommissie de klachtonderdelen 2 en 5 gegrond verklaard en de overige klachtonderdelen ongegrond. De gegrond verklaarde klachtonderdelen betroffen de bejegening, de ongegrond verklaarde klachtonderdelen betroffen medische aspecten.

- Bij brieven van 15 juni 2007 en 23 oktober 2007 heeft verweerder aan klager uiteengezet dat na de uitspraak van de klachtencommissie het vorderen van schadevergoeding van de betreffende arts dan wel het ziekenhuis een hachelijke zo niet onhaalbare zaak was.

- Op 27 februari 2009 heeft tussen klager en verweerder een bespreking plaatsgevonden.

- Op 8 juli 2009 heeft klager bij de deken de onderhavige klacht ingediend.

- Op 20 oktober 2009 heeft verweerder zijn einddeclaratie aan klager gezonden. Volgens verweerder resteerde van het door klager betaalde voorschot een te restitueren bedrag van € 4.434,22.

- Verweerder heeft bij brief van 18 november 2009 aan de deken bericht de afdeling boekhouding van zijn kantoor opdracht te hebben gegeven voormeld bedrag aan klager te betalen.

- Bij brief van 23 februari 2010 heeft verweerder de deken bericht dat het aan klager toekomende bedrag ondanks instructie aan de boekhouding van zijn kantoor, nog niet was overgemaakt.

5. De beoordeling

5.1 De raad heeft klachtonderdeel 2 gegrond verklaard. De raad heeft daartoe onder meer overwogen dat uit de door verweerder overgelegde urenspecificatie blijkt dat door hem werkzaamheden zijn verricht tot en met 23 oktober 2007 en dat pas weer op 27 februari 2009 een bespreking met klager heeft plaatsgevonden. Van werkzaamheden tussen oktober 2007 en februari 2009 is de raad niet gebleken. Met juistheid heeft de raad overwogen dat het aan de advocaat is duidelijkheid te verschaffen over de voortgang van een zaak. Verweerder heeft bij brieven van 5 juni en 23 oktober 2007 te kennen gegeven dat het vorderen van schadevergoeding vanwege het procesrisico een hachelijke zo niet onhaalbare zaak was. Uit het feit dat verweerder in de periode tussen 23 oktober 2007 en de bespreking op 27 februari 2009 geen enkele werkzaamheid voor klager verrichtte, leidt het hof af dat verweerder in ieder had besloten voor klager geen procedure tot schadevergoeding aanhangig te maken. Een en ander blijkt ook uit zijn pleitaantekeningen waarin verweerder schrijft: “Ook na deze bespreking (hof: de bespreking van 27 februari 2009) is door of namens de familie B. herhaaldelijk contact met mij opgenomen met het verzoek om de zaak alsnog te willen vervolgen “op de wijze zoals hij (hof: klager) dit wenste”, aan welke verzoeken dezerzijds geen gevolg gegeven is onder verwijzing naar het gestelde in mijn hiervoren vermelde brieven van 15 juni 2007 en 23 oktober 2007.”  Het had niet alleen op de weg van verweerder gelegen in duidelijker bewoordingen dan hij heeft gedaan in genoemde brieven aan klager mee te delen dat hij niet verder voor klager wilde procederen, het had na de brief van 23 oktober 2007 eveneens op zijn weg gelegen een einddeclaratie op te stellen en klager het te veel betaalde voorschot terug te betalen. Daartoe is verweerder echter niet overgegaan. Eerst na inschakeling van de deken is verweerder uiteindelijk overgegaan tot het opstellen van een eindafrekening, waarna het ondanks zijn toezegging op 18 november 2009 direct tot betaling over te gaan, nog vier maanden heeft geduurd voordat hij daadwerkelijk tot betaling overging. Met juistheid heeft de raad dan ook overwogen dat verweerder niet die nauwgezetheid en zorgvuldigheid betracht die van een advocaat in financiële aangelegenheden mag worden verwacht.

