Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-01-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2011:YA1342

Zaaknummer

H28-2010

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Niet gebleken van enig onbehoorlijk handelen van verweerster, gericht op het aftroggelen van een zaak van klager.

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Uitspraak

 

H 28-2010 Verzet

 

Raad van Discipline

in het ressort ’s-Hertogenbosch

 

Beslissing

 

inzake

 

het verzet van:

 

de heer mr. X

 

tegen de beslissing van de voorzitter d.d. 2 maart 2010,

 

inzake de klacht tegen:

 

mevrouw mr. Y

gemachtigde: de heer mr. Z,

 

−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−−

1.         Verloop van de verzetprocedure.

Bij brief d.d. 18 maart 2010, door de raad ontvangen op 19 maart 2010, heeft klager verzet aangetekend tegen de beslissing van de voorzitter van 2 maart 2010, welke beslissing aan klager, verweerder en de deken werd toegezonden op 5 maart 2010.

 

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter openbare zitting van de raad van 1 november 2010, waarvoor partijen werden opgeroepen bij brieven van de griffier van 23 augustus 2010. Daarbij werd hun medegedeeld dat de stukken ter inzage zouden liggen ten kantore van de griffier tot 18 oktober 2010. De deken werd van de mondelinge behandeling op de hoogte gesteld.

 

Bij de mondelinge behandeling is verweerster, vergezeld van haar gemachtigde, verschenen. Klager is niet verschenen.

 

 

2.         De feiten

 

2.1.      Op 16 januari 2010 is de cliënt van verweerster een ongeval overkomen. Door deze werd per e-mail d.d. 20 januari 2010 een aanvraag bij klager gedaan. Klager heeft op 21      januari             2010 de echtgenote van de cliënt van verweerster bezocht en tijdens dit gesprek          een letselschadeformulier ingevuld.

 

2.2.      Op 22 januari 2010 heeft de echtgenote van de cliënt van verweerster, na een verwijzing  door bureau slachtofferhulp, een bezoek gebracht aan verweerster, waarna verweerster de          zaak in behandeling heeft genomen.

 

2.3.      Op 25 januari 2010 heeft de echtgenote van de cliënt van verweerster klager telefonisch    bericht dat haar echtgenoot door het bureau slachtofferhulp naar verweerster was    verwezen en dat deze de zaak in behandeling had genomen.

 

2.4.      Klager heeft verweerster per brief dd. 25 januari 2010 bericht dat tijdens zijn bezoek op    21 januari 2010 aan de echtgenote van cliënt opdracht aan hem was verstrekt en dat hij       verbaasd was dat verweerster zonder enig overleg de zaak in behandeling wilde nemen.            Klager kondigde aan een klacht tegen verweerster in te zullen dienen, indien zij de zaak       daadwerkelijk in behandeling zou nemen.

 

2.5.      Verweerster heeft klager bij brief van dd. 26 januari 2010 laten weten dat haar cliënt haar desgevraagd had bericht dat er weliswaar een informatief gesprek met klager had      plaatsgevonden, maar dat er geen sprake was van een opdrachtverstrekking aan klager.

 

2.6.      Klager heeft verweerster vervolgens bij brief van dd. 26 januari 2010 bericht dat de           echtgenote van cliënt hem uitdrukkelijk tijdens het gesprek op 21 januari 2010 opdracht     tot dienstverlening had verstrekt. Zij zou het VOF-contract toesturen en het kenteken en         het polisnummer telefonisch doorgeven. Klager stelde vervolgens de zaak te zullen  blijven behandelen, zolang hij geen getekende opdracht had ontvangen, waaruit bleek dat       cliënt de zaak aan verweerster in behandeling had gegeven, omdat er geen enkele reden    bestond om de zaak aan verweerster over te dragen. 

 

 

3.         De klacht

 

3.1.      De klacht houdt in:

            Verweerster heeft willens en wetens een zaak van klager afgetroggeld.

           

 

4.         Beslissing van de voorzitter

 

4.1.      De voorzitter heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen omdat naar het    oordeel van de voorzitter niet is gebleken van enig onbehoorlijk handelen van verweerster, gericht op het aftroggelen van een zaak van klager, zoals klager stelt.

 

5.         Het verzet

 

5.1.      Het verzet houdt in:

 

            Klager is het oneens met de voorzittersbeslissing om twee redenen:

-           Er was al aan klager opdracht verstrekt door de echtgenote van cliënt; dat blijkt     genoegzaam uit de voorhanden stukken;

-           Verweerster schrijft ten onrechte in haar brief van 25 januari 2010 aan klager dat zij al       op 20 januari 2010 met de echtgenote van cliënt gesproken heeft; dat is een verdraaiing           van de feiten.

 

6.         Beoordeling van het verzet

 

6.1. De raad constateert dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat door de cliënt eerder een opdracht zou zijn verstrekt om hem in deze letselschadezaak bij te staan. Voorts is niet gesteld of gebleken dat verweerster enig initiatief richting de cliënt heeft genomen om een eventuele aan klager verstrekte opdracht in te trekken en aan verweerster te geven.

 

6.2. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat de vermelding van de datum 20 januari 2010 in de brief van verweerster een verschrijving was en dat uit de overige brieven ook blijkt dat dit 22 januari 2010 moest zijn. De raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerster verwijtbaar heeft gehandeld door deze enkele verschrijving.

 

6.3. De raad concludeert dat het onderzoek in verzet niet heeft geleid tot een vaststelling van andere feiten – met uitzondering van het feit dat het eerste gesprek is gevoerd tussen verweerster en de echtgenote van de cliënt en niet tevens met de cliënt zelf- dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter waarmede de raad zich verenigt. Mitsdien zal het verzet als ongegrond moeten worden afgewezen.

 

 

7.         Beslissing

De raad verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. R.P.G. Houterman, voorzitter, en mrs. P.J.W.M. Theunissen, L.W.M. Caudri, H.C.M. Schaeken, L.G.J. de Haas, leden,alsmede mr. Th.H.G. van de Langenberg, griffier, ter openbare zitting van de raad d.d. 10 januari 2011.

 

 

 

mr. Th.H.G. van de Langenberg,                                             mr. R.P.G. Houterman,

griffier.                                                                                                voorzitter.

 

 

Verzonden op: 14 januari 2011.

 

 

 

Ingevolge het bepaalde in artikel 46h lid 4 van de Advocatenwet kan tegen deze beslissing geen hoger beroep worden ingesteld.