Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

06-06-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2011:YA1715

Zaaknummer

H 185-2010

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Artikel 46d lid 3 advocatenwet brengt voor de deken geen verplichting met zich mee om een klacht onmiddellijk ter kennis te brengen van de raad van discipline zonder eerst het zijn inziens noodzakelijke onderzoek naar de klacht te hebben afgerond. Artikel 46e lid 2 van de advocatenwet heeft betrekking op een ambtshalve bevoegdheid van een deken en heeft geen betrekking op een verzoek van een klager.

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond

Uitspraak

 

H 185-2010

Raad van Discipline

in het ressort ’s Hertogenbosch

 

Beslissing

 

inzake

 

het verzet tegen een voorzittersbeslissing

 

betreffende een klacht van  

 

A

verder : klager,

 

tegen

 

B

verder : verweerder.

 

1. Verloop van de procedure

 

1.1       Bij brief van 26 oktober 2010 heeft klager verzet aangetekend tegen de beslissing van de voorzitter van de raad dd. 11 oktober 2010, verzonden op 15 oktober 2010.

 

1.2       De raad heeft voorts kennis genomen van de brief van verweerder dd. 23 februari 2011.

 

1.3       Het verzet is behandeld ter openbare zitting van de raad van 18 april 2011.

Ter zitting is verweerder verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

 

2. De feiten

 

2.1       De raad gaat uit van de feiten en van de omschrijving van de klacht zoals in de beslissing van de voorzitter omschreven, nu het verzet daartegen niet is gericht.

 

3. De klacht

 

3.1       De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:

-           verweerder heeft nagelaten de klachtregeling van de Nederlandse Orde van Advocaten aan klager toe te sturen;

-           er was geen sprake van een goede voortgangscontrole in de klachtzaak tegen mr. X, verweerder behandelde de klacht niet zelf doch liet dit over aan de stafjurist van het bureau van de orde;

-           verweerder heeft de klacht niet verwezen naar een lid van de raad van toezicht als bepaald in artikel 46c lid 3 van de Advocatenwet;

-           verweerder gaf geen gehoor aan meerdere verzoeken van klager om het dossier onmiddellijk door te sturen aan de raad van discipline.

 

4. Beslissing van de voorzitter

 

4.1.      De voorzitter heeft de klacht in alle onderdelen als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

5. Het verzet

 

5.1.      Verweerder heeft in weerwil van herhaalde verzoeken van klager en in strijd met de artikelen 46 d lid 3 en 46e lid 2 c Aw de klachten van klager tegen mr. X niet onmiddellijk aan de Raad van Discipline doorgezonden.

 

6. Beoordeling van het verzet

 

6.1.      Het verzet is enkel gericht tegen de beslissing van de voorzitter op klachtonderdeel 4. Het onderzoek in verzet heeft derhalve alleen betrekking op het oordeel over klachtonderdeel 4. Onderdeel 4 van de klacht houdt het verwijt in dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek van klager om de bij hem ingediende klacht onmiddellijk door te zenden aan de raad. De stelling van klager dat de artikelen 46 d lid 3 en 46e lid 2 Advocatenwet de deken zouden verplichten om een klacht zonder het instellen van onderzoek door te zenden aan de raad van discipline indien klager daarom verzoekt, onderschrijft de raad niet. Artikel 46 d lid 3 Advocatenwet houdt in dat een klager, indien drie maanden na indiening van de klacht geen schikking is bereikt, de deken kan verzoeken om de klacht ter kennis van de raad van discipline te brengen. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de deken te bepalen of en, zo ja, wanneer hij op een dergelijk verzoek ingaat. Voormelde wetsbepaling brengt voor de deken niet de verplichting mee om een klacht onmiddellijk ter kennis te brengen van de raad van discipline zonder eerst het zijns inziens noodzakelijke onderzoek naar de klacht te hebben afgerond. Artikel 46 e lid 2 Advocatenwet heeft betrekking op een ambtshalve bevoegdheid van de deken en heeft geen betrekking op een verzoek van de klager tot onmiddellijke doorzending aan de raad van discipline.

 

6.2.      Voor het overige heeft het onderzoek in verzet niet geleid tot een vaststelling van andere feiten danwel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter waarmede de raad zich verenigt. Mitsdien zal het verzet als ongegrond worden afgewezen.

 

8. Beslissing

 

De raad wijst het verzet als ongegrond af.

 

Aldus gegeven door mr. R.P.G. Houterman, voorzitter, en mrs. E.P.C.M. Teeuwen, A.L.W.G. Houtakkers, P.A.M. van Hoef en J.D.E. van den Heuvel, leden, alsmede mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2011

 

griffier                                                 voorzitter

 

Verzonden op: 7juni 2010.

 

Ingevolge het bepaalde in artikel 46h lid 4 Advocatenwet kan tegen deze beslissing geen hoger beroep worden ingesteld.