5.2 In hoger beroep stelt verweerder dat door hem in de periode tussen 23 oktober 2007 en 27 februari 2009 nog talloze telefonische contacten met klager en/of zijn familie hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat het louter niet vermeld zijn van werkzaamheden op de overgelegde urenspecificatie nog niet betekent dat er geen contacten hebben plaatsgevonden. In zijn pleitnota schrijft verweerder: “De urenspecificatie wordt ten onzen kantore, en naar aan te nemen is op alle advocatenkantoren, immers uitsluitend bijgehouden in verband met het opstellen en verzenden van de declaraties, zodat de conclusie, dat vorenbedoelde contacten en zelfs overleg met de cliënten niet plaatsgevonden zouden hebben, niet juist is.”

Uit deze zinsnede kan het hof niet anders afleiden dan dat verweerder niet van plan was na 23 oktober 2007 enige werkzaamheid voor klager te declareren. Reden te meer om tot afrekening en terugbetaling van het teveel betaalde voorschot over te gaan. Zijn desbetreffende verweer verwerpt het hof dan ook.

Ook het verweer dat verweerder de financiële eindafrekening heeft opgesteld zodra duidelijk werd dat klager zich tot de deken had gewend, kan verweerder niet baten. De klacht is op 8 juli 2009 ingediend. In zijn brief aan de deken schrijft klager onder meer: “Als laatst wou ik een kostenplaatje zien van wat voor kosten hij tot nu toe voor mij heeft gemaakt. 2 maanden geleden heeft hij mij het beloofd om het op te sturen hij heeft mij ook nog gebeld dat hij het zou op sturen maar heb daarna niks meer van hem gehoord daar bij heb ik het nog schriftelijk ingediend dat hij binnen 5 werkdagen het kosten plaatje moet opsturen. Heb tot heden nog niks van hem ontvangen. Hij beantwoord mijn telefoontjes ook niet meer.” Ondanks de kennelijke toezegging aan klager van omstreeks mei 2009 dateert de eindafrekening van 20 oktober 2009 en de terugbetaling van eind februari 2010. Anders dan verweerder oordeelt het hof aan de hand van de feitelijke gang van zaken dat verweerder, nadat klager hem  daarom vroeg, onvoldoende zorgvuldig is geweest bij de financiële afwikkeling met klager. De stelling van verweerder dat de boekhouding van zijn kantoor ondanks zijn instructie heeft verzuimd tijdig tot terugbetaling over te gaan, verwerpt het hof. Verweerder is er verantwoordelijk voor dat instructies aan de boekhouding worden opgevolgd. Het had op zijn weg gelegen na zijn instructie te controleren of het aan klager toekomende daadwerkelijk was overgemaakt.

5.3 De raad heeft aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk opgelegd voor de duur van twee weken. De raad heeft daarbij overwogen dat aan verweerder in het verleden tuchtrechtelijke maatregelen zijn opgelegd, waarbij onder meer eveneens sprake was van handelen in strijd met de financiële nauwgezetheid en zorgvuldigheid die een advocaat in acht behoort te nemen. De raad heeft overwogen dat verweerder klaarblijkelijk uit de opgelegde maatregelen geen lering heeft getrokken. Het hof volgt de raad hierin, te meer daar het hof heden jegens klager in nog twee andere zaken uitspraak doet, in welke zaken eveneens sprake is van onzorgvuldig en niet nauwgezet handelen in financiële aangelegenheden.

5.4 Klager heeft nog opgemerkt dat de eindafrekening van verweerder niet klopt omdat daarop een door hem betaald voorschot van € 8.800,- in mindering is gebracht, terwijl hij aan verweerder een bedrag van € 9.000,- aan voorschot heeft betaald. Nu hij daarvan geen bewijs aan het hof heeft kunnen overleggen, gaat het hof uit van de juistheid van de boekhoudkundige verwerking van het betaalde voorschot door de boekhouding van het kantoor van verweerder.

5.5 Het voorgaande betekent dat de beslissing van de raad zal worden bekrachtigd. Het hof zal de schorsing in de uitoefening van de praktijk doen ingaan op 1 september 2011.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 10 januari 2011, genomen onder nummer M 147-2010,  bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 1 september 2011 en bepaalt dat de schorsing niet loopt gedurende de tijd dat verweerder uit anderen hoofde is geschorst of niet als advocaat is ingeschreven.

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet, voorzitter, mrs. G.W.S. de Groot, J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.A.M.J. Raymakers, W.F. van Zant, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2011